Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2553

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
5764081 CV 17-2025
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering; voorshands geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1487
AR-Updates.nl 2017-0323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5764081 \ CV EXPL 17-2025

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 21 maart 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.J. Rubberg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KOZIJNEN-INKOOP.NL B.V.,

gevestigd te Venlo,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

  • -

    de op 13 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door gedaagde overgelegde producties;

- de door gedaagde overgelegde pleitnota.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eiser is op 21 maart 2016 bij gedaagde in dienst getreden voor bepaalde tijd, namelijk zes maanden en één dag.

2.2.

Medio augustus 2016 hebben partijen met elkaar overleg gevoerd over de voortzetting van het dienstverband.

Vervolgens heeft de directeur van gedaagde, de heer [X] , eiser op 22 augustus 2016 een e-mail gestuurd met de volgende inhoud:

“Goedemiddag (..),

Middels deze mail bevestig ik je dat we je contract, welke afloopt op 21-09-2016, omzetten naar een contract voor onbepaalde tijd.

Verder wens ik je een prettige vakantie.

Met vriendelijke groet (…)”

2.3.

Op 29 augustus 2016 heeft de heer [X] namens gedaagde een brief gestuurd aan eiser, met - voor zover van belang - de volgende inhoud:

“Geachte (…),

Bij de e-mail van 22 augustus 2016 is u het aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst, die per 22 september 2016 in beginsel van rechtswege eindigt, voor onbepaalde tijd voort te zetten. U heeft dit aanbod niet aanvaard. Om mij moverende redenen herroep ik hierbij het aanbod om de arbeidsovereenkomst per 22 september2016 voor onbepaalde tijd voort te zetten en deel ik u mede dat de arbeidsovereenkomst per 22 september 2016 niet zal worden voortgezet. De arbeidsovereenkomst eindigt derhalve per 22 september 2016. (…)

2.4.

Na het versturen van deze brief heeft dezelfde week nog een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Op 31 augustus 2016 hebben partijen toen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Artikel 1 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst bepaalt, voor zover van belang:

“Met ingang van 05-09-2016 wordt de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd met als ingangsdatum 21-03-2016 verlengt voor eenzelfde periode van 6 maanden en 1 dag, zonder dat er sprake is van een nieuwe proeftijd, eindigend op 05-03-2017.(…)

De overeenkomst draagt als opschrift: “1e Verlenging Arbeidsovereenkomst”.

2.5.

Bij brief van 27 oktober 2016 heeft gedaagde eiser een officiële waarschuwing gegeven omdat eiser zich meerdere malen verslapen zou hebben, dronken op het werk zou zijn verschenen, moedwillig bedrijfseigendommen zou hebben beschadigd en zich op Facebook denigrerend zou hebben uitgelaten over zowel zijn collega’s als over gedaagde.

2.6.

Bij brief van 30 januari 2017 heeft gedaagde aan eiser kenbaar gemaakt dat het dienstverband niet zou worden verlengd en dat dit dan ook zou eindigen op 5 maart 2017. Daarnaast diende eiser vóór 4 februari 2017 allerlei bedrijfseigendommen, zoals werktelefoon, simkaart en sleutels in te leveren.

2.7.

Bij brief van 2 februari 2017 heeft de advocaat van eiser gedaagde verzocht te bevestigen dat eiser een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en voorts eiser per direct toe te laten tot het werk. Gedaagde heeft daarop niet gereageerd.

2.8.

Op 23 februari 2017 heeft eiser zich ziek gemeld.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde tot doorbetaling van het loon althans ziekengeld vanaf maart 2017 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, met nevenvorderingen als in de dagvaarding vermeld.

Eiser legt aan zijn vordering - samengevat - het volgende ten grondslag.

Medio 2016 heeft eiser in een gesprek met gedaagde te kennen gegeven dat hij bij gedaagde wilde blijven werken. Gedaagde heeft dit aanbod van eiser aanvaard waardoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Gedaagde heeft dit aan eiser bevestigd per e-mail van 22 augustus 2016.

