Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2400

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
5625169 AZ VERZ 17-2
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot betaling transitievergoeding. Reguliere transitievergoeding of lagere transitievergoeding kleine werkgever ex art. 7:673d BW (‘Overbruggingsregeling’)? Uitleg art. 24 lid 2 Ontslagregeling. Verzoek om transitievergoeding in termijnen te voldoen wordt ingewilligd. Nevenvorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0346
AR 2017/1476
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5625169 AZ VERZ 17-2

Beschikking van de kantonrechter van 16 maart 2017

MD

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonend aan de [adres 1] te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde mr. drs. A.L. van den Bergh,

tegen:

[verweerster] ,
h.o.d.n. [handelsnaam],

wonend aan de [adres 2] te [woonplaats] ,

verwerende partij,

gemachtigde mr. J. Linders.

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoekster] en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 4 januari 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de aanvullende bijlagen van [verweerster] ;

- de mondelinge behandeling d.d. 21 februari 2017 en de tijdens die zitting door de gemachtigde van [verzoekster] voorgedragen pleitaantekeningen, tevens vermeerdering van verzoek, en de voorgedragen pleitaantekeningen van de gemachtigde van [verweerster] ;

- de akte van [verweerster] met bijlage naar aanleiding van die vermeerdering van verzoek;

- de antwoordakte met bijlagen van [verzoekster] .

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[handelsnaam] is een door [verweerster] gedreven eenmanszaak die zich toelegde op de handel in dameskleding en -accessoires. Met ingang van 1 september 2016 zijn de bedrijfsactiviteiten van [handelsnaam] beëindigd. Naast [verweerster] en haar echtgenoot waren twee werknemers voor [handelsnaam] werkzaam: [verzoekster] en haar dochter [dochter verzoekster] .

2.2.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 maart 2000 krachtens arbeidsovereenkomst bij [verweerster] in dienst getreden als verkoopster, tegen een loon van laatstelijk € 2.752,75 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag.

2.3.

Op 28 juli 2016 heeft [verweerster] aan het UWV toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] en met [dochter verzoekster] op de voet van art. 7:671a BW jo. art. 7:669 lid 3 onderdeel a BW (kort gezegd: bedrijfseconomische redenen) op te zeggen. In die procedure heeft [verzoekster] verweer gevoerd.

2.4.

Op 23 augustus 2016 is door het UWV aan [verweerster] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Ook inzake [dochter verzoekster] is die toestemming verleend. De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is met gebruikmaking van die toestemming door [verweerster] opgezegd tegen 1 januari 2017. De arbeidsovereenkomst van haar dochter is met gebruikmaking van die toestemming van het UWV eveneens door [verweerster] opgezegd.

2.5.

Naast het verzoek onder 2.3., heeft [verweerster] aan het UWV verzocht om een verklaring Overbruggingsregeling transitievergoeding ex art. 7:673d BW juncto art. 24 Ontslagregeling (hierna: de Overbruggingsregeling) af te geven. Ook daartegen heeft [verzoekster] zich verzet.

2.6.

Het UWV heeft deze verklaring bij beslissing van 23 augustus 2016 geweigerd. Aan één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Overbruggingsregeling is volgens het UWV niet voldaan. Het UWV overweegt daarover in zijn beslissing als volgt:

“De waarde van de vlottende activa van uw onderneming is kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van hooguit een jaar. Dit is beoordeeld aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het verzoek om toestemming is ingediend. U voldoet niet aan deze voorwaarde. De waarde van de vlottende activa aan het einde van 2015 bedroeg € 92.688,- terwijl de waarde van de kortlopende schulden € 63.624,- bedroeg. Wij baseren ons op de formele jaarrekeningen zoals deze bij de Belastingdienst zijn ingediend”.

2.7.

[verweerster] heeft aan [dochter verzoekster] de reguliere transitievergoeding voldaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt, na vermeerdering van eis, om bij beschikking [verweerster] te veroordelen tot betaling aan haar van:

I. de (reguliere) transitievergoeding ten bedrage van € 19.565,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. niet uitbetaalde vakantiebijslag over 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016 van
€ 1.321,32 bruto;

III. 98,6 vakantie-uren die zijn opgebouwd maar niet door haar genoten;

IV. vergoeding van door haar gemaakte kosten van € 542,08 inclusief btw in verband met de noodzakelijke inschakeling van ‘deskundige’ [naam deskundige] ;

V. de proceskosten, waaronder de kosten van betekening en (eventuele) executie van deze beschikking, waaronder het leggen van executoriale beslagen.

3.2.

De grondslagen van de vorderingen van [verzoekster] vloeien reeds voort uit de hiervoor weergegeven omschrijvingen.

3.3.

[verweerster] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft bepleit dat het besluit van het UWV formele rechtskracht heeft gekregen en inmiddels onaantastbaar is geworden. Dit pleidooi faalt, nu [verzoekster] er zelf voor heeft gekozen om dit geschil aan de kantonrechter voor te leggen en de kantonrechter bevoegd is om hierover te oordelen.

4.2.

Ook het betoog van [verzoekster] dat [verweerster] bij de Belastingdienst in bezwaar had moeten gaan tegen de aanslag over 2015, kan niet slagen. Niet kan worden ingezien waarom [verweerster] tegen die aanslag in bezwaar zou gaan nu deze overeenkomstig de door [verweerster] verstrekte gegeven door de Belastingdienst is vastgesteld. Van niet-ontvankelijkheid van [verweerster] op deze grond is geen sprake.

4.3.

[verzoekster] heeft ten slotte nog gesteld dat [verweerster] direct onderscheid maakt doordat zij aan [verzoekster] niet de volledige transitievergoeding wil betalen omdat deze vergoeding vanwege haar maandloon en daarmee indirect haar leeftijd, hoger is dan bij haar dochter [dochter verzoekster] . Onder verwijzing naar de Wet gelijke behandeling, stelt [verzoekster] dat [verweerster] hiermee een verboden onderscheid maakt. [verweerster] heeft genoegzaam toegelicht dat zij louter uit proceseconomische overwegingen de volledige transitievergoeding aan [dochter verzoekster] heeft voldaan, zonder daarmee te willen erkennen dat zij ook in het geval van [verzoekster] de volledige transitievergoeding verschuldigd is. Uiteraard is de leeftijd, los van de vraag welke jaren moeten worden meegerekend, van belang voor de bepaling van de omvang van die vergoeding. Dat [verweerster] , door om de genoemde reden aan [dochter verzoekster] de volledige transitievergoeding te betalen, een verboden onderscheid heeft gemaakt waaruit ook voor [verzoekster] het recht op de volledige transitievergoeding zou voortvloeien, is echter een onjuiste conclusie.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoekster] haar verzoek tijdig heeft ingediend (namelijk binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd), zodat hij toekomt aan een inhoudelijke beoordeling.

Reguliere transitievergoeding?

4.5.

In art. 7:673d BW is, kort gezegd, voorzien in de Overbruggingsregeling voor kleine werkgevers als het gaat om de verschuldigde transitievergoeding. Werkgevers met minder dan 25 werknemers mogen bij de berekening van de verschuldigde transitievergoeding uitgaan van de duur van het dienstverband te rekenen vanaf 1 mei 2013 als het ontslag is ingegeven door de slechte financiële situatie waarin de werkgever verkeert.

4.6.

In de Ontslagregeling is in art. 24, tweede lid, geregeld onder welke cumulatieve voorwaarden art. 7:673d BW van toepassing is, te weten:

a. het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over de drie boekjaren voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet is kleiner geweest dan nul; en

b. de waarde van het eigen vermogen van de onderneming van de werkgever, als bedoeld in het Besluit modellen jaarrekening, was negatief aan het einde van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet; en

c. binnen de onderneming van de werkgever aan het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, is de waarde van de vlottende activa kleiner dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar.

4.7.

In de toelichting bij art. 24 Ontslagregeling is voorts het volgende vermeld:

“Het is aan de werkgever die gebruik maakt van de mogelijkheid om een lagere transitievergoeding te betalen om aan te tonen dat aan deze voorwaarden voldaan is. In de eerste plaats (onderdeel a) moet worden aangetoond dat over de drie voorafgaande boekjaren het netto resultaat van de onderneming van de werkgever kleiner is geweest dan nul. Het gaat dan om de boekjaren gelegen voor het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit de enkelvoudige jaarrekeningen over de afgelopen drie boekjaren en de winst- en verliesrekening. (…) In de tweede plaats dient binnen de onderneming van de werkgever sprake te zijn van een negatief eigen vermogen (onderdeel b), dat wil zeggen dat de waarde van de activa van de onderneming kleiner zijn dan de waarde van de passiva van de onderneming. Het gaat daarbij om het eigen vermogen dat is vastgesteld conform de regels die daaromtrent worden gesteld in het Besluit modellen jaarrekening. Ten slotte moeten de vlottende activa binnen de onderneming van de werkgever per het einde van het boekjaar dat eindigt voorafgaand aan het boekjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet, kleiner zijn dan de kortlopende schulden (onderdeel c). Naar bedrijfseconomische maatstaven is van een dergelijke slechte liquiditeitspositie sprake als de zogenoemde current ratio minder dan 1 is.”

4.8.

[verweerster] heeft de ontslagaanvraag ingediend wegens een slechte financiële situatie en had minder dan 25 werknemer in dienst. Ook staat vast dat [verweerster] voldoet aan de voorwaarden zoals die in rechtsoverweging 4.6 onder (a) en (b) zijn weergegeven. Dit geschil draait dus louter om de vraag of [verweerster] voldoet aan voorwaarde (c) zoals die in rechtsoverweging 4.6. is vermeld.

4.9.

In de Ontslagregeling zelf en de toelichting daarop is de wijze waarop waarde van de vlottende activa als bedoeld in voorwaarde (c) moet worden vastgesteld, niet verder uitgewerkt. Daarin kan de kantonrechter dus geen aanknopingspunten vinden. Wel kan als uitgangspunt worden genomen dat daar waar in de Ontslagregeling over ‘jaar’ wordt gesproken, dient te worden gelezen ‘boekjaar’. Bij de bepaling van dat boekjaar is de (door de Belastingdienst) vastgestelde (fiscale) waarde aan het einde van dat boekjaar een vastgelegd toetsmoment. In hetgeen [verweerster] heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van de fiscale waarde van de voorraad van [verweerster] op 31 december 2015 zoals die nota bene door haar zelf bij de Belastingdienst is ingediend. Het gaat niet aan om achteraf, louter ter voorkoming van de betaling van een hogere transitievergoeding, te betogen dat de werkelijke waarde van de voorraad op 31 december 2015 slechts € 68.270,47 bedroeg. Ter zitting is immers gebleken dat de waardering op basis van de commerciële restwaarde van de voorraden, die [verweerster] nu wenst te gebruiken, louter door dat doel is ingegeven. Mitsdien moet ervan worden uitgegaan dat de waarde van de vlottende activa van [verweerster] op 31 december 2015 € 92.688,- bedroeg.

4.10.

De discussie over de vraag of de rekening-courant van [verweerster] bij de ABN Amro door een ‘fout’ van haar adviseur onterecht onder langlopende schulden is opgenomen (terwijl dit kortlopend had moeten zijn), kan verder onbesproken blijven. Daartoe dient het volgende.

4.11.

Niet in geschil is dat de rekening-courant schuld aan de ABN Amro op 31 december 2015 € 21.539,- bedroeg. Dat de overige posten die onder kortlopend op de jaarrekening zijn opgenomen ook als kortlopende schulden moeten worden aangemerkt, is niet betwist en staat mitsdien vast. Ook de juistheid van de omvang van die kortlopende schulden per 31 december 2015, te weten schulden aan leveranciers ten bedrage van € 46.038,-, verschuldigde omzetbelasting ten bedrage van € 11.899,-, verschuldigde loonbelasting ten bedrage van € 4.782,- en verschuldigde premies ten bedrage van € 905,-, staat vast.

Dit resulteert – indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de rekening-courant bij de ABN Amro inderdaad als kortlopende schuld moet worden aangemerkt – in de volgende optelling:

€ 21.539,- rekening-courant ABN Amro

€ 46.038,- schulden aan leveranciers

€ 11.899,- verschuldigde omzetbelasting

€ 4.782,- verschuldigde loonbelasting

€ 905,- verschuldigde premies

€ 85.163,- totaal kortlopende schulden op 31 december 2015

4.12.

De waarde van de vlottende activa op 31 december 2015 bedroeg € 92.688,-. Zelfs indien de rekening-courant bij de ABN Amro als kortlopende schuld wordt aangemerkt, bedroegen de totale kortlopende schulden op 31 december 2015 € 85.163,-. De conclusie is dat de waarde van de vlottende activa op 31 december 2015 ook in dat geval hoger is dan de schulden met een resterende looptijd van hooguit een jaