Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2512

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
AWB/ROE 16/4045 en AWB/ROE 17/261
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wlz. Geen (nieuwe) indicatie voor behandeling op grond van de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling. Betrokkene voldoet niet aan de criteria voor de grondslag ‘verstandelijke handicap’. De normscore bij de intelligentietest, de schoolresultaten en het feit dat betrokkene een MBO-opleiding niet heeft kunnen afronden zijn, mede gelet op de bevindingen van de medisch adviseur in zijn rapportages van september en november 2016, daarvoor onvoldoende.

De voorzieningenrechter geeft betrokkene in overweging de mogelijkheid van een combinatie van een GGZ-pakket b met een lichte verblijfsindicatie op grond van de Zorgverzekeringswet (behandeling door een vrij gevestigde psychiater) en begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 te onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 16/4045 en AWB/ROE 17/261

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats] eiseres,

(gemachtigde: mr. L.J.L.M. Dacier),

en

de Raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kersjes-van Bussel).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor de functie ‘Individuele Behandeling’.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 27 september 2016 (met kenmerk 16/2831) is dit verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter (wederom) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. R. Jacobs, waarnemend voor haar gemachtigde en [naam 2], juridisch medewerker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Gelet op de aard van de zaak wordt het spoedeisend belang aangenomen en gaat de voorzieningenrechter over tot inhoudelijke behandeling van het verzoek.

2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster door verweerder op 6 september 2012 op grond van de toenmalige AWBZ was geïndiceerd voor de functie Behandeling Individueel voor de duur van twee jaar. Dit op de grondslag ‘psychiatrie’ welke toen deel uitmaakte van de AWBZ. Deze indicatie is vervolgens met twee jaar verlengd tot 20 januari 2016. In het Indicatiebesluit van 21 januari 2016 is de aanvraag tot voortzetting van de functie nog één keer met zes maanden verlengd en daarbij is uitdrukkelijk aangegeven dat de toegestane termijn van de indicatie officieel al lang is verstreken en dat de indicatie zal worden beëindigd met gebruikmaking van een afbouwtermijn van zes maanden. Bij het primaire besluit is medegedeeld dat de indicatie niet langer wordt verlengd enerzijds omdat de (maximale) termijn van twee jaar al lang is overschreden en anderzijds omdat de behandeling niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing om eiseres nog langer voor een Wlz-indicatie in aanmerking te laten komen ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de rapportage van medisch adviseur Van der Sluis van 12 september 2016, aangevuld op 15 november 2016, thans op het standpunt dat er bij eiseres weliswaar sprake is van een forse psychiatrische problematiek, maar dat zij ondanks deze problematiek niet voldoet aan de grondslag ‘verstandelijke handicap’, zodat zij niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz.

5. Eiseres heeft in beroep gesteld dat de indicatie in eerste instantie is afgewezen vanwege het feit dat zij al vier jaar een indicatie voor behandeling volgens de ‘Tijdelijke subsidieregeling voor extramurale behandeling’ heeft ontvangen en er ook al een afbouwperiode van zes maanden is gehanteerd. Dit klemt te meer volgens eiseres omdat het CIZ in het verleden wel kon afwijken van de tweejaartermijn. Daarbij is het CIZ er ten onrechte van uit gegaan dat de behandeling tot nu toe niet het gewenste resultaat heeft gehad. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar psycholoog Kwaks van behandelcentrum Stevig die te kennen heeft gegeven dat de meest acute symptomen dankzij de behandeling zijn uitgedoofd en dat de situatie van eiseres thans stabiel is. Hieruit blijkt volgens eiseres duidelijk dat de behandeling wel tot een gewenst resultaat heeft geleid. Kwaks heeft verder aangegeven dat de behandeling voor de duur van minimaal één jaar dient te worden gecontinueerd en dat er ook sprake dient te zijn van een gedegen afbouw. Het beëindigen van de indicatie brengt voor eiseres veel spanning, verdriet en onzekerheid met zich mee. Eiseres stelt onder verwijzing naar een brief gedateerd 21 december 2016 van sociaal psychiatrisch verpleegkundige spoedeisende psychiatrie mw. Schoonbrood, werkzaam bij Mondriaan, instituut voor geestelijke gezondheidszorg te Heerlen, dat binnen de reguliere GGZ onvoldoende toegespitste en gespecialiseerde zorg aanwezig is voor de doelgroep waartoe eiseres behoort. Uit een brief van begeleider Op den Camp, werkzaam voor het zelfstandig integraal team te Brunssum blijkt verder dat sinds de beëindiging van de behandeling door Stevig al twee keer de crisisdienst van Mondriaan is ingeschakeld. Verder is er ook op 29 december 2016 nog een crisisinterventie bij het Vincent van Gogh Instituut geweest. Het CIZ gaat er ten onrechte van uit dat een voorliggende voorziening in de vorm van Begeleiding vanuit de Wmo de behandeling van Stevig kan vervangen. Met betrekking tot het standpunt van verweerder in het bestreden besluit stelt eiseres dat zij wel degelijk voldoet aan de grondslag ‘verstandelijke handicap’. Zo blijkt uit een op 19 juli 2012 uitgevoerde intelligentietest bij Lionarons GGZ te Heerlen dat eiseres een TIQ-score heeft van 75. Het kan eiseres verder niet aangerekend worden dat er bij het CIZ geen gegevens bekend zijn van voor haar 18e levensjaar. Subsidiair is eiseres van mening dat de beperkingen wel degelijk al voor haar 18e levensjaar aanwezig waren. Verweerder stelt ook ten onrechte dat eiseres regulier onderwijs heeft gevolgd. Ze heeft immers het basisonderwijs verlaten met een behoorlijke leerachterstand en een advies voor de leerweg ondersteunend onderwijs. Het feit dat eiseres de basisberoepsgerichte opleiding met Iwoo heeft gevolgd bevestigt dat de beperkingen reeds voor haar 18e levensjaar aanwezig waren. Eiseres heeft in 2010 nog een poging ondernomen om een opleiding op MBO-niveau 1 te volgen, maar dit was te hoog gegrepen. Eiseres is van mening dat het CIZ op grond van artikel 4:84 van de Awb in positieve zin dient af te wijken van het gehanteerde beleid.

6. Centraal staat de vraag of eiseres op grond van de Wlz in aanmerking komt/kan komen voor een (nieuwe) indicatie voor behandeling op grond van de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

7. Eén van de vereisten om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz is de aanwezigheid van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap (de grondslagen). De voorzieningenrechter verwijst hiertoe naar artikel 11.1.5 van de Wlz en het bepaalde in de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2016 (de Beleidsregels), meer in het bijzonder Bijlage 2 onder 3.4. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor zorg vanuit de Wlz via de grondslag ‘verstandelijke handicap’. De voorzieningenrechter overweegt hierover allereerst dat niet ter discussie staat dat er bij eiseres sprake is van een forse psychiatrische problematiek. Dit betekent echter niet dat zij automatisch in aanmerking komt voor zorg vanuit de Wlz. Van belang daarbij is dat het met de inwerkingtreding van de Wlz moeilijker is geworden om in aanmerking te worden gebracht voor zorg zoals eiseres die voorheen via Stevig heeft ontvangen. Op grond van de Beleidsregels is sprake van een grondslag ‘verstandelijke handicap’ als:

* een verzekerde een normscore van 70 of lager behaalt op een algemene en voor hem valide intelligentietest én

* er dusdanige beperkingen in het adaptief functioneren zijn vastgesteld dat verzekerde is aangewezen op blijvende ondersteuning om de deficiënties in het adaptief vermogen te beperken ten einde ernstig nadeel voor verzekerde te voorkomen én

* de beperkingen op bovengenoemde terreinen al voor het 18e jaar aanwezig zijn.

7.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in het dossier aanwezige stukken, alsmede hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht de stelling van eiseres dat zij voldoet aan de criteria voor de grondslag ‘verstandelijke handicap’ niet toereikend onderbouwen. De normscore bij de intelligentietest, de schoolresultaten en het feit dat eiseres een MBO-opleiding niet heeft kunnen afronden zijn, mede gelet op de bevindingen van de medisch adviseur in de medische rapportage van september en november 2016, daarvoor onvoldoende. Omdat zij niet voldoet aan de criteria voor de grondslag ‘verstandelijke handicap’ en ook niet gebleken is van de aanwezigheid van andere grondslagen komt eiseres niet in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz.

7.2

Overigens is tijdens de zitting door de gemachtigde van verweerder ter zitting geopperd dat eiseres mogelijk wel passende zorg zou kunnen krijgen door een combinatie van een GGZ-pakket b met een lichte verblijfsindicatie op grond van de Zorgverzekeringswet (behandeling door een vrij gevestigde psychiater) en begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. De voorzieningenrechter geeft eiseres in overweging deze mogelijkheid te onderzoeken.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.