3.2.

Gedaagde stelt zich - samengevat - primair op het standpunt dat nooit een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Gedaagde stelt dat het nooit haar bedoeling is geweest om door middel van de e-mail van 22 augustus 2016 een bevestiging van de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst te geven. Gedaagde heeft met de bewuste e-mail enkel de bereidheid kenbaar willen maken het dienstverband om te zetten naar een dienstverband voor onbepaalde tijd.

3.3.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat eiser voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde, een loonvordering, heeft.

4.2.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat voor toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen aanleiding is, indien het op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in een bodemprocedure de beslissing gelijkluidend zal zijn.

De vraag is dan ook of eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt respectievelijk op grond waarvan hij na 5 maart 2017 nog recht heeft op loon. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Het aanbod tot het omzetten van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naar onbepaalde tijd is in beginsel aan de werkgever en niet aan de werknemer. De stelling van eiser, dat zijn bereidverklaring om de werkzaamheden bij gedaagde voort te zetten, als een aanbod moet worden gezien, wordt om die reden gepasseerd.

Gedaagde heeft ter zitting gesteld dat zij met eiser had afgesproken dat eiser binnen drie à vier dagen aan gedaagde zou laten weten of hij het aanbod van gedaagde al dan niet wilde aanvaarden en dat eiser vervolgens niets heeft laten weten. Eiser, die ter zitting niet aanwezig was, heeft deze stelling niet weersproken, zodat voorshands moet worden uitgegaan van deze stelling van gedaagde, nu ook uit de stukken niet van het tegendeel is gebleken.

Gedaagde heeft voorts ter zitting gemotiveerd gesteld dat de zondag nadat de e-mail van 22 augustus 2016, met daarin het aanbod, was verstuurd, zich een incident met eiser had voorgedaan wat haar heeft doen besluiten het aanbod bij brief van 29 augustus 2016 weer te herroepen. Volgens gedaagde zijn partijen vervolgens weer met elkaar in gesprek getreden, waarbij gedaagde aan eiser heeft aangegeven hem “een laatste kans” te willen geven. Partijen hebben om die reden op 31 augustus 2016 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten om te kijken hoe het verder zou gaan. Eiser heeft dit alles niet weersproken. Gedaagde heeft ter zitting een sms-bericht van eiser getoond, waarin eiser gedaagde daarvoor heeft bedankt. Het bericht luidt letterlijk: “Nog bedankt dat ik nog een jaarcontract krijg.”

Op basis van al deze feitelijkheden is de kantonrechter voorshands van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Het moet er dan ook voorshands voor worden gehouden dat eiser laatstelijk bij gedaagde in dienst was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze verlengde arbeidsovereenkomst eindigt op 21 maart 2017. Gedaagde heeft daarop aangegeven zich met dit standpunt te kunnen verenigen. Het gevorderde loon/ziekengeld zal daarom toegewezen tot en met die datum, met dien verstande dat het daarbij gaat om toewijzing van brutobedragen, nu uit de stukken blijkt dat het maandloon, inclusief vakantiegeld ad € 1.750,00 een brutobedrag is.

4.4.

Gedaagde heeft niet op aparte gronden verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente. Deze zullen worden toegewezen als hierna bepaald.

4.5.

In de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding

5.1.

veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen het loon tot en met 21 maart 2017 ad € 1.750,00 bruto per maand inclusief vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf de vierde werkdag na de vervaldatum, indien het loon dan niet is voldaan, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum;

dan wel ingeval van ziekte:

veroordeelt gedaagde om aan eiser tot en met 21 maart 2017 te betalen 70% van het bruto maandloon met een minimum van het wettelijke minimumloon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf de vierde werkdag na de vervaldatum, indien het loon dan niet is voldaan, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen, en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: TC