Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2455

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
C/03/222151 / FA RK 16-2133
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid en uitoefening daarvan. Gezag geschorst op grond van artikel 1:253r juncto 1:253q BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 21 februari 2017

Zaaknummer: C/03/222151 / FA RK 16-2133

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven op het verzoek van

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de moeder

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.F.C. Eliëns, kantoorhoudend te Beek

en

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de vader

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders,

geen advocaat.

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie Maastricht,

verder te noemen: de raad,

gevestigd te Maastricht,

door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1 Het procesverloop

Dit blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van de moeder, ingekomen bij de rechtbank op 20 juni 2016;

  • -

    een brief d.d. 29 juni 2016, door de moeder ter zitting overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 22 november 2016, waar zijn verschenen:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

  • -

    een vertegenwoordigster van de raad.

De vader, hoewel behoorlijk opgeroepen, is niet ter zitting verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

2 De feiten

In de basisregistratie personen is bij de persoonsgegevens van de moeder geregistreerd dat de moeder op [2012] is gehuwd met de vader.

Uit de moeder zijn geboren:

[minderjarige 1] op [2013] te [geboorteplaats] en

[minderjarige 2] op [2014] te [geboorteplaats].

De kinderen wonen bij de moeder.

De moeder is op 20 juni 2016 een echtscheidingsprocedure gestart bij deze rechtbank.

In de basisregistratie personen zijn de moeder en de kinderen met onbekende nationaliteit geregistreerd.

De moeder heeft een verblijfsvergunning met een geldigheid tot 24 juni 2018.

3 Het verzoek

De moeder heeft verzocht, naar de rechtbank begrijpt, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een reisdocument ten behoeve van de voormelde minderjarige kinderen.

De moeder legt aan haar verzoek ten grondslag dat de identiteitsbewijzen van de kinderen verlopen zijn en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] weigerachtig is nieuwe identiteitsbewijzen te verstrekken, nu niet gebleken is dat de vader toestemming hiervoor geeft.

4 De standpunten ter zitting

De moeder stelt dat zij als vierde vrouw op traditionele wijze met de vader is gehuwd in [land] en dat dit huwelijk niet ten overstaan van een overheidsorgaan is gesloten. Derhalve is het huwelijk in [land] niet geregistreerd in de gemeentelijke- of enig andere overheidsadministratie, waardoor zij niet in staat is een huwelijksakte over te leggen.

De moeder is vier jaar geleden uit [land] gevlucht, onder andere vanwege de vader.

De vader is in [land] gebleven, naar de moeder meent, bij een van zijn andere vrouwen.

De moeder weet niets over de huidige verblijfplaats van de vader. De moeder vermoedt dat de vader de [nationaliteit] heeft.

De moeder stelt verder dat zij zwanger was van [minderjarige 1] toen zij gevlucht is. Na aankomst in Nederland heeft zij in Ter Apel gezeten. De moeder stelt dat zij de [nationaliteit] heeft.

De moeder weet niet of zij samen met de vader het gezag heeft over de kinderen. [minderjarige 2] heeft een andere biologische vader.

In tegenstelling tot hetgeen in het verzoekschrift is vermeld, beschikken de kinderen niet over een paspoort.

De raad heeft aangegeven dat de stichting Nidos naar deze minderjarigen kijkt. De vraag is wie het gezag heeft.

5 De beoordeling

5.1.

De onderhavige zaak draagt onmiskenbaar een internationaal karakter en daarom dienen de rechtsmacht en het toepasselijk recht te worden bepaald.

5.2.

De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese unie van 27 november 2003 (Brussel II-bis), nu de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, en op grond van artikel 2, aanhef en onder 7, Brussel II-bis, nu het verzoek valt onder de ouderlijke verantwoordelijkheid.

5.3.

Volgens artikel 16 lid 1 van het hier toepasselijke Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 (Trb. 1997, 299) wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Nu beide kinderen sinds hun geboorte in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, is ten aanzien van de vraag wie over de kinderen het gezag heeft Nederlands recht van toepassing als het recht van de gewone verblijfplaats van de kinderen.

5.4.

Op grond van artikel 1:251 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) oefenen de ouders tijdens hun huwelijk het gezag gezamenlijk uit.

5.5.

Gelet op de bijzondere situatie waarin de moeder en de kinderen verkeren, waarbij het kennelijk onmogelijk is bescheiden uit [land] te verkrijgen, gaat de rechtbank uit van het door de moeder gestelde omtrent het huwelijk en de naam van de vader, zoals dit is geregistreerd in de basisregistratie personen. De moeder en de vader zijn aldus van rechtswege gezamenlijk met het gezag over de kinderen belast, nu de kinderen uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren.

5.6.

Op grond van artikel 17 van voormeld Haags Kinderbeschermingsverdrag wordt de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid beheerst door het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Aldus is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een reisdocument.

5.7.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag van een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag over die minderjarige uitoefent.

Ingevolge lid 2 kan, indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen die het gezag uitoefenen weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen de beide personen beproeft.

5.8.

Ingevolge artikel 34, vijfde lid, van de Paspoortwet geeft de rechter in een geschil als het onderhavige een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.9.

Ingevolge artikel 1:253r lid 2 juncto lid 1 sub b BW is het gezag dat aan één of aan beide ouders toekomt, geschorst gedurende de tijd dat de verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.

5.10.

Onweersproken heeft de moeder gesteld dat zij uit [land] gevlucht is voor de vader en dat het voor haar onmogelijk is contact met de vader te krijgen nu zij niet weet waar hij verblijft. De rechtbank overweegt op grond hiervan dat gezamenlijke uitoefening van het gezag thans niet mogelijk is. Omdat de verblijfplaats van de vader thans onbekend is,

is het gezag van de vader over de beide minderjarigen, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.9. is overwogen, thans van rechtswege geschorst.

5.11.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen. De moeder oefent immers thans alleen het gezag uit en er is derhalve geen toestemming van de vader vereist om een reisdocument voor de minderjarigen aan te vragen.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters, griffier op

21 februari 2017.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.