Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2568

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
5636516 AZ 17-4 22032017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen transitievergoeding is verschuldigd wanneer het dienstverband niet op initiatief van de werkgever niet is voortgezet, maar op initiatief van werkneemster zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1512
AR-Updates.nl 2017-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Afdeling Burgerlijk recht

Sectie Kanton - locatie Roermond

Zaaknr.: 5636516 \ AZ VERZ 17-4

Uitspraakdatum: 22 maart 2017

Beschikking in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonende te [woonplaats verzoekende partij] , aan de [adres verzoekende partij] ,

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoekende partij] ,

gemachtigde: mr. M.A.H. Faassen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AB WERKT SERVICE IV B.V.,

statutair gevestigd in de gemeente Roermond en kantoorhoudende te 6049 GZ Herten, gemeente Roermond, aan de Mussenberg 5,

verwerende partij,

verder te noemen: AB Werkt IV,

gemachtigde: mr. A.W.J.D. Ray-Engels.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekende partij] heeft een verzoek gedaan om AB Werkt IV te veroordelen, voorwaardelijk, namelijk voor het geval op een later tijdstip onherroepelijk komt vast te staan dat de laatste arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] van rechtswege is geëindigd en op initiatief van AB Werkt IV niet is voortgezet, tot betaling van de transitievergoeding van € 3.226,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment als bedoeld in artikel 7:686a lid 1 BW, zijnde 16 november 2016, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

1.2.

AB Werkt IV heeft een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 23 februari 2017 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] , geboren [geboortedag verzoekende partij] 1984, is met ingang van 21 maart 2011 bij (de rechtsvoorgangster van) AB Werkt IV in dienst getreden als agrarisch medewerkster op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd. Gedurende kortere en langere periodes is [verzoekende partij] in dienst geweest bij AB Werkt IV, door wie zij werd uitgeleend aan [X] Products E2 B.V. (verder: [X] ). [verzoekende partij] verrichtte gewaswerkzaamheden. Het laatstverdiende uurloon bedroeg € 9,71 bruto exclusief vakantietoeslag.

2.2.

Op 16 oktober 2016 waren de gewasverzorgingswerkzaamheden als overeenkomen in de uitzendovereenkomst ingaande 4 juli 2016 voltooid.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt AB Werkt IV te veroordelen, voorwaardelijk, tot betaling van de transitievergoeding van € 3.226,67 bruto ex artikel 7:673 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 15a van de ABU CAO.

3.2.

Aan dit verzoek tot voorwaardelijke veroordeling legt [verzoekende partij] ten grondslag – kort gezegd – dat indien komt vast te staan dat de laatste arbeidsovereenkomst er één voor bepaalde tijd betrof, deze op initiatief van AB Werkt IV niet is voortgezet, terwijl het dienstverband bij AB Werkt IV ten minste twee jaren heeft geduurd.

4 Het verweer

4.1.

AB Werkt IV verweert zich en stelt dat het verzoek om haar te veroordelen tot betaling van de gevorderde vergoeding moet worden afgewezen.

4.2.

AB Werkt IV stelt zich daarbij op het standpunt dat het dienstverband met [verzoekende partij] niet op initiatief van AB Werkt IV niet is voortgezet. [verzoekende partij] heeft er zelf voor gekozen om haar werkzaamheden bij de inlener te eindigen en niet akkoord te gaan met een aanbod tot verlenging.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag, voor het geval op een later tijdstip onherroepelijk komt vast te staan dat de laatste arbeidsovereenkomst van [verzoekende partij] van rechtswege is geëindigd, op wiens initiatief er een einde is gekomen aan het dienstverband, althans op wiens initiatief het dienstverband niet is voortgezet.

5.2.

De kantonrechter is ambtshalve bekend met de uitspraak in het door [verzoekende partij] aanspannen kort geding (zaaknummer 5649569 CV EXPL 17-532), waarin wordt geoordeeld dat de laatste arbeidsovereenkomst er één was voor bepaalde tijd en welke arbeidsovereenkomst is geëindigd met het eindigen van het project, te weten de gewasverzorging, op 16 oktober 2016.

5.3.

Conform artikel 7:673 lid 1 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en:

a. De arbeidsovereenkomst:

1. door de werkgever is opgezegd;

2. op verzoek van de werkgever is ontbonden; of

3. na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet

of

b. de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever:

1. door de werknemer is opgezegd;

2. op verzoek van de werknemer is ontbonden; of

3. na een einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend is voortgezet.

5.4.

Wat het onherroepelijke oordeel ten aanzien van de duur van het dienstverband ook zal zijn, naar het oordeel van de kantonrechter is niet voldaan aan het vereiste dat het dienstverband op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

AB Werkt IV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aansluitend aan de gewasverzorgingswerkzaamheden oogstwerkzaamheden heeft aangeboden. [verzoekende partij] heeft zulks ter terechtzitting van 23 februari 2017 ook bevestigd. De werkzaamheden zouden dan op grond van een nieuwe overeenkomst dienen te worden verricht. Van dit werkaanbod heeft [verzoekende partij] geen gebruik gemaakt. Hiervoor kan onder andere verwezen worden naar de schriftelijke verklaringen van de kant van [X] die daarover in het geding zijn gebracht.

De verklaring van [verzoekende partij] ter terechtzitting dat dit ingegeven zou zijn door pijn aan haar rug is niet aannemelijk geworden nu deze stelling pas ter zitting wordt ingenomen, welke zelfs voor de gemachtigde van [verzoekende partij] nieuw was en door geen enkel stuk gestaafd wordt. Hierbij valt met name te denken aan een verklaring van de huisarts. [verzoekende partij] heeft zich ook niet ziekgemeld bij AB Werkt IV en/of [X] .

Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet door toedoen van [verzoekende partij] zelf en de werknemer dan ingevolge artikel 7:673 BW (en artikel 15a onder 3 CAO) geen recht heeft op een transitievergoeding. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de zijde van de werkgever, zodat dit geen nadere bespreking behoeft.

5.5.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [verzoekende partij] toe te laten tot nadere bewijslevering.

5.6.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekende partij] , omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van AB Werkt IV worden begroot op € 400,00 (2 x tarief € 200,00) ter zake van salaris gemachtigde.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.2.

wijst het verzoek af;

6.4

veroordeelt [verzoekende partij] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van AB Werkt IV tot en met vandaag vaststelt op € 400,00;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Rijksen, kantonrechter en op 22 maart 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

type: ksf

coll: