Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2413

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
03/720800-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Samen met anderen heeft hij een leegstand pand, dat bedoeld was voor bewoning door asielzoekers, in brand gestoken door middel van het gooien van molotovcocktails. Hoewel verdachte geen verklaring heeft gegeven voor zijn handelen - hij heeft het feit immers ontkend - blijkt uit het dossier dat verdachte kennelijk op die manier de komst van asielzoekers heeft willen voorkomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte met deze vorm van eigenrichting een onaanvaardbare inbreuk heeft gemaakt op de uitvoering van democratisch gelegitimeerde besluitvorming. Verdachte krijgt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/720800-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens]

wonende te [adresgegevens] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 februari 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is op 2 maart 2017 formeel gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte al dan niet samen met een ander of anderen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een pand.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Zij heeft daartoe verwezen naar de bevindingen van de politie ter plaatse, de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en het forensisch sporenonderzoek. De verklaring van verdachte is niet geloofwaardig. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat er sprake is van medeplegen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte bij gebrek aan bewijs vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting. Ook is er geen sprake van medeplegen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld wie de brandbom heeft gegooid. De enkele getalsmatige versterking en het weet hebben van het plan, als hiervan al sprake was, is onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Brandmelding

Op 29 mei 2016, omstreeks 03:10 uur, kregen verbalisanten de melding te gaan naar [adres 1] in verband met brandstichting.2 Bij de woning [huisnummer] werd brand geconstateerd.3 De verbalisanten zagen twee kleine brandjes nabij een raam van de leegstaande woning, die bestemd was voor de plaatsing van asielzoekers. Er was rookontwikkeling in de woning. Nabij de woning hing een benzinelucht.4

Het complex werd door [naam 1] verhuurd aan [naam 2] . Namens laatstgenoemde werd aangifte gedaan van brandstichting.5

Ligging van de woning [huisnummer]

De woning [huisnummer] maakt deel uit van een blok van tien woningen, bestaande uit twee lagen. De toegangsdeuren van deze woningen zijn gelegen aan de zijde van de [straatnaam 1] . Tussen de [straatnaam 1] en de toegangsdeuren ligt een brede groenstrook. Voor de toegangsdeuren ligt nog een trottoir. De woning [huisnummer] betreft een hoekwoning. Vanaf de [straatnaam 1] loopt een tegelpad naar de voorzijde van de woning.6

Afbeelding 1: het trottoir voor de woning [huisnummer] .

Afbeelding 2: het tegelpad naar de voorzijde van de woning [huisnummer] .

Onderzoek plaats delict

Op het tegelpad richting de woning [huisnummer] lagen groene glasscherven. Er waren meerdere beroete tegels op die plaats. Tussen de scherven lag een flessenhals met daarin een stukje textiel. De scherven waren beroet en het stukje textiel dat buiten de hals uitstak was verbrand.

De ruit van de woning [huisnummer] was vernield. De glasscherven van de vernielde ruit waren aan de bovenzijde beroet. Een gedeelte van de ruit was afgeplakt met een stuk doorzichtige kunststof, wat door hitte-inwerking gesmolten was.

Op de trottoirtegels voor de woning [huisnummer] waren roetvorming en vlekken zichtbaar. Op de borstwering waren schroei- dan wel brandvlekken zichtbaar. Er lagen diverse groene glasscherven en een stukje textiel. De vlekken op de trottoirtegels die beroet waren, liepen als een soort waaier met vlekken en spatten uiteen. Het geheel van vlekken en vormen past in het beeld van een fles die daar uiteen is gesprongen, waardoor vuur is ontstaan. Op deze plek werd ook een flessenhals met een stukje textiel aangetroffen, welke voor nader onderzoek naar het NFI werden gestuurd.

Onderzoek aan de trottoirtegels voor de woning [huisnummer] wees uit dat er een sterke indicatie was voor de aanwezigheid van koolwaterstoffen. Een monster van het zand onder deze trottoirtegel werd voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.

In de keuken van de woning [huisnummer] had brand gewoed. De keuken was deels zwart beroet. In de keuken werden een flessenhals, glasscherven en een stukje textiel aangetroffen. Ook deze flessenhals werd voor nader onderzoek naar het NFI gestuurd.

Voor de voordeur van de woning [huinummer 2] lagen groene glasscherven. Ter hoogte van de overgang tussen de woningen [huinummer 2] en [huisnummer 3] werd een stukje verbrand textiel aangetroffen. Iets verder lag een groene flessenhals en enkele kleine stukjes groene grasscherven.

Het vlekkenpatroon op de woning [huinummer 2] past bij het beeld dat er een fles kapot is gesprongen tegen het bovenlicht dan wel het gedeelte van de muur bij de woning [huinummer 2] . De flessenhals en het textiel zijn vervolgens weggesprongen in de richting van de woning [huisnummer 3] . Hierbij is de fles vanaf de linkerzijde gekomen en weggesprongen naar de rechterzijde.

De stukjes textiel die werden aangetroffen in de flessenhalzen kwamen visueel overeen met elkaar. Onderzoek naar deze stukjes textiel wees uit dat er een indicatie was voor de aanwezigheid van koolwaterstoffen.7

Conclusies NFI

De flessenhals met stukje textiel aangetroffen voor de woning [huisnummer] , een monster van zand onder een trottoirtegel voor de woning [huisnummer] en de flessenhals aangetroffen in de keuken, werden door het NFI onderzocht. In alle monsters werden vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van motorbenzine.8

Hypothese politie naar aanleiding van sporenonderzoek

De aangetroffen flessenhalzen, dezelfde stukjes textiel, de vlekken, het spattenpatroon en de vaststelling van de aanwezigheid van motorbenzine, passen in het beeld van minimaal twee flessen, waarin in elke hals een stukje textiel is gedrukt en vervolgens tegen/door de ruit van de woning [huisnummer] is gegooid. Eén fles is door de ruit gegooid en de andere fles is op de tegels vóór de woning terechtgekomen. De flessenhals die is aangetroffen op het tegelpad voor de woning [huisnummer] met een verbrand stukje textiel dat uit de hals stak, past in het beeld dat deze fles tegen de voorgevel/ruit van de woning [huisnummer] is gegooid en dat deze terugkaatste of terugsprong. Mogelijk is de fles van grotere afstand in de richting van de voorgevel gegooid en is deze op het tegelpad terecht gekomen.

Bij het gooien van een fles met een brandbare vloeistof en een brandend stukje textiel in de halsopening, zal bij het stuk gaan van de fles de brandbare vloeistof in de omgeving verspreid worden. Door het brandende stukje textiel zal de vloeistof direct ontbranden en dit verspreiden over goederen en/of personen, als deze door de (brandende) vloeistof geraakt worden.

Gelet op de aangetroffen sporen is sprake van opzettelijke brandstichting. Bij de brand was sprake van gemeen gevaar voor goederen.9

Tussenconclusie

Gelet op de bevindingen van de politie, de aangifte en de bevindingen naar aanleiding van het sporenonderzoek, stelt de rechtbank vast dat er op 29 mei 2016 opzettelijk brand is gesticht in en aan de woning aan de [adres 1] te [woonplaats 1] . Uit sporenonderzoek is gebleken dat in ieder geval vier flessen, gevuld met een brandbare vloeistof, met daarin een stukje textiel (de rechtbank begrijpt: molotovcocktails) werden gebruikt. Er zijn vier flessenhalzen aangetroffen op de plaats delict. Van deze vier flessen is één fles door de ruit gegooid en zo in de keuken terechtgekomen. Hierdoor is brand in de woning ontstaan. Een andere fles is tegen de voorgevel dan wel de ruit van de woning gegooid en vervolgens op de grond voor de woning terechtgekomen, waardoor brand aan de woning is ontstaan. De politie heeft in haar hypothese dan ook gesteld dat er gebruik is gemaakt van minimaal twee flessen. De andere twee flessenhalzen werden aangetroffen nabij de woning, te weten op een tegelpad richting de woning [huisnummer] en nabij de woningen [huinummer 2] en [huisnummer 3] .

