Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:263

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
5561972 CV EXPL 16-10966
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Huurachterstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5561972 CV EXPL 16-10966

MD

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 12 januari 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

brand bierbrouwerij b.v. ,

gevestigd te Wijlre,

eisende partij,

gemachtigde mr. J.A.M.G. Vogels,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres 1] ,

in persoon verschenen,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonend te [woonplaats] aan de [adres 2] ,

gemachtigde mr. J.W.J. Schoonbrood.

Partijen zullen hierna respectievelijk Brand, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tezamen worden gedaagden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding met producties

- de mondelinge behandeling d.d. 9 januari 2017 waar partijen met hun gemachtigden zijn verschenen, en Brand een volmacht aan haar bedrijfsjurist mr. W.J.M. van den Bosch en rekeningoverzichten d.d. 6 januari 2017 heeft overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Brand is met de vennootschap onder firma “ [naam VOF 1] ” een huurovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan laatstgenoemde vanaf 1 maart 2011 het pand aan de [adres 3] te [vestigingsplaats] (hierna: het gehuurde) van Brand heeft gehuurd. Gedaagden waren allebei vennoot van [naam VOF 1] . De begane grond en kelders van het gehuurde zijn bestemd als cafébedrijf. Later hebben gedaagden hun horecabedrijf in het gehuurde voortgezet als vennoten van de vennootschap onder firma “ [naam VOF 2] ”.

2.2.

Vanaf 1 maart 2016 verhuurt Brand het gehuurde krachtens akte van indeplaatsstelling alleen nog aan [gedaagde sub 1] ; [gedaagde sub 2] is uit de betalingsverplichtingen van na die datum ontslagen. [gedaagde sub 1] heeft vanaf die datum de exploitatie van het horecabedrijf in het gehuurde voortgezet in de vorm van een eenmanszaak.

2.3.

De laatstelijk (door [gedaagde sub 1] ) verschuldigde maandelijkse huurprijs bedraagt
€ 3.526,21 inclusief btw en dient bij vooruitbetaling te worden voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Brand vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde sub 1] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Brand te stellen;

II. [gedaagde sub 1] te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan Brand te voldoen:

a. € 3.526,21 inclusief btw vanaf 1 januari 2017 voor elke maand vanaf 1 januari 2017 dat [gedaagde sub 1] het gehuurde niet heeft ontruimd;

b. € 33.525,76 inclusief btw inzake achterstallige huur (vanaf 1 maart 2016 tot en met december 2016) en contractuele rente (tot 1 december 2016), te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 december 2016;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan Brand te voldoen € 19.754,54 inzake achterstallige huur (tot 1 maart 2016) en contractuele rente (tot
1 december 2016), te vermeerderen met de contactuele rente vanaf 1 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede [gedaagde sub 1] te veroordelen in de kosten van de eventuele gerechtelijke ontruiming zoals die zullen blijken uit het proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder.

3.2.

De grondslagen van de vorderingen vloeien uit de hiervoor gegeven omschrijving ervan voort.

3.3.

Voor zover gedaagden verweer hebben gevoerd wordt daarop hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voor uit de aard en omvang van de vorderingen.

4.2.

Gedaagden hebben niet weersproken dat de huurachterstand tot 1 maart 2016 (inclusief de contractuele rente tot 1 december 2016) € 19.754,54 bedraagt. Evenmin is door hen betwist dat zij – als vennoten van de toenmalige huurders (zie 2.1) en mede krachtens art. 13 van de huurovereenkomst – hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze huurachterstand en de tot 1 december 2016 vervallen contractuele rente. Deze vordering wordt toegewezen.

4.3.

[gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat de huurachterstand (vanaf 1 maart 2016 tot en met december 2016) en de contractuele rente (tot 1 december 2016) € 33.525,76 inclusief btw bedraagt. Dit bedrag wordt mitsdien toegewezen.

4.4.

Het niet betalen van de huurpenningen vanaf 1 maart 2016 vormt een tekortkoming van [gedaagde sub 1] in de nakoming van zijn verplichtingen. Krachtens art. 6:265 BW is iedere tekortkoming voldoende voor ontbinding van de huurovereenkomst, tenzij de tekortkoming zo gering is dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt. Gelet op de omvang van de huurachterstand, doet deze uitzondering zich niet voor. Aannemelijk dat een bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en de vordering tot ontruiming van het gehuurde zal toewijzen. Brand heeft er recht op en spoedeisend belang bij dat op die beslissing vooruit wordt gelopen. De vordering om het gehuurde te ontruimen zal derhalve eveneens worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal op aan de redelijkheid ontleende gronden worden bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis. Krachtens de huurovereenkomst en/of art. 7:225 BW blijft [gedaagde sub 1] (een bedrag gelijk aan) de huurprijs verschuldigd vanaf
1 januari 2017 tot en met de maand waarin wordt ontruimd. Ook deze vordering wordt dus toegewezen.

4.5.

De kantonrechter gaat er overigens van uit dat Brand haar ter zitting gedane toezegging om alvorens de in dit vonnis uitgesproken veroordeling tot ontruiming te executeren, nader met [gedaagde sub 1] zal overleggen over een minnelijke regeling.

4.6.

[gedaagde sub 2] heeft verzocht om bij de proceskostenveroordeling rekening te houden met het feit dat slechts een deel van de vorderingen tegen haar is gericht. Ingevolge de “Aanbeveling tarieven korte gedingen kantonzaken en handelszaken” (vastgesteld door het LOVCK op 9 december 2013) wordt in een kort geding echter één totaalbedrag aan salaris gemachtigde toegekend. Daarbij is de complexiteit van de zaak, niet de hoogte van het gevorderde of toe te wijzen bedrag, bepalend voor de hoogte van dat salaris. Deze zaak merkt de kantonrechter aan als eenvoudig, zodat het daarmee in de Aanbeveling corresponderende totaalbedrag aan salaris gemachtigde wordt gehanteerd. Het deel van de vordering tot betaling waarvan [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld (€ 19.754,54 inclusief btw) is zo hoog dat dit in de hoogste categorie griffierechten belast wordt. Ook op dit punt kan het verzoek van [gedaagde sub 2] niet worden gehonoreerd. Gedaagden dienen met inachtneming van het vorenstaande als de geheel in het ongelijk gestelde partij – hoofdelijk – te worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Brand, begroot op:
- exploot van dagvaarding: € 81,44

- griffierecht: € 939,00
- salaris gemachtigde: € 400,00

Totaal: € 1.420,44.

4.7.

De vordering om [gedaagde sub 1] te veroordelen in de kosten van een eventuele gerechtelijke ontruiming zullen worden afgewezen. Deze kosten zijn slechts toewijsbaar als zij in redelijkheid zijn gemaakt en dat valt op voorhand niet te beoordelen. Deze kosten kunnen ook niet onder nakosten worden geschaard (in welk geval kosten wel kunnen worden toegewezen, ook als ze niet vooraf kunnen worden begroot).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om het gehuurde te [vestigingsplaats] aan de [adres 3] binnen twee weken na betekening van dit vonnis met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en onder afgifte der sleutels ter vrije beschikking van Brand te stellen;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om tegen bewijs van kwijting aan Brand te betalen:

- € 33.525,76 inclusief btw aan huurachterstand vanaf 1 maart 2016 tot en met december 2016 en contractuele rente tot 1 december 2016, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 3.526,21 inclusief btw voor iedere ingegane maand vanaf 1 januari 2017 dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft om het gehuurde (met aanhorigheden) te ontruimen;

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, aldus dat wanneer één van hen betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling is bevrijd, om aan Brand tegen bewijs van kwijting te betalen € 19.754,54 aan huurachterstand tot 1 maart 2016 en contractuele rente tot
1 december 2016, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten van Brand, tot op heden begroot op € 1.420,44;

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.