Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2694

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/03/217297 / FA RK 16-478
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwerpt het verweer van de moeder inzake seksueel misbruik door de vader; belast de vader en de moeder met het gezamenlijk gezag en bepaalt een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (verblijf van kinderen bij de vader)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Zaaknummer: C/03/217297 / FA RK 16-478

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[de vader] ,

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend te Maastricht,

tegen

[de moeder] ,

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonend te [woonplaats] ,

advocaat mr. P.M.F.M. Maas, kantoorhoudend te Maastricht.

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

verder te noemen: de GI,

gevestigd te Roermond.

Wederom gezien de stukken, waaronder de door deze rechtbank gegeven en op

12 juli 2016 uitgesproken beschikking.

1 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de stukken van de vader, ingekomen op 3 november 2016;

  • -

    het raadsrapport van 22 november 2016, ingekomen op 24 november 2016;

  • -

    de reactie van de moeder op het raadsrapport, ingekomen op 28 november 2016;

  • -

    de e-mail met bijlagen van de vader, ingekomen op 28 november 2016.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 december 2016, alwaar verschenen zijn:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

  • -

    een vertegenwoordigster van de GI,

  • -

    een vertegenwoordiger van de raad.

2 Het advies van de raad

De raad adviseert de rechtbank, op de daartoe aangevoerde gronden, te bepalen dat de ouders voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder: de zorgregeling) vast te stellen waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van donderdagmiddag tot vrijdagochtend bij de vader verblijven. De raad adviseert verder de beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling aan te houden in afwachting van het verloop van de ingezette hulpverlening, zodat vanuit de hulpverlening zicht kan komen op het vermeende seksueel misbruik en de mogelijkheden van de ouders om hun onderlinge wantrouwen te verminderen en hun samenwerking te verbeteren, waarna de raad in de gelegenheid gesteld wil worden aanvullend onderzoek te verrichten teneinde de rechtbank te kunnen adviseren over de definitieve zorgregeling.

De raad geeft aan dat de vader altijd een vaste plek heeft gehad in het leven van de kinderen en dat de kinderen een goede band met hem hebben. De kinderen zijn graag bij de vader. De ouders werken samen met de hulpverlening aan de verbetering van hun communicatie zodat de raad verwacht dat hier op korte termijn vooruitgang in zal worden geboekt. Momenteel ziet de raad dan ook geen risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Bovendien zorgt het gezamenlijk gezag ervoor dat de vader actiever betrokken kan worden bij de hulpverlening. Vanwege de zorgelijke uitspraken van [minderjarige 1] , vindt de raad het echter niet in het belang van de kinderen om nu de omgang uit te breiden. Enerzijds omdat er meer zicht moet komen op de reden achter de zorgelijke uitspraken en anderzijds omdat moeders houding een uitbreiding in de weg staat. De raad is van mening dat de huidige omgangsregeling voorlopig gehandhaafd moet blijven en dat de gezinsvoogd hierover de regie dient te voeren. Onder de regie van de gezinsvoogd kan toegewerkt worden naar een ruimere regeling

3 De standpunten ter zitting

De moeder stelt dat zij thuis veelvuldig wordt geconfronteerd met het gedrag van [minderjarige 1] dat volgens de moeder erop wijst dat sprake is van seksueel misbruik. Dit maakt het voor de moeder lastig om haar goedkeuring te geven aan de omgang. De moeder wil dat aan waarheidsvinding wordt gedaan, maar beseft dat er geen bewijs voorhanden is. Het lukt de moeder niet om zich over haar zorgen heen te zetten. Zij is van mening dat het raadsrapport bevestigt dat de vader niet de waarheid vertelt en zij begrijpt dan ook niet waarom de raad gezamenlijk gezag adviseert. Immers, Clas heeft aangegeven dat de schijn bestaat dat [minderjarige 1] klem komt te zitten. De moeder wil graag dat onderhavige zaak wordt aangehouden en dat een begeleide omgangsregeling (BOR) wordt opgestart. Deze BOR dient voort te duren totdat er duidelijkheid is vanuit Clas en [minderjarige 1] oud genoeg is om naar de verhoorkamer te gaan.

Desgevraagd heeft de moeder toegezegd dat zij uitvoering zal geven aan de omgangsregeling zoals deze is vastgelegd in de beschikking van 12 juli 2016, met dien verstande dat de vader de kinderen bij de moeder thuis ophaalt en ook weer terugbrengt en dat deze overdrachten zullen plaatsvinden zonder dat derden daarbij aanwezig zijn.

De vader stelt dat de moeder al voor de derde keer de omgang heeft stopgezet waardoor de vader de kinderen inmiddels 6 weken niet heeft gezien. Ondanks de rechterlijke uitspraken, het advies van de raad en het advies van Bureau Jeugdzorg Limburg, doet de moeder wat zij zelf wil. De moeder blijft vasthouden aan de kwestie rondom het mogelijke seksueel misbruik van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is echter meermaals onderzocht en daarbij zijn geen aanwijzingen gevonden. De politie heeft op enig moment aangegeven dat [minderjarige 1] niet zal worden gehoord en vervolgens heeft de moeder beslist dat er geen omgang komt totdat [minderjarige 1] verhoord is. Het is nu aan de moeder om over haar remmingen heen te stappen en het contact tussen de kinderen en de vader toe te staan. De vader ziet zich anders genoodzaakt een verzoek tot eenhoofdig gezag of wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen in te dienen. In tegenstelling tot de moeder is de vader wel bereid om de contacten tussen de moeder en de kinderen in stand te houden.

De GI heeft in beide opvoedingssituaties hulpverlening ingezet en ontvangt zowel vanuit de situatie van de moeder als vanuit de situatie van de vader positieve berichten. De GI ziet de pijn en het verdriet bij de moeder, maar de kinderen hebben recht op hun vader. De strijd tussen de ouders is zo hevig dat de kinderen klem komen te zitten, waardoor geen vooruitgang geboekt wordt. Indien de situatie niet verbetert, ziet de GI zich genoodzaakt andere maatregelen te treffen, in die zin dat een uithuisplaatsing van beide kinderen op een neutrale plek aan de orde zal worden gesteld.

De raad heeft aanvullend naar voren gebracht dat telkens de discussie over het mogelijk seksueel misbruik van [minderjarige 1] op de voorgrond staat, terwijl door deskundigen voldoende is aangetoond dat dit onderwerp niet leidend hoort te zijn. Er is immers niet bewezen dat daadwerkelijk sprake is van seksueel misbruik. Desondanks heeft de moeder wederom de omgangsregeling stopgezet omdat zij ervan overtuigd is dat zij die beslissing behoort te nemen. De raad wil benadrukken onverminderd achter het eerder gegeven raadsadvies te staan. De vader werkt goed mee en de moeder heeft erkend dat de kinderen behoefte hebben aan hun vader en ook plezier hebben bij hem. De raad ziet geen enkel risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken bij de uitoefening van het gezamenlijk gezag en hoopt middels hulpverlening de draagkracht van de kinderen te vergroten zodat zij in een later stadium beter in staat zijn de uitbreiding van de omgang aan te gaan. Indien de moeder blijft weigeren haar medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van de omgang tussen de kinderen en de vader, begrijpt de raad de visie van de GI en zullen er passende maatregelen getroffen moeten worden.

4 De verdere beoordeling

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat de moeder wederom het contact tussen de vader en de kinderen heeft stop gezet.

Ondanks de overeenstemming die de ouders tijdens de zitting op 14 juni 2016 ten aanzien van de voorlopige omgangsregeling hebben bereikt, ondanks voormelde beslissing van

12 juli 2016 van deze rechtbank, ondanks het vonnis in kort geding van 10 augustus 2016, ondanks het advies van Team Jeugd van de gemeente Maastricht en ondanks de inzet van de GI weigert de moeder haar medewerking te geven aan de uitvoering van de omgangsregeling. Voor de moeder staat het vermeende seksueel misbruik van [minderjarige 1] op de voorgrond en is dit de leidraad geworden in de gevoerde procedures en in de gesprekken bij de raad, de gemeente en bij de GI. Uit de stukken en uit de verklaringen ter zitting blijkt echter dat er geen enkel bewijs van seksueel misbruik is. [minderjarige 1] is meerdere malen onderzocht door een arts. De politie, afdeling zedenzaken, heeft besloten om de zaak niet verder op te pakken omdat de moeder suggestieve vragen aan [minderjarige 1] heeft gesteld, omdat bij medisch onderzoek geen bijzonderheden zijn gesignaleerd en omdat [minderjarige 1] te jong is om te worden gehoord.

De rechtbank zal daarom het verweer van de moeder ten aanzien van het seksueel misbruik passeren als zijnde niet bewezen althans onvoldoende onderbouwd.

Het verzoek van de moeder om de beslissing op de verzoeken van de vader aan te houden, zal de rechtbank niet honoreren, ondanks dat ook de raad heeft geadviseerd om de beslissing met betrekking tot uitbreiding van de huidige voorlopige omgangsregeling aan te houden.

De rechtbank neemt het de moeder kwalijk dat zij telkens weer haar toezeggingen om mee te werken aan omgang niet nakomt en de kinderen het contact met de vader onthoudt.

De raad motiveert zijn advies tot aanhouding door te verwijzen naar de houding van de moeder en de zorgelijke uitspraken van [minderjarige 1] . De rechtbank gaat hierin niet mee. De uitspraken van [minderjarige 1] zijn inderdaad zorgelijk, maar er is geen enkele reden om deze uitspraken toe te schrijven aan de contacten tussen de vader en [minderjarige 1] . Daarnaast acht de rechtbank het weliswaar noodzakelijk dat de moeder haar houding, met hulp van de GI, wijzigt, maar daarop hoeven de kinderen en de vader niet te wachten.

De rechtbank acht het in het belang van de kinderen én van hun ouders dat er nu duidelijkheid komt en dat er een einde komt aan de huidige procedure.

Gezamenlijk gezag

De rechtbank is van oordeel dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken noch dat afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.

De enige strijd die gevoerd wordt is de strijd van de moeder om contact tussen de vader en de kinderen te weigeren op grond van vermeend seksueel misbruik. De vader heeft alle medewerking gegeven om deze strijd te eindigen, maar het lukt de moeder niet om haar standpunt los te laten. Dat betekent niet dat om die reden het gezag aan de vader dient te worden onthouden. Integendeel, het is de vraag of de moeder haar gezag op de juiste wijze uitoefent.

Gebleken is dat de GI zich uitsluitend focust op de communicatie van de ouders en hun opvoedingsvaardigheden. Gebleken is ook dat beide ouders aan deze hulp meewerken en de verwachting is gerechtvaardigd, zo blijkt uit de raadsrapportage, dat de ouders tot verbetering kunnen komen.

Met de raad is de rechtbank van oordeel dat gezamenlijk gezag ertoe zal leiden dat de vader actiever betrokken raakt bij alle hulp die door diverse instanties wordt geboden.

De vader heeft altijd een positieve rol gehad in het leven van de kinderen en het is in het belang van de kinderen dat hij, nu de relatie tussen de ouders is geëindigd, zijn rol als gezaghebbend ouder kan vervullen.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de vader toewijzen.

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken

Nu de ouders gezamenlijk het gezag zullen gaan uitoefenen kan de rechtbank op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) een regeling vaststellen inzake de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op grond van artikel 1:247 BW recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

Gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] graag bij de vader zijn. Niet is gebleken van enige contra-indicatie aan de zijde van de vader, anders dan de door de moeder geuite beschuldiging, waarvan hierboven is geoordeeld dat die gepasseerd wordt. Er is ook geen enkele reden voor de door de moeder gevraagde begeleide regeling.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij zo spoedig mogelijk weer bij hun vader kunnen verblijven en dat een evenwichtige verdeling van de zorg- en opvoedtaken wordt vastgesteld. Nu de kinderen al langere tijd niet bij de vader hebben verbleven, zal de rechtbank een opbouwende regeling vaststellen, waarbij de rechtbank aansluit bij de huidige regeling.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal beide beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat zij zo spoedig mogelijk én gedurende langere periodes dan bij beschikking van 12 juli 2016 is vastgesteld bij de vader kunnen verblijven. De rechtbank acht het ook in het belang van de kinderen dat de vader zo spoedig mogelijk als gezaghebbend ouder betrokken raakt bij de hulpverlening van de kinderen.

5 De beslissing

De rechtbank:

belast de vader en de moeder met het gezamenlijk gezag over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ;

bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt bij de vader verblijven:

- wekelijks van donderdag na school/kinderdagverblijf tot vrijdag voor school/kinderdagverblijf, waarbij de vader de kinderen uit school/kinderdagverblijf ophaalt en ze ’s ochtends weer brengt;

vanaf 1 mei 2017

- wekelijks van donderdag na school/kinderdagverblijf tot zaterdag 16.00 uur, waarbij de vader de kinderen uit school/kinderdagverblijf haalt en hen op zaterdag naar de moeder brengt;

vanaf 1 juni 2017

  • -

    in de even weken van woensdag 9.00 uur althans na school/kinderdagverblijf tot donderdag voor school/kinderdagverblijf, waarbij de vader de kinderen ophaalt en op donderdag naar school/kinderdagverblijf brengt;

  • -

    in de oneven weken van donderdag na school/kinderdagverblijf tot zondag 16.00 uur;

daarnaast gedurende de helft van alle schoolvakanties, in onderling overleg tussen de ouders te bepalen.

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het Centraal Gezagsregister, om daarin aantekening te maken van de gewijzigde gezagssituatie.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C.L.G. Lousberg, griffier op 7 maart 2017.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.