Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2537

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
03/700101-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700101-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 maart 2017. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting is als getuige gehoord [medeverdachte] , tevens medeverdachte.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er –na wijziging–, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met een ander of anderen:

Feit 1: opzettelijk MDA, MDMA, amfetamine, MDMA-olie en MDA-hydrochloride aanwezig heeft gehad, zijnde verboden middelen volgens de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Feit 2: goederen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist of moest vermoeden dat zij bestemd waren voor de productie van of handel in harddrugs;

Feit 3: € 216.000,00 heeft witgewassen;

Feit 4: een vuurwapen alsmede hagel- en kogelpatronen voorhanden had.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verboden middelen, het geld en het wapen zijn aangetroffen in de woning, in en nabij de loods en in het bij de woning en de loods horende bosperceel van de verdachte en haar medeverdachte. Het is vaste jurisprudentie dat het voor strafbaarheid voldoende is dat de middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de middelen aanwezig zijn. Het alternatieve scenario, dat de aangetroffen goederen van een derde zijn, is volgens de officier van justitie totaal onaannemelijk.

De officier van justitie vordert vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen omdat het bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Ook moet vrijspraak volgen voor het opzettelijk aanwezig hebben van zes kannen met MDMA-olie, zoals ten laste gelegd onder feit 1, omdat deze kannen volgens de rapportage van het NFI een andere vloeistof bevatten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten omdat niet kan worden vastgesteld dat de goederen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Voor zover daar al sprake van was, kan de wetenschap van de verdachte niet bewezen worden. Ook niet in voorwaardelijke zin. Daartoe is aangevoerd dat de loodsen aan een derde waren verhuurd, de verdachte hier nooit kwam en ook dat de in haar woning aangetroffen goederen niet in het zicht lagen. Er zijn ook geen biologische sporen van de verdachte op de goederen aangetroffen, wel sporen van derden.

De raadsman heeft zijn standpunt verder onderbouwd door te verwijzen naar voorbeelden uit de jurisprudentie. Indien de rechtbank wel bewezen acht dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verboden goederen, is dit nog steeds niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben. Dit volgt volgens de raadsman uit het arrest van de Hoge Raad van 14 april 2009,

ECLI:NL:HR:2009:BH1437.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van bij wet verboden goederen is vereist dat sprake is (geweest) van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van die goederen én dat die goederen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden.

Het is vaste rechtspraak dat de eigenaar/bewoner van een woning bekend mag worden verondersteld (en dus geacht wordt opzet te hebben op) al hetgeen zich in zijn woning bevindt. Aldus kan gesteld worden dat de verdachte en haar partner gezamenlijk opzet hadden op het voorhanden hebben van de goederen die in de woning aanwezig waren, behoudens feiten en omstandigheden waaruit het tegendeel blijkt.

De in de woning en de loods door de politie aangetroffen stoffen stonden in ruimtes die in gebruik waren bij de echtgenoot van verdachte en vielen niet op. De goederen stonden namelijk tussen allerlei andere spullen van haar partner in zijn werkruimte bij de woning en stonden verdekt opgesteld in de loods. Dat verdachte gebruiker was van de loods (en dat dus aangenomen mag worden dat ze kennis had van de zich daarin bevindende spullen) blijkt nergens uit.

Ten aanzien van de aangetroffen pillen is voor de rechtbank vast komen te staan dat die pillen toebehoorden aan haar echtgenoot en dat de verdachte niet bekend was dat haar echtgenoot die op de in de tenlastelegging genoemde datum had. De pillen bevonden zich dus weliswaar in de woning van de verdachte, maar nergens blijkt uit dat de verdachte beschikkingsmacht over die goederen had.

Ten slotte blijkt nergens uit dat verdachte wist van de in het bosperceel verstopte goederen en het geld of ernstig rekening moest houden met de mogelijkheid dat daar goederen en geld waren verstopt.

De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld noch mag worden verondersteld dat de verdachte wetenschap had van de in haar woning, in de loods en op het bijbehorende perceel aangetroffen verboden goederen. Daarom is niet bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde goederen onder feit 1, 2 en 3 opzettelijk voorhanden heeft gehad, en evenmin dat zij € 216.000,00 heeft witgewassen, zodat de verdachte van de tenlastegelegde feiten moet worden vrijgesproken.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.E.J. Maas, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 maart 2017.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan de verdachte is –na wijziging– ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 01 maart 2015 in de gemeente Brunssum, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer)

-40,44 kilogram MDA (aangetroffen in (de) tuin(grond)), en/of

-30 pillen bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA) en/of amfetamine (aangetroffen in een aan haar en/of haar mededader(s) toebehorende woning), en/of

-6 kannen, althans een hoeveelheid kannen, gedeeltelijk gevuld met MDMA olie, en/of

-9,040 kilogram MDA-hydrochloride (aangetroffen in 2 pvc buizen), en/of 4 kilogram MDA-hydrochloride (aangetroffen in speciekuipen),

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of tenamfetamine en/of MDMA en/of amfetamine en/of MDA-hydrochloride, zijnde MDA en/of tenamfetamine en/of MDMA, en/of amfetamine en/of MDA-hydrochloride (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op of omstreeks 01 maart 2015 in de gemeente Brunssum, in elk geval binnen Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal

bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine en/of N-ethyl MDA, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorhanden heeft gehad:

- een grote hoeveelheid stempels ten behoeve van een tableteermachine, en/of

- 3 kunststof potten gevuld met (vermoedelijk) Platinaoxide (PTO) (in totaal 1220 gram bruto), en/of

- een kathalysator, en/of

- een gemoderniseerde industriële centrifuge (vervuild met resten MDMA poeder (indicatief) en donkerkleurige olie (met geur MDMA)), en/of

- 20 schone nieuwe (eind)doppen ten behoeve van een pvc buis, en/of

- een hoeveelheid pannen, en/of

- een 200 liter vat (etiket ethanol, restant vloeistof), en/of

- een hoeveelheid jerrycans met aceton en een mengsel van aceton-propanol (fd) en tevens vervuilde aceton (kristalissatie afval), en/of

- 2 metalen ballen (196 x 96) vervuild met resten MDMA poeder (indicatief), gebruikt voor het drogen van de natte kristallen MDMA, en/of

- een stuk zeil (opgerold, vervuild met olie-achtige vlekken (indicatief pos MDMA))

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

3.

zij op of omstreeks 01 maart 2015, in de gemeente Brunssum, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (216.000,--), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of (heeft/hebben) verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft (gehad), terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

en/of/althans,

(een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (216.000,--), voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

zij op of omstreeks 01 maart 2015 in de gemeente Brunssum, in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een of meer wapens van categorie II, te weten een vuurwapen (type: Riott gun), in elk geval een vuurwapen, en/of munitie van categorie III, te weten 61, althans een hoeveelheid, hagelpatronen (kaliber: 12 gauche), en/of, 24, althans een hoeveelheid, kogelpatronen (kaliber: 12 gauche), in elk geval een hoeveelheid patronen, voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/700101-15

Proces-verbaal van de openbare zitting van 21 maart 2017 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens] .

Raadsman is mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

, griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is wel/niet in de zittingzaal aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat zij daartegen binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de rechter en de griffier.