Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2740

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/03/197832 / FA RK 14-3372
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2015:11379
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2016:11613
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2016:11614
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verrekening huwelijkse voorwaarden, vaststelling waarde pand in Spanje en inboedel Spanje, terugkomen op eindbeslissingen? , verzwegen bankrekening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rekestnummer: C/03/197832 / FA RK 14-3372

Eindbeschikking d.d. 6 maart 2017 betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten, gevestigd te Heerlen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H.J.M. Stassen, gevestigd te Maastricht,

1 De verdere procedure

Naar aanleiding van de beschikking van 21 oktober 2016 heeft zowel de man als de vrouw op 1 december 2016 een antwoordakte ingediend. Op 2 november en 5 december 2016 heeft de man een F9-formulier ingediend en op 3 november 2016 heeft de vrouw de gevraagde polissen met een F9-formulier ingediend.

De uitspraak is door de rechtbank nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in haar beschikking van 21 oktober 2016.

2.1.

Te verrekenen vermogen van de man

2.1.1.

Pand met inboedel te Spanje

Aan de hand van de door de man overgelegde beëdigde vertaling van de relevante pagina’s van de taxatie die in zijn opdracht is gedaan, staat vast dat het betreffende pand met de inboedel is getaxeerd op een marktwaarde per 1 september 2013 van € 262.500,00. Het pand is op € 256.500,00 gewaardeerd en de inboedel op € 6.000,00. Terzake de inboedel is de taxateur (die tevens bevoegd is tot de taxatie van roerende zaken) uitgegaan van een beginwaarde (naar de rechtbank begrijpt: nieuwwaarde van € 12.000,00). Hij heeft in verband met het gebruik van de inboedel een afwaardering van 50% toegepast zodat hij op de peildatum de inboedel op € 6.000,00 heeft gewaardeerd.

Uit de door de vrouw in haar opdracht opgemaakte “valuation” door een huizenverkoper, kan niet zondermeer en zonder twijfel worden opgemaakt of de waardebepaling van het pand in- of exclusief de inboedel heeft plaatsgevonden. Nu het om een huizenverkoper gaat, van wie niet blijkt dat deze ook bevoegd is tot de taxatie van roerende zaken, en de vrouw de opdracht tot taxatie heeft gegeven en zij aangeeft dat slechts het pand is getaxeerd, houdt de rechtbank het erop dat deze taxateur de waarde van het pand exclusief de inboedel heeft bepaald op € 275.000,00.

Dat betekent dat met de man kan worden vastgesteld dat de vrouw de inboedel van het pand niet heeft laten taxeren.

Partijen verschillen over de door de man in de jaren 2011-2013 gepleegde investering aan de inboedel van het bedoelde pand.

De vrouw stelt, onder verwijzing naar allerlei door haar overgelegde documenten, dat ten minste € 42.773,06 is geïnvesteerd in de aanschaf van nieuwe inboedel én stelt dat deze hagelnieuw en niet gebruikt was op de peildatum zodat de waarde op € 30.000,00 dient te worden bepaald.

De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij stelt dat de aanschafwaarde irrelevant is voor de bepaling van de marktwaarde, dat hij de inboedel heeft laten taxeren (zoals de bedoeling was van de opdracht van de rechtbank) en dat hij desgevraagd door de rechtbank de aankoopnota’s kan overleggen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Duidelijk is dat partijen er niet op uit zijn dat de rechtbank een deskundige gaat benoemen om de waarde van het pand en de inboedel te laten vaststellen. In overweging 2.8.5. van de beschikking van 23 maart 2016 zijn partijen op die en de alternatieve route gewezen en vervolgens hebben partijen voor de alternatieve route gekozen en zich ook niet meer uitgelaten over de wenselijkheid of noodzaak van het volgen van de koninklijke route.

Een en ander brengt met zich mee dat de rechtbank de waarde zal moeten vaststellen aan de hand van hetgeen partijen hebben aangereikt.

De waarde van het pand zal de rechtbank vaststellen op het gemiddelde van € 256.500,00 en € 275.000,00 met andere woorden op € 265.750,00.

De rechtbank neemt over hetgeen de taxateur van de inboedel die de man heeft ingeschakeld, bij zijn taxatie heeft gedaan waar het betreft de afwaardering van de nieuwwaarde met 50%. Ook al mag het zo zijn geweest dat de inboedel nog vrijwel nieuw was en praktisch ongebruikt, de marktwaarde van dergelijke inboedel (gekocht in de jaren 2011-2013) moet in redelijkheid op 50% van de nieuwwaarde worden geschat.

Een en ander betekent dat de discussie zich toespitst op de nieuwwaarde van de inboedel. De man stelt deze, onder verwijzing naar zijn taxateur, op € 12.000,00. Dit bedrag stemt evenwel niet overeen met het door de man eerder gestelde bedrag van € 18.731,41 (zie overweging 2.8.1. van de beschikking van 23 maart 2016). De man heeft niet gesteld dat dit bedrag niet juist zou zijn en dat ligt ook niet in de rede omdat de man er in deze procedure blijk van geeft cijfermatig goed onderlegd te zijn en doordacht een bedrag in zijn stukken noemt. In dit eindstadium van de procedure aangekomen, wordt de man niet meer de gelegenheid geboden om aankoopbonnen met een bijbehorende opstelling over te leggen: hij heeft die kans gehad bij de vorige beschikking en om hem moverende redenen dat niet gedaan. De door de vrouw ingenomen stelling uitmondend in ruim € 42.000,00 heeft zij, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt met dien verstande dat de man niet heeft betwist dat voor het pand in Spanje bij Jussen in Maastricht 6 boxsprings tot circa € 6.000,00 zijn gekocht. De door de vrouw gestelde bedragen van

€ 4.070,00 en € 13.971,65 heeft zij niet genoegzaam onderbouwd. Haar verwijzing naar bepaalde bedragen op bankafschriften van de man en haar opgestelde lijst van uitgaven maakt niet duidelijk aan welke concrete inboedel de bedoelde bedragen zijn uitgegeven. Ook de door de man op die bankafschriften handgeschreven bedragen vermelden veelal slechts “vakantiekosten” of “Spanje vakantiekosten” en kunnen zonder onderbouwing die ontbreekt niet nader worden geduid. Hoewel bepaalde grotere bedragen van meerdere honderden euro’s een aanwijzing zouden kunnen vormen voor de aanschaf van bepaalde inboedel is die aanwijzing op zichzelf onvoldoende om aan te kunnen nemen hetgeen de vrouw heeft gesteld. De conclusie is dat aan inboedel in de jaren tot de peildatum afgerond € 25.000,00 is uitgegeven én dat die inboedel op de peildatum een marktwaarde van € 12.500,00 heeft gehad. Per saldo dient voor het pand en de inboedel een waarde van € 278.250,00 in de verrekening aan de zijde van de man te worden meegenomen.

2.1.2.

Eisvermeerdering door de man (bij antwoordakte d.d. 22 juli 2016)

De man heeft op door hem aangevoerde gronden zijn verzoek vermeerderd en verzocht

€ 46.008,85 in mindering te mogen brengen op zijn te verrekenen vermogen. Hij stelt dat er nog een schuld op de woning te [plaats] rust in de orde van grootte van de genoemde ruim € 46.000,00. Kennelijk tracht de man de rechtbank te laten terugkomen op een eerder gegeven eindbeslissing. Tot die eindbeslissing is de rechtbank gekomen aan de hand van hetgeen partijen in het debat over bedoeld pand naar voren gebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank wijst de vrouw er terecht op dat de man zich in zijn eisvermeerdering tegenspreekt omdat hij daarin ook stelt dat de bedoelde lening op 9 januari 1999 geheel werd afgelost. Bij die stand van zaken is er geen genoegzame reden om terug te komen op bedoelde eindbeslissing en dient de vermeerdering van het verzoek van de man te worden afgewezen.

2.1.3.

Verzoek tot heroverweging door de vrouw

De vrouw verzoekt de rechtbank terug te komen op haar oordeel zoals neergelegd in de tussenbeschikking van 23 maart 2016 in het bijzonder onder 2.5. en 2.6. waar de rechtbank aan de hand van het debat tussen partijen tot de eindbeslissingen is gekomen zoals aldaar zijn verwoord. Die eindbeslissingen komen er kort gezegd op neer dat het beroep van de man op de tenzij-clausule van artikel 1:141 lid 3 BW slaagt waardoor ruim € 149.000,00 en de waarde van het pand aan de [adres] te [woonplaats] buiten de verrekening met de vrouw dient te blijven.

De rechtbank zal niet terugkomen op deze bindende eindbeslissingen. De vrouw onderbouwt haar verzoek met een analyse van het oordeel van de rechtbank waar zij, mede aan de hand van een nieuwe analyse van de door de man in deze procedure ingenomen stellingen van zijn financiële positie in de jaren 1987 en 1988, de conclusie aan verbindt dat op dat oordeel dient te worden teruggekomen. Door aldus haar verzoek tot “heroverweging” te onderbouwen, komt haar verzoek in strijd met een goede procesorde. De vrouw maakt niet duidelijk waarom zij niet veel eerder in de procedure dit gemotiveerde standpunt heeft ingenomen namelijk op het moment dat daarover het processuele debat tussen partijen werd gevoerd en partijen wisten, althans er rekening mee hadden moeten houden dat de rechtbank het beroep van de man op de tenzij clausule zou gaan beoordelen. Kijkend naar hetgeen de vrouw nu naar voren brengt, valt ook niet in te zien dat de vrouw dat niet eerder had kunnen doen. Door pas in het eindstadium van deze procedure haar heranalyse van de door de man gepresenteerde feiten naar voren te brengen, is zij daarmee te laat. In feite komt haar verzoek neer op een verkapt appel in dezelfde instantie en dat is niet toegelaten. De conclusie moet luiden dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

De vrouw verzoekt verder om terug te komen op andere eindbeslissingen die zijn neergelegd in de overwegingen 2.6. (Loyalis polis [polisnummer] ), 2.12. (Delta Lloydpolis) en 2.16. (Superbonus).

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw niet honoreren.

Wat betreft de beslissing onder overweging 2.6.: in de beschikking voorlopige voorzieningen van 9 april 2014 is anders dan de vrouw daaruit afleidt uit de laatste alinea van blad 4 duidelijk dat de uitkering uit de polis niet is verdisconteerd in de vastgestelde partneralimentatie. Slechts de bijdrage van € 850,00 per maand aan de studies van zijn dochters is in de draagkracht van de man meegenomen. Waar de vrouw dit over het hoofd ziet, wordt aan haar verzoek voorbij gegaan.

Wat betreft de beslissing onder overweging 2.12.: hier geldt dat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij hetgeen zij nu aanvoert niet eerder in het debat naar voren heeft gebracht. Zoals in de vorige beschikking is overwogen, heeft zij daartoe wel de gelegenheid gehad. Derhalve is zij nu te laat en handelt zij in strijd met de goede procesorde door in het eindstadium van de procedure alsnog de stellingen van de man op onderdelen te gaan bestrijden. Aan haar verzoek wordt voorbij gegaan.

Eenzelfde redenering gaat op voor het verzoek van de vrouw ten aanzien van overweging 2.16.: de rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw in die fase van het debat niet heeft gesteld en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat haar deel van de superbonus van € 40.000 op de peildatum 1 september 2013 nog aanwezig was. Dat heeft tot de eindbeslissing geleid dat dat bedrag aan haar zijde niet buiten de verrekening blijft. Nu tracht de vrouw te betogen dat die € 40.000,00 nog wel aanwezig was en kennelijk onderdeel uitmaakte van de saldi op haar rekeningen. De vrouw brengt deze stelling te laat naar voren en daarmee is haar verzoek om terug te komen op de eindbeslissing in strijd met de goede procesorde.

Waar de vrouw de rechtbank verzoekt terug te komen op reeds in het dictum van de beschikking van 21 oktober 2016 toe- of afgewezen verzoeken (overwegingen 4.6., 5.2. en 5.3.) staat het rechtbank om die formele reden helemaal niet meer vrij dat te doen.

2.1.4.

Verzwegen bankrekening ?

De vrouw stelt dat de man een uitkering van een Loyalis polis in 2011 heeft ontvangen op een bankrekening bij Loyalis die hij in het kader van de verrekening niet heeft genoemd. In ieder geval is onduidelijk waar de betreffende uitkering is gebleven. Volgens de vrouw moet de nam hierover informatie verschaffen en mochten deze gelden zijn verzwegen dan heeft de man deze gelden aan de vrouw verbeurd.

De man heeft nog geen gelegenheid gehad om op deze stellingen te reageren.

De rechtbank zal de man daartoe geen gelegenheid geven. Immers uit de door de man in deze procedure beschikbaar gestelde gegevens, waaronder zijn belastingaangiften 2012 en 2013 en daarop gebaseerde aanslag 2012, blijkt niet dat hij op de peildatum nog de beschikking heeft gehad over de bedoelde bankrekening bij Loyalis. Een dergelijke Nederlandse rekening kan niet onopgemerkt blijven voor de belastingdienst indien deze in 2012 of 2013 nog zou hebben bestaan. Derhalve is er geen aanleiding om de man op de stellingen van de vrouw te laten reageren. Daar komt bij dat van een verzwijging in de zin zoals door de vrouw bedoeld wordt eerst kan worden gesproken als de rechtbank de verrekening in eerste aanleg definitief heeft beslist en nadien komt vast te staan dat de man gelden opzettelijk heeft verzwegen. Een en ander kan zich dus niet in deze procedure voordoen. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

2.1.5.

De optelsom van het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man

In de vorige beschikking is vastgesteld dat de man een vermogen van € 291.631,24 heeft gehad. Daarbij moet € 278.250,00 worden geteld. Het totaal komt daarmee op € 569.881,24.

2.2.

Te verrekenen vermogen aan de zijde van de vrouw

De rechtbank heeft in de vorige beschikking onder punt 3 in een aantal overwegingen het vermogen van de vrouw op € 119.414,08 vastgesteld. Bij dat bedrag moet nog worden opgeteld de waarde van de Mercedes (€ 9.000) zodat haar vermogen € 128.414,08 is.

Daarin is terecht geen rekening gehouden met een bedrag van € 18.000,00 (waarde van de vordering uit hoofde van lening aan de zoon [naam zoon] ). Hoewel deze post abusievelijk wel aan de zijde van de vrouw in de tussen beschikking van 23 maart 2016 tot het te verrekenen vermogen was gerekend, heeft de rechtbank dit hersteld in de vorige beschikking van 21 oktober 2016. Immers uit het processuele debat dat partijen hebben gevoerd, blijkt dat nimmer is gesteld (anders dan de man nu (zonder onderbouwing) naar voren brengt) dat de vrouw op de peildatum een vordering op de zoon van partijen had. Alleen de man heeft een dergelijke vordering (tot € 23.180,00) gehad en daarmee is ook terecht rekening gehouden aan zijn zijde.

De vrouw heeft de door de rechtbank bedoelde polissen van de Loyalis spaarplannen overgelegd en de man heeft daaraan geen gevolgen meer verbonden. De vrouw is niet opgedragen om bepaalde KBC polissen over te leggen zodat aan die opmerking van de man voorbij wordt gegaan.

2.3.

Slotsom: het bedrag dat de man aan de vrouw moet betalen op grond van de verrekening in de huwelijkse voorwaarden

Per saldo dient de man € 220.733,58 aan de vrouw te betalen. Daarnaast dient de man aan de vrouw de helft van de gemeenschappelijke ASR polis te betalen: € 28.010,28 (zie de vorige beschikking onder 2.21, post 7).

2.4.

Proceskosten

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de man een bedrag van € 220.733,58 aan de vrouw zal voldoen ter afwikkeling van de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden, alsmede een bedrag van € 28.010,28 uit hoofde van de afwikkeling van de gemeenschappelijke ASR polis;

3.2.

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C.L.G. Lousberg op 6 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden..