Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2460

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/03/231947 / KG ZA 17-78
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing conservatoir beslag op pand afgewezen; schriftelijkheidsvereiste 7:2 BW; belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/231947 / KG ZA 17-78

Vonnis in kort geding van 16 maart 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. B. van Meurs te Heerlen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.W.M. Theunissen te Roermond.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de niet-betekende dagvaarding, waarop [gedaagde] vrijwillig is verschenen

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft met [gedaagde] onderhandeld over de verkoop aan [gedaagde] van een aan [eiseres] toebehorende woning aan het adres [adres woning] . In maart 2016 bedroeg de vraagprijs € 365.000,= k.k.

2.2.

[gedaagde] heeft aanvankelijk € 275.000,= k.k. geboden. Dit bod is door [eiseres] niet aanvaard.

2.3.

Op 3 maart 2016 heeft [gedaagde] zijn bod verhoogd tot € 295.000,= vrij van huur en pacht onder voorbehoud van financiering, een schone grond verklaring en een inpandige inspectie. Daarop heeft [eiseres] de vraagprijs laten zakken tot € 325.000,= k.k. Vervolgens heeft [gedaagde] zijn eerder gedane aanbod met de daaraan verbonden voorwaarden op 12 maart 2016 herhaald.

2.4.

Partijen twisten over de vraag of het bod van [gedaagde] op 12 maart 2016 door of namens [eiseres] is aanvaard.

2.5.

Op 8 juli 2016 heeft [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen op de woning. Op 21 juli 2016 heeft [gedaagde] jegens [eiseres] een procedure aanhangig gemaakt en - kort gezegd - gevorderd te verklaren voor recht dat er tussen hem en [eiseres] een koopovereenkomst tot stand is gekomen en [eiseres] te veroordelen tot medewerking aan de overdracht en levering van dat pand.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te veroordelen om binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis over te gaan tot opheffing van het conservatoir beslag op de woning van [eiseres] , gelegen aan het adres [adres woning] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie F nummer 513, door de opheffing van het beslag mede te delen aan [eiseres] en de inschrijving van het beslag door te halen in de openbare registers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,= per dag of een gedeelte daarvan indien [gedaagde] in gebreke mocht blijven om te voldoen aan het door de rechtbank te wijzen vonnis;

  2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de advocaat van [eiseres] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na het in deze te wijzen vonnis dat [gedaagde] in gebreke blijft met betaling van de in het vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling, zulks tot de dag der algehele voldoening;

  3. althans een zodanige beslissing als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Art.705 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) biedt de beslagschuldenaar, die in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden, de mogelijkheid in kort geding opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt door de genoemde wetsbepaling niet vereist. In zoverre is zij een lex specialis ten opzichte van artikel 254 Rv.

4.2.

Aan de orde is de vraag of het door [gedaagde] op het pand van [eiseres] gelegde beslag moet worden opgeheven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.4.

Door [eiseres] is vooreerst aangevoerd dat [gedaagde] in het verzoekschrift, waarbij verlof is gevraagd tot het leggen van beslag, opzettelijk in strijd met de waarheid heeft aangevoerd dat het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet geldt. Deze strijd met het bepaalde in art. 21 Rv moet volgens [eiseres] al leiden tot opheffing van het beslag. [eiseres] heeft verder aangevoerd dat een mondelinge koopovereenkomst nietig is.

4.5.

Deze stellingen treffen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel.

4.6.

In art. 7:2 BW is - kort gezegd - bepaald dat het schriftelijkheidsvereiste alleen geldt voor de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of bestanddeel daarvan. De maatregel is geschreven voor de koop van een gebouw dat woondoeleinden heeft en geldt niet voor bedrijfspanden. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de koop ziet op een bedrijfspand, omdat het voor het overgrote deel bestaat uit bedrijfsruimten en ook als zodanig in gebruik is. Als de stelling van [gedaagde] juist is, dan geldt het bepaalde in art. 7:2 BW niet. Omdat voor de vraag naar de toepasselijkheid van art. 7:2 BW de feitelijke situatie ten tijde van de verkoop maatgevend is, zullen de feiten en omstandigheden ten tijde van die verkoop onderzocht moeten worden. Een kort geding biedt daartoe geen ruimte: dat onderzoek zal in de bodemprocedure moeten plaatsvinden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op dit moment, anders dan [eiseres] betoogt, dan ook niet vast dat het schriftelijkheidsvereiste zonder meer geldt. Door in het verzoekschrift zijn standpunt over dat vereiste te vermelden, heeft [gedaagde] niet gehandeld in strijd met art. 21 Rv.

4.7.

Gezien het vorenstaande staat op dit moment evenmin vast en is ook niet aannemelijk dat een eventuele mondelinge overeenkomst nietig is vanwege het ontbreken van een schriftelijke koopovereenkomst; de toepasselijkheid van art. 7:2 BW vereist immers nader onderzoek.

4.8.

[eiseres] heeft verder aan haar vordering ten grondslag gelegd dat er in het geheel geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zij heeft daartoe gesteld dat haar makelaar, de heer [X] , niet ge(vol)machtigd was om namens haar overeenkomsten aan te gaan. Zo [X] al heeft verklaard dat het bod van [gedaagde] werd aanvaard, leidt dat volgens [eiseres] dus niet tot een overeenkomst tussen haar en [gedaagde] .

4.9.

Ook die stelling treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel. [gedaagde] heeft feiten en omstandigheden aangevoerd omtrent de gang van zaken tijdens en na de onderhandelingen over de koop van het pand, welke door [eiseres] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken en weerlegd. Die feiten en omstandigheden leiden naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat [eiseres] (via bekrachtiging van de handelingen van [X] ) heeft ingestemd met de door [gedaagde] geboden koopsom.

4.10.

Ook een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot de door [eiseres] gevorderde opheffing van het beslag. [eiseres] heeft gesteld dat het beslag dient te worden opgeheven omdat zij het pand dan aan een derde kan verkopen en leveren en uit de opbrengst haar schuld aan de fiscus kan voldoen. Zij heeft verder gesteld dat zij jarenlang heeft moeten wachten op een koper en dat een kans, zoals de nu beoogde verkoop aan de derde, zich niet meer zal voordoen. Die stellingen zijn evenwel niet nader onderbouwd: niet aangetoond is dat [eiseres] een vordering van de fiscus dient te voldoen en dat zij daar (nu of in de nabije toekomst) zonder verkoop van het pand niet toe in staat is. Verder is niet inzichtelijk gemaakt dat de potentiële koper zal afhaken als het pand niet binnen afzienbare termijn verkocht en geleverd wordt en waarom, ondanks de aantrekkende woningmarkt, voor het pand geen andere koper gevonden zal kunnen worden die een vergelijkbare prijs zal bieden. Bovendien staat daar tegenover dat [gedaagde] , als het pand aan een derde wordt verkocht, met lege handen staat als hij de bodemprocedure wint en dat zijn kans om in de directe omgeving van zijn woning een pand te verwerven van waaruit hij zijn handelsonderneming kan drijven, verloren zal zijn gegaan. Deze belangen wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan de belangen van [eiseres] .

4.11.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] afgewezen worden.

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.103,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.103,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.1

1 type: MvA coll: