Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2704

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
5710512 AZ 17-29 24032017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding, g-grond, h-grond.

Werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer primair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter oordeelt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet. Wel zijn partijen in een impasse geraakt over de vraag waar werknemer tewerk kan worden gesteld maar dit is een omstandigheid die werkgever mede over zichzelf heeft afgeroepen en om die reden voor zijn rekening en risico dient te komen.

Subsidiair verzoek om ontbinding op de h-grond wordt ook afgewezen. De h-grond is niet bedoeld om overige onvoldragen gronden te repareren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2042
AR-Updates.nl 2017-0497
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5710512 \ AZ VERZ 17-29

Beschikking van de kantonrechter van 24 maart 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] SECURITY B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

gemachtigde mr. L.K. Osinski,

tegen:

[B] ,

wonend [adres B] ,

[woonplaats B] ,

verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

gemachtigde mr. M.G.H. Terhorst.

Partijen zullen hierna [B] en [A] Security worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 9 februari 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- het verweerschrift tevens houdende een (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek

- de namens [A] Security nader ingezonden producties

- de mondelinge behandeling d.d. 10 maart 2017 waarbij [B] zijn (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek heeft gewijzigd

- de tijdens de mondelinge behandeling voorgedragen pleitnota van [A] Security

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[B] is op 19 juni 2006 bij [A] Security in dienst getreden en vervult thans de functie van beveiligingsbeambte tegen een loon van € 2.025,86 bruto per vier weken, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor Particuliere Beveiligingsorganisaties van toepassing.
2.2. [A] Security exploiteert een beveiligings- en bewakingsbedrijf. De werkzaamheden hebben betrekking op alarmopvolging, objectbewaking en mobiele surveillance.

2.3.

[A] Security heeft diverse opdrachtgevers, waaronder Acuutzorg en het Leger des Heils.

2.4.

[B] heeft eerder werkzaamheden verricht voor één van de vier huizen (Domus) van het Leger des Heils. Sinds medio 2016 werd [B] daar niet meer ingezet, omdat de locatiemanager (dhr. [X] , Domus Azalealaan) van de desbetreffende locatie vond dat [B] onvoldoende ‘gewicht’ had om in crisissituaties te handelen.

2.5.

[A] Security verricht sinds oktober 2016 werkzaamheden voor Acuutzorg. Acuutzorg is een organisatie die begeleiding biedt aan kinderen en (jong) volwassenen bij zelfstandig wonen. Het betreft personen met een sociale stoornis of psychiatrische aandoeningen.

2.6.

De werkzaamheden van [B] voor Acuutzorg hadden betrekking op alarmopvolging, sleutelbeheer maar ook telefonische bereikbaarheidsdienst. In het kader van deze bereikbaarheidsdiensten kunnen patiënten van Acuutzorg op bepaalde tijdstippen worden doorgeschakeld met [A] Security. De op dat moment dienstdoende beveiliger van [A] Security fungeert als eerste aanspreekpunt voor de patiënt. Aan de medewerkers van [A] Security is een protocol verstrekt hoe zij dienen te handelen indien één van de patiënten van Acuutzorg naar hen wordt doorgeschakeld tijdens de bereikbaarheidsdiensten.

2.7.

Op 18 november 2016 stuurt de directeur van [A] Security onderstaand e-mailbericht:

“L.S.


[Mevrouw C] is vandaag opgenomen geweest in het ziekenhuis en ook weer ontslagen daar er geen medische aanwijzingen waren om in het ziekenhuis te verblijven. Ze is weer thuis en het kan zijn dat ze belt met de opmerking dat het niet goed met haar gaat. Volgens de leiding is dit hoogst waarschijnlijk een oproep om contact en aandacht. In het bijzondere geval kan het ook een serieuze melding zijn. Maak een inschatting wat je merkt aan haar stem en toonhoogte en of hulp ook daadwerkelijk nodig is.


(..)”

2.8.

Op 3 januari 2017 heeft [B] ’s nachts bereikbaarheidsdienst. Tijdens deze dienst wordt hij door [Mevrouw C] gebeld. In de rapportage is het volgende opgenomen:


“ [Mevrouw C] belt op en vertelt dat het niet zo goed gaat en dat ze al meerdere keren een zelfmoordpoging heeft gedaan. En ze willen haar daar weg hebben denkt ze. ik heb op haar ingepraat en gekalmeerd en gezegd dat het goed gaat komen als ze de hulpverleners van Acuut hun werk kunnen doen bij haar. Ik heb haar ook geadviseerd dat ze morgenvroeg met het personeel van Acuut moest gaan praten. Dat vond ze goed en ze bedankte me voor het gesprek.”

2.9.

Door de directeur van [A] Security wordt per e-mail van diezelfde dag het volgende bericht aan [B] gestuurd:

“ Beste [B] ,

Ik lees net je rapportage en je handelen in deze zeer ernstige melding van een cliënt van Acuutzorg. Ten eerste. Waarom heb jij de instructies die in wagen liggen betreffende meldingen en handelen Acuutzorg niet opgevolgd? (..) Deze zaak wordt zeer hoog opgepakt door Acuutzorg en kan ook voor Acuutzorg grote consequenties hebben. De dame in kwestie was vanmorgen niet op haar kamer en nu blijkt dat ze op de PAAZ-afdeling van een ziekenhuis ligt. (..) Zodra ik meer weet en wat voor ons de consequenties zijn, omdat de procedure door jou niet is gevolgd, zal ik passende maatregelen moeten nemen.”

2.10.

Door [A] Security en [B] is op 4 januari 2017 gesproken over voornoemd incident. Daarbij is aan [B] meegedeeld dat hij, op aanwijzing van Acuutzorg, niet meer voor Acuutzorg mocht werken. Tevens heeft [B] een officiële waarschuwing ontvangen van [A] Security voor het incident. Tot nader orde is [B] vrijgesteld van werk.

2.11.

Door [A] Security is getracht [B] bij het Leger des Heils te werk te stellen. Hiertoe is op 6 januari 2017 door de directeur van [A] Security een verzoek gedaan bij het Leger des Heils. Bij het Leger des Heils heeft een intern overleg plaatsgehad, waarbij is besloten dat [B] ook niet mag worden ingezet op de overige locaties van het Leger des Heils.

2.12.

[A] Security heeft op 11 januari 2017 te kennen gegeven voornemens te zijn het dienstverband met [B] te beëindigen.

3 Het geschil

3.1.

[A] Security verzoekt de tussen haar en [B] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g en/of h van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), onder toekenning van een transitievergoeding ad € 8.933,25 bruto.

3.2.

[B] heeft verweer gevoerd. Bij wijze van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek heeft [B] , na wijziging van het verzoek, verzocht om:
Primair:
I. de verzochte ontbinding af te wijzen;

II. een verklaring voor recht dat [B] jegens [A] Security aanspraak maakt op 330 verlofuren voor de periode van de jaren 2011 tot en met 2016;

Subsidiair:
I. [A] Security te veroordelen om aan [B] te voldoen de wettelijke transitievergoeding ad € 10.577,79 bruto;

II. [A] Security te veroordelen om aan [B] te voldoen een billijke vergoeding ex artikel 7:671b lid 8 sub c BW ter hoogte van € 50.000,00 bruto, althans een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding;

III. Bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te houden met de voor [B] geldende opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van dagtekening van de ontbindingsbeschikking;

IV. [A] Security te veroordelen tot betaling van € 465,03 aan achterstallige openstaande verlofuren;

[A] Security te veroordelen tot betaling aan [B] van de wettelijke vertragingsrente en de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen, tot aan de dag der algehele voldoening;

Zowel primair als subsidiair:
I. [A] Security te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris ter hoogte van € 157,11 bruto en terzake achterstallige reiskosten ter hoogte van € 19,80 netto, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente en wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen;

II. [A] Security te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.

[A] Security heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Ontbindingsverzoek

4.1.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, leden 1 tot en met 4 en 10 van het BW, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Derhalve komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [B] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.3.

[A] Security verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g en/of h BW en stelt ter onderbouwing van het verzoek dat de arbeidsrelatie met [B] is verstoord. De kantonrechter stelt voorop dat, alvorens een ontbinding op vorenbedoelde grond kan worden toegewezen, meer dan aannemelijk dient te zijn dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Aldus dient de kantonrechter ervan overtuigd te zijn dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen niet meer tot de mogelijkheid behoort. Gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor een werknemer mag niet al te snel worden aangenomen dat niet meer van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.4.

Op basis van hetgeen partijen in hun processtukken hebben geschreven alsmede op basis van het verhandelde ter zitting, is de kantonrechter niet tot de overtuiging gekomen dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen onmogelijk is. Weliswaar heeft [A] Security een drietal incidenten aan haar verzoek ten grondslag gelegd, op basis waarvan zij meent dat dat de arbeidsrelatie is verstoord, doch zoals hierna zal blijken, deelt de kantonrechter die opvatting niet.

4.5.

[A] Security stelt dat de arbeidsrelatie is verstoord, omdat [B] nergens meer te werk kan worden gesteld. Ter onderbouwing van die stelling heeft [A] Security in de eerste plaats gewezen op een incident van 3 januari 2017, waarbij [B] volgens [A] Security in strijd met het protocol heeft gehandeld. Dit heeft ertoe geleid dat Acuutzorg geen vertrouwen meer had in [B] en dat [B] niet meer te werk kon worden gesteld bij Acuutzorg.

4.5.1.

De kantonrechter merkt allereerst op dat [B] volgens zijn arbeidsovereenkomst is aangenomen voor de functie van beveiligingsbeambte, hetgeen in den beginne van de arbeidsrelatie inhield dat [B] belast was met beveiligingswerkzaamheden en objectbewaking. Sinds medio 2014 werd [B] ook op de mobiele surveillance ingezet. Die mobiele surveillance hield onder meer in dat [B] bereikbaarheidsdiensten draaide voor onder andere het Leger des Heils en sinds oktober 2016 Acuutzorg. De bereikbaarheidsdienst hield in dat een patiënt van – in dit geval Acuutzorg – ’s nachts in geval van nood werd doorgeschakeld naar [A] Security en de dienstdoende beveiliger is dan het eerste aanspreekpunt voor patiënten.

De kantonrechter heeft uit de toelichting ter zitting begrepen dat het kennelijk gebruikelijk was dat patiënten voor allerhande zaken konden bellen; bijvoorbeeld voor vervanging van toiletpapier of een lamp, maar ook in het geval een patiënt – zoals in het geval van [Mevrouw C] – in de war was. Indien de situatie daartoe aanleiding bood, hetgeen dus ter beoordeling van de dienstdoende beveiligingsbeambte is, dient de achterwacht van Acuutzorg geïnformeerd te worden over het telefoontje van de patiënt. Behoudens de uitreiking van een protocol, waarvan partijen overigens van mening verschillen over de wijze waarop dit is verstrekt, heeft [B] geen opleiding genoten voor dit deel van zijn werkzaamheden. Dit mag bij de beoordeling niet uit het oog worden verloren.

4.5.2.

Op 3 januari 2017 heeft [B] een inschatting gemaakt nadat hij met [Mevrouw C] heeft gesproken. Op basis van deze inschatting heeft [B] de achterwacht niet ingeschakeld. Naar [A] Security stelt en [B] betwist is dit een verkeerde inschatting geweest. De kantonrechter laat in het midden wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Want of [Mevrouw C] daadwerkelijk na het telefoontje van 3 januari 2017 in diezelfde nacht op de PAAZ-afdeling van een ziekenhuis terecht is gekomen, acht de kantonrechter voor de beoordeling van deze zaak niet relevant. In het geval er namelijk van uit zou kunnen worden gegaan dat [B] een inschattingsfout zou hebben gemaakt, is dit een menselijke fout die mogelijk ook zou kunnen worden verklaard door het gebrek aan opleiding op dit punt. Dat het hier om een menselijke fout gaat, wordt ook door de directeur van [A] Security erkend. De consequenties die Acuutzorg daaraan heeft verbonden, namelijk het niet langer gebruik willen maken van [B] als mobiele surveillance, is weliswaar hinderlijk voor de bedrijfsvoering van [A] Security, maar levert op zichzelf genomen geen grond op om een verstoring in de arbeidsverhouding tussen partijen aan te nemen.

4.5.3.

Het voorgaande geldt in zekere mate ook voor het feit dat [B] niet kan worden ingepland voor werkzaamheden voor het Leger des Heils. Vast staat dat [B] in medio 2016 niet langer welkom was op Domus 1, omdat een leidinggevende van het Leger des Heils (dhr. [X] , Domus Azalealaan) er geen vertrouwen in zou hebben dat [B] voldoende gewicht zou hebben om juist te handelen in crisissituaties. In dit verband wordt [B] door die desbetreffende leidinggevende verweten te snel terug te vallen op de achterwacht. Na het voorval op 3 januari 2017 heeft [A] Security getracht om [B] (wederom) werkzaamheden voor het Leger des Heils te laten verrichten en stuurt daartoe het volgende e-mailbericht aan [Y] (Domus Sinselveld):

“Goede morgen [Y] ,


Wegens het niet opvolgen van de instructies door [B] bij een klant in de zorg kan ik hem niet meer in de mobiele surveillance inzetten. De klant wil niet dat hij nog voor hen werkt. (..) [X] heeft aangegeven dat ik [B] niet meer op het project Azalealaan moet inzetten, daar hij te vaak zonder goede reden, de achterwacht belt en mede daardoor te onzeker is voor het werken met de doelgroep op de Azalealaan. Graag verneem ik t.z.t. van jou als [B] ook volgens jou niet aan de doelstelling voldoet. Ik zal hem dan weer terugtrekken van de dienst Leger des Heils waar jij de supervisie over hebt. (..)”

4.5.4.

Door [Y] is een aantal dagen later te kennen gegeven dat het hem geen goed idee lijkt om [B] op de overige locaties van het Leger des Heils in te zetten, omdat de locatie in Helmond (Azalealaan) inhoudelijk niet verschilt van de overige locaties. Deze reactie acht de kantonrechter ook niet verrassend, gelet op het hiervoor geciteerde en weinig positieve e-mailbericht. Op basis van dit bericht kan de (wellicht onterechte) indruk worden gewekt dat [B] niet geschikt zou zijn voor de functie. Dat het Leger des Heils dan ook ervoor kiest om [B] niet in te zetten op haar locaties, is een omstandigheid die [A] Security dan ook in hoofdzaak of mede over zichzelf heeft afgeroepen. De situatie is dan weliswaar dat [B] (ook) niet kan worden ingezet bij het Leger des Heils, maar dit betreft geen verstoring van de arbeidsverhouding.

4.5.5.

Tot slot heeft [A] Security nog ter onderbouwing van haar stelling dat de arbeidsverhouding met [B] is verstoord gesteld dat er in mei 2015 sprake is geweest van communicatieproblemen tussen [B] en de directeur van [A] Security. Dit heeft ertoe geleid dat een derde – [Z] – is ingeschakeld waarmee door [B] gesprekken zijn gevoerd. Partijen twisten over de hoedanigheid van deze derde; [A] Security stelt dat dit een mediator/communicatieadviseur was en [B] stelt dat dit een HR adviseur van [A] Security was. In het verzoekschrift wordt namens [A] Security gesteld dat dit traject niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [A] Security echter verklaard dat het communicatieprobleem was verholpen. Er bestond in die periode namelijk onduidelijkheid aan de zijde van [B] met betrekking tot zijn inroostering bij het Leger des Heils. In de optiek van [B] werd hij te weinig ingeroosterd en dit bleek ook juist te zijn. Nadat partijen hierover hadden gesproken, bleek hierover geen probleem meer te bestaan. Dit vormde voor de directeur van [A] Security aanleiding om het communicatietraject te stoppen. De communicatie verliep toen ook (weer) goed, aldus de directeur van [A] Security tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter is op grond hiervan dan ook van oordeel dat, zo er al sprake is geweest van enig communicatieprobleem, dit probleem niet (meer) zodanig was dat dit een grond oplevert voor de conclusie dat de arbeidsverhouding tussen partijen, (op dit moment) verstoord is.

4.5.6.

Tot slot en wellicht ten overvloede kan in de omstandigheid dat een werknemer bij zijn werkgever de juistheid van het aan hem toegekende verlof en het aan hem uitbetaalde loon ter discussie stelt, ook niet leiden tot de conclusie dat de arbeidsverhouding zou zijn verstoord. Indien zulks zou worden aangenomen, betekent dit dat een werknemer zijn werkgever nooit kritisch – en desgewenst bijgestaan door een gemachtigde – mag bevragen naar de juistheid van de aan hem (mogelijk) toekomende rechten.

4.6.

De slotsom van al het voorgaande is dan ook dat naar het oordeel van de kantonrechter niet is komen vast te staan dat de arbeidsverhouding tussen partijen is verstoord in die mate dat van [A] Security niet meer kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Weliswaar zijn partijen in een impasse over de vraag waar [B] te werk moet worden gesteld, maar dit betreft een omstandigheid die voor rekening en risico van [A] Security dient te komen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er mogelijkheden zijn om [B] tijdelijk en op oproep elders te werk te stellen. Dat dit geen ideale situatie is, maakt hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders.

4.7.

Subsidiair heeft [A] Security verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege andere omstandigheden dan die genoemd in artikel 7:669 lid 3 a tot en met g BW die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.8.

Voor een geslaagd beroep op deze zogenaamde ‘h-grond’ moet volgens de Memorie van Toelichting sprake zijn van bijvoorbeeld een situatie van detentie, illegaliteit of het niet beschikken over een tewerkstellingsvergunning, een voetbaltrainer die wordt ontslagen wegens tegenvallende resultaten of een manager met wie verschillen van inzicht bestaan over het te voeren beleid. De h-grond is niet bedoeld voor het repareren van een op één van de andere gronden onvoldoende onderbouwd ontslag of voor het ‘bij elkaar vegen’ van meerdere onvoldragen gronden, om samen een voldragen grond te vormen.
De feiten en omstandigheden die [A] Security voor haar beroep op deze grondslag aanvoert, namelijk dat de arbeidsovereenkomst een lege huls is geworden is in de kern genomen hetzelfde als hetgeen zij ter onderbouwing van de ‘g-grond’ heeft aangevoerd. Er is bijgevolg geen sprake van ‘andere omstandigheden’, maar van een ‘reparatie’ dan wel ‘bij elkaar vegen’. De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan alleen daarom al niet op deze grond worden toegewezen.

(voorwaardelijk) zelfstandig verzoek

4.9.

[B] heeft, in het geval de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, verzocht om voor recht te verklaren dat hij aanspraak maakt op 330 verlofuren. [B] onderbouwt zijn verzoek door te stellen dat hij vanaf 2011 recht heeft gehad een zogenoemde feestdagencompensatie op grond van de cao. Zonder een nadere onderbouwing en zonder het overleggen van de bewuste cao-bepaling over de in het geding zijnde jaren, stelt [B] dat in 2016 zes feestdagen op een doordeweekse dag vielen (hetgeen 45,6 uur zou betreffen), en hij over de voorgaande jaren tot aan 2011 dus nog aanspraak maakt op nog 330 verlofuren. Hoewel gevraagd, kon de gemachtigde van [B] tijdens de mondelinge behandeling geen deugdelijke en begrijpelijke toelichting geven hoe tot vorenbedoelde aanspraak wordt gekomen. Zonder een dergelijke toelichting of deugdelijke onderbouwing van het verzoek, ziet de kantonrechter geen enkele grond om de verzochte verklaring voor recht te kunnen toewijzen. Aldus dient dit verzoek, bij gebrek aan een voldoende onderbouwing en bij gebrek aan een deugdelijke grondslag, te worden afgewezen.

4.10.

Ten aanzien van de loonvordering, voor zover die ziet op betaling van salaris ter hoogte van € 157,11 bruto en terzake achterstallige reiskosten ter hoogte van € 19,80 netto is die vordering door [A] Security erkend. Derhalve zal dit verzoek worden toegewezen. De daarover verzochte wettelijke verhoging en de wettelijke rente zal worden toegewezen op de hierna te vermelden wijze.

Slotsom

4.11.

De verzoeken worden nagenoeg over en weer afgewezen. Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. In die omstandigheid ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

Inzake het verzoek van [A] Security

5.1.

wijst het verzoek af,

Inzake het zelfstandig verzoek van [B]

5.2.

veroordeelt [A] Security om aan [B] te betalen:
- € 157,11 bruto aan achterstallig salaris vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel
7:625 BW met een maximum van 50%;

- € 19,80 netto aan achterstallige reiskosten;

- de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag der voldoening,

5.3.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af,

Inzake beide verzoeken

5.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: SM

coll: NO