De rechtbank stelt ten slotte vast dat er sprake was van gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand [huisnummer] . Gelet op de aard en de ligging van de woning, was er ook gemeen gevaar voor de belendende percelen te duchten.

Aanwezigheid verdachte op de plaats delict

Na de constatering van de brand kregen verbalisanten melding van een persoon welke met brandwonden onder de douche stond in de woning aan [adresgegevens] , de woning van verdachte. De moeder en de vriendin van verdachte verleenden de verbalisanten toegang tot de woning. Bij het betreden van de woning roken de verbalisanten dezelfde benzinelucht als op de plaats delict. In de hal zagen zij kleding liggen die naar benzine rook.10 Een trui met brandvlekken en een paar handschoenen werden in beslag genomen.11

Verdachte stond onder de douche. De politie zag dat verdachte schrok van hun aanwezigheid. Verdachte riep daarop naar zijn vriendin en zei dat zij bij hem moest komen. Hij gebaarde naar haar dat ze de deur van de badkamer moest sluiten. Een verbalisant hoorde verdachte tegen zijn vriendin zeggen: “Hou je mond. Niks zeggen tegen die wouten.”12

De aangetroffen handschoenen bleken een sterke indicatie voor de aanwezigheid van koolwaterstoffen te bevatten.13 Ter zitting heeft de rechtbank waargenomen, na het ter zitting openen van de brandpot waarin de handschoenen zijn bewaard door het NFI, dat deze handschoenen een zeer sterke benzinelucht hadden.14

Getuige [getuige 3] , de bovenbuurman van verdachte, heeft verklaard dat hij die nacht een plof hoorde en dat hij vanuit zijn woning naar de aan de overkant gelegen leegstaande woningen keek.15 Hij zag drie personen. Eén van hen rende vanuit de richting van het brandende pand in de richting van de [straatnaam 2] . Twee andere personen kwamen uit het paadje, dat meteen vanaf de voorzijde van het pand naar de [straatnaam 1] loopt. De personen liepen kort achter elkaar. Zij liepen net voorbij de struiken voor het pand.16 Bij één van hen stond de rechterarm in brand en deze persoon riep om hulp.17 [getuige 3] verklaart voorts dat hij gerommel hoorde bij de onderburen en dat hij daar ook iemand om hulp hoorde roepen.18

Tussenconclusie

Gelet op de bevindingen van de verbalisanten en de verklaring van [getuige 3] , stelt de rechtbank vast dat verdachte de persoon is die door [getuige 3] wordt omschreven als de persoon die in brand stond en wegrende van de plaats delict. Daaruit volgt dat verdachte ten tijde van de brandstichting op de plaats delict is geweest. Verdachte heeft zijn aanwezigheid op de plaats delict overigens ook niet ontkend. Hij stelt echter slachtoffer te zijn en geen dader.

De rol van verdachte op de plaats delict

[getuige 3] heeft verklaard dat, nadat de politie en de brandweer ter plaatse waren, [naam 3] , de vriendin van verdachte (hierna: [naam 3] ), bij hem voor de deur stond. Zij vertelde dat verdachte in brand stond en dat hij het AZC in brand had gestoken. Vervolgens is [naam 3] met verdachte naar het ziekenhuis gegaan. [naam 3] kwam na terugkomst uit het ziekenhuis in de vroege ochtend opnieuw bij [getuige 3] langs. Zij vertelde dat ze bang was voor de financiële gevolgen voor verdachte. Ze zei ook dat anderen het zouden doen, maar dat er een niet was komen opdagen en dat verdachte zich toen had laten overhalen om het te doen.19

[naam 3] heeft verklaard dat zij inderdaad tegen [getuige 3] heeft gezegd dat verdachte het gebouw in brand had gestoken. Ook heeft zij gezegd dat hij zich door anderen liet overhalen. [naam 3] zou dit in paniek hebben gezegd. Het was een conclusie die zij zelf had getrokken. In het ziekenhuis hoorde zij van verdachte dat hij geen aandeel had in de brandstichting. Dit heeft zij na het ziekenhuisbezoek ook aan [getuige 3] verteld.

Verdachte heeft verklaard dat hij ’s nachts naar buiten ging om een joint te roken. Opeens zag hij ongeveer vier mannen gegroepeerd staan om een vlammetje bij het pand van het toekomstige AZC. Verdachte liep naar de groep en sprak hen aan. Hij zag dat de mannen meerdere flessen bij zich hadden. Een van de mannen stak een lont dat uit een fles stak aan. Die andere personen probeerden ook iets aan de steken. Een van de mannen gooide de fles met het brandende lont in de richting van het pand. Verdachte hoorde een doffe knal en hij zag vuur. Hij wilde weg gaan en draaide zich om. Op dat moment voelde hij dat hij werd overgoten met een vloeistof en dat hij in brand stond. Hij vermoedt dat er twee flessen tegen elkaar werden gegooid. Hij is toen het gras ingedoken om de vlammen in zijn gezicht te doven. Daarna is hij naar huis gerend. De mannen renden ook weg. Vermoedelijk rende een van de mannen een stukje met verdachte mee. Verdachte was verbrand in zijn gezicht en aan zijn rechterhand.

Ook heeft verdachte verklaard dat omdat [naam 3] hem in eerste instantie op beschuldigende toon vroeg wat hij had gedaan, hij haar heeft gezegd haar mond te houden tegen de politie. In het ziekenhuis heeft hij haar verteld wat er nou was gebeurd.

De rechtbank acht deze lezing van de feiten, gegeven door verdachte en ondersteund door de verklaring van [naam 3] , niet geloofwaardig. Zij overweegt daartoe als volgt.

Op de eerste plaats kan de rechtbank niet volgen dat verdachte, indien zijn lezing van de feiten juist zou zijn, pas tien dagen na het feit, op 8 juni 2016, de dag van zijn aanhouding, een verklaring af legt waarin hij aangeeft slachtoffer te zijn geweest van een brandstichting. Op het moment dat de politie, direct na het voorval, zijn woning betrad, heeft hij op geen enkele wijze duidelijk gemaakt dat hij zojuist slachtoffer was geworden van een brandstichting. Integendeel, hij zegt zijn vriendin dat ze niks mag zeggen tegen de politie. Verdachte beweert in shock te zijn geweest. De rechtbank gelooft niet dat verdachte hierdoor geen verklaring kon afleggen dan wel niet in staat was aan te geven dat hij vanwege zijn verwondingen op een later tijdstip aangifte zou willen doen. Hij heeft namelijk wel [naam 3] nog de opdracht kunnen geven de badkamerdeur te sluiten en haar vervolgens weten te instrueren dat zij haar mond moest houden tegen de politie. Uit het dossier blijkt dat ook in het ziekenhuis op geen enkele wijze door verdachte een signaal is afgegeven aan de politie, al dan niet via zijn moeder of vriendin, dat hij slachtoffer was geworden van een ernstig misdrijf.

Verdachte heeft vervolgens enige tijd in het ziekenhuis doorgebracht. Ook nadat hij werd ontslagen uit het ziekenhuis heeft verdachte zich niet (vrijwillig) bij de politie gemeld om zijn verhaal te doen dan wel om aan te geven dat hij dit zou komen doen zodra hij voldoende hersteld was. Sterker nog, de politie heeft verdachte uiteindelijk in zijn woning opgehaald voor verhoor.

Verdachte is achtereenvolgens op 8 juni 2016, 9 juni 2016 en 20 juni 2016 verhoord. Tijdens deze verhoren heeft hij steeds wisselende verklaringen afgelegd over de precieze gang van zaken. Verdachte stelde zijn verklaringen steeds bij en breidde zijn verklaringen ook uit. Daarnaast verklaarde verdachte bij de politie onder meer zich eerst te hebben omgedraaid alvorens hij werd overgoten met de brandende vloeistof, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat hij de mannen nog aankeek op het moment dat dit gebeurde.

Opvallend is dat de verklaringen van verdachte op enkele punten steeds gedetailleerder werden, zoals wat de door hem waargenomen mannen in hun handen hadden, maar op cruciale punten bleef verdachte vaag zoals het signalement van deze mannen en over de plaats waar verdachte stond op het moment dat hij in aanraking kwam met de brandende vloeistof.

Op de tweede plaats past de lezing van verdachte niet in het sporenbeeld zoals dat uit het onderzoek naar voren is gekomen.

Zo blijkt uit het sporenbeeld niet dat twee flessen elkaar in de lucht hebben geraakt.

Zoals eerder vermeld, heeft verdachte niet duidelijk aangegeven waar hij stond op het moment dat hij met de brandende vloeistof werd overgoten. Op het moment dat verdachte de mogelijkheid werd geboden om op de plaats delict zijn positie aan te geven, weigerde hij mee te werken. Ook ter zitting is verdachte - daar uitdrukkelijk naar gevraagd - vaag gebleven over zijn positie. Verdachte wees in ieder geval niet de plaatsen aan waar de glasscherven of flessenhalzen zijn aangetroffen. Verdachte heeft verklaard in elk geval niet voor het pand of op het voetpad richting de woningen te zijn geweest. Gelet op de positie van de op de plaats delict aangetroffen glasscherven moet verdachte echter voor het pand dan wel op het voetpad hebben gestaan om in aanraking te zijn gekomen met de brandende vloeistof. Dat komt ook overeen met de verklaring van getuige [getuige 3] , die twee personen samen vanuit de richting van het pand over het voetpad zag wegrennen van wie er een in de brand stond.

In de derde plaats neemt de rechtbank naast het feit dat verdachte pas zeer laat met een alternatieve lezing is gekomen en dat die verklaring niet strookt met het sporenbeeld, een aantal verdachte omstandigheden in haar overwegingen mee die zich na het voorval hebben voorgedaan.

Zo blijkt uit het dossier dat [naam 3] niet direct de ambulance heeft gebeld toen verdachte met zijn brandwonden thuis kwam. Zij heeft eerst haar vader gebeld en daarna - op verzoek van verdachte - de moeder van verdachte. Pas toen verdachtes moeder in de woning arriveerde, heeft deze de ambulance gebeld. Deze gang van zaken is voor de rechtbank volstrekt onlogisch. Verdachte was namelijk zwaar gewond. Hij had ernstige brandwonden. Verdachte is opgenomen in het ziekenhuis in [woonplaats 1] en heeft vervolgens enige tijd in het brandwondencentrum in Aken doorgebracht. Het ligt dan ook niet voor de hand dat verdachte in deze situatie niet direct medische hulp heeft ingeschakeld. Kennelijk had verdachte iets te verbergen.

Op het moment dat de politie de woning van verdachte betreedt, schrikt verdachte en zegt hij tegen [naam 3] dat zij haar mond moet houden.

Verdachte heeft voor deze gang van zaken en voor zijn vreemde gedrag geen, dan wel geen logische verklaring gegeven.

De rechtbank volgt daarentegen wel de verklaring van getuige [getuige 3] , zoals hiervoor weergegeven onder het kopje De rol van verdachte op de plaats delict.

[getuige 3] werd uitgebreid gehoord op 29 mei 2016 te 10:20 uur, slechts enkele uren na de brandstichting en na de gesprekken die hij met [naam 3] hierover heeft gevoerd. [naam 3] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd dat zij beschuldigende uitlatingen over verdachte heeft gedaan. Daarbij heeft zij verklaard dat zij echter na bezoek aan verdachte in het ziekenhuis al aan [getuige 3] heeft verteld dat verdachte - kort gezegd - geen dader was, maar slachtoffer.

[getuige 3] heeft evenwel op 29 mei 2016 verklaard dat [naam 3] na haar bezoek aan verdachte in het ziekenhuis bij hem, [getuige 3] , langs kwam en dat hij haar hoorde vertellen dat zij bang was voor de financiële gevolgen voor verdachte en dat hij (verdachte) zich had laten overhalen door anderen. Anderen zouden het doen maar een was er niet komen opdagen en verdachte had zich laten overhalen het te doen. [getuige 3] verklaart dat [naam 3] ook tegen hem zei dat verdachte niet tegen onrecht kon en tegen de komst van het AZC was.

De rechtbank stelt vast op basis van het dossier dat [getuige 3] op 29 mei 2016 om 07:56 uur, nadat [naam 3] voor de tweede keer een bezoek had gebracht aan [getuige 3] , een bericht naar [naam 3] stuurt met de tekst: “Hey [naam 3] . Maak je niet zo druk he. Er is in feite nix gebeurd, behalve dat hij zich zelf in de fik heeft gestoken.” Uit de inhoud van dit bericht valt niet af te leiden dat [getuige 3] verdachte als slachtoffer van de gebeurtenis zag.

Anders dan [naam 3] heeft willen doen geloven, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [getuige 3] van 29 mei 2016 niet gebaseerd is op foutieve informatie. Sterker nog, bij het tweede bezoek van [naam 3] aan [getuige 3] , toen [naam 3] kennelijk de lezing van verdachte al had gehoord in het ziekenhuis, heeft zij opnieuw met [getuige 3] over de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting gesproken. Zij noemde ook toen meerdere details. Zo had verdachte zich laten overhalen en was er iemand niet komen opdagen.

Alle omstandigheden zoals hiervoor benoemd, in samenhang bezien, maakt dat de rechtbank de verklaring van [getuige 3] van 29 mei 2016 als betrouwbaar aanmerkt. De aanwezigheid van verdachte op de plaats delict ten tijde van de brandstichting kan dan ook enkel verklaard worden vanuit zijn rol als dader aan de brandstichting en niet als slachtoffer. De verklaring van verdachte en zijn vriendin over de gang van zaken zal dan ook als niet geloofwaardig ter zijde worden geschoven. Deze verklaringen kunnen enkel worden gezien als een poging om het aandeel van verdachte in de brandstichting te maskeren. De rechtbank vindt voor dit oordeel ook steun in een verklaring van [getuige 3] ten overstaan van de rechter-commissaris, waarin hij verklaart dat [naam 3] hem heeft gevraagd zijn verklaring te veranderen. Hij kon op die manier verdachte helpen. [getuige 3] heeft aan dit verzoek, zo blijkt, geen gevolg gegeven.

Medeplegen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij de brandstichting al dan niet samen met een ander of anderen heeft gepleegd.

Uit de verklaring van [getuige 3] leidt de rechtbank af dat er sprake was van drie daders, waaronder verdachte. Hij hoort namelijk een plof en ziet daarna drie personen wegrennen vanuit de richting van het al brandende pand. Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Getuige [naam 4] , een buurvrouw van verdachte, heeft verklaard dat verdachte dreigde dat hij eerdaags daar (de rechtbank begrijpt: het toekomstig AZC) ’s nachts de boel in de fik steekt met petrol.20

Getuige [naam 5] , de neef van verdachte, heeft verklaard dat verdachte de week voorafgaand aan de brand tegen hem zei dat hij het AZC in brand zou gaan steken.21

Uit bovenstaande verklaringen leidt de rechtbank af dat er een plan was om brand te stichten. De rechtbank vindt hierin ook steun bij de verklaring van [getuige 3] , inhoudende dat [naam 3] tegen hem zei dat iemand niet was komen opdagen en dat verdachte zich toen had laten overhalen het te doen. Vast staat dat er vier molotovcocktails richting de woning zijn gegooid. Deze molotovcocktails moeten worden klaargemaakt, de lonten moeten worden aangestoken en vervolgens moeten de brandende flessen tegen/naar de woning worden gegooid. De rechtbank leidt hieruit af dat de drie daders, waaronder verdachte, allen op de een of andere manier een bijdrage hebben geleverd aan de brandstichting.

Uit dit alles leidt de rechtbank af dat er tussen de daders enige samenwerking en overleg heeft plaatsgevonden over de uitvoering van het plan. Tijdens de uitvoering van het plan is er kennelijk iets fout gegaan, waardoor verdachte brandende vloeistof over zich heen heeft gekregen. Hij is toen, net als de andere daders, gevlucht. Er waren op dat moment al meerdere brandhaarden bij de woning [huisnummer] . Voor zover de raadsman heeft betoogd dat er sprake was van een vrijwillige terugtred, overweegt de rechtbank dat deze situatie zich hier dan ook niet voordoet.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met anderen opzettelijk brand heeft gesticht.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 29 mei 2016 in de gemeente [woonplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een pand, gelegen aan de [adres 1] en verhuurd door [naam 1] aan [naam 2] door het gooien van brandende molotovcocktails tegen en door een raam van voornoemd pand, ten gevolge waarvan voornoemd pand gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor voornoemd pand en belendende percelen te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de strafeis, in vergelijking met andere zaken, veel te hoog is. Hij heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest. Samen met anderen heeft hij een leegstand pand, dat bedoeld was voor bewoning door asielzoekers, in brand gestoken door middel van het gooien van molotovcocktails. Hoewel verdachte geen verklaring heeft gegeven voor zijn handelen - hij heeft het feit immers ontkend - blijkt uit het dossier dat verdachte kennelijk op die manier de komst van asielzoekers heeft willen voorkomen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte met deze vorm van eigenrichting een onaanvaardbare inbreuk heeft gemaakt op de uitvoering van democratisch gelegitimeerde besluitvorming.

Ter zitting is gebleken dat verdachte, sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 27 oktober 2016, zijn leven weer heeft opgepakt. Hij heeft inmiddels een tijdelijk contract, met uitzicht op een vast contract. Door zijn werk heeft verdachte meer regelmaat in zijn leven. Ook is verdachte bijna schuldenvrij. De rechtbank realiseert zich dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is gevorderd, deze positieve ontwikkeling zal doorkruisen. Bij de strafoplegging kan de rechtbank echter niet om de ernst van het feit heen. Verdachte moet zich realiseren dat hij met zijn gedrag grenzen heeft overschreden en dat hij hiervan de gevolgen - hoe verstrekkend die ook mogen zijn - moet ondervinden. Het feit rechtvaardigt oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Verdachte heeft tot nu toe ruim 4,5 maand in voorarrest doorgebracht. Anders dan de raadsman heeft betoogd, acht de rechtbank het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet in verhouding staan tot de ernst van het feit. Met andere woorden, verdachte dient nog terug te keren naar de gevangenis.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf echter te hoog. Deze sluit niet aan bij wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van het feit, houdt de rechtbank rekening met het feit dat het pand leeg stond en er derhalve geen sprake was van te duchten levensgevaar.

Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

  • -

    heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. van Blaricum, voorzitter, mr. W.A.P. Hillen en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.K. Spronk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2017.

Buiten staat:

Mr. W.A.P. Hillen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 mei 2016 in de gemeente [woonplaats 1] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een pand, gelegen aan de [adres 1] (en verhuurd door [naam 1] aan [naam 2] ) door het gooien van een of meer brandende molotovcocktail(s)/brandbom(men), alhans (een) brandend(e) voorwerp(en) tegen en/of door een of meer ra(a)m(en) van voornoemd pand, ten

gevolge waarvan voornoemd pand geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan en daardoor gemeen gevaar voor voornoemd pand en/of belendende percelen, in elk gevaar gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie districtsrecherche Zuid-West-Limburg, proces-verbaalnummer 2016095831, gesloten d.d. 7 september 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 471.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2016, p. 166.

3 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 391.

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2016, p. 166.

5 Proces-verbaal van aangifte d.d. 31 mei 2016, p. 176.

6 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 391 en 393.

7 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 391, 393, 394, 395 en 398.

8 Het geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI d.d. 22 juni 2016, niet doorgenummerd.

9 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 393, 398 en 399.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2016, p. 166.

11 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 391.

12 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2016, p. 166 en 167.

13 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 8 augustus 2016, p. 392.

14 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 15 februari 2017.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 mei 2016, p. 183.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 7 juni 2016, p. 195 en 198.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 mei 2016, p. 183.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 7 juni 2016, p. 196.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 mei 2016, p. 184.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] d.d. 25 juli 2016, p. 314.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] d.d. 6 september 2016, p. 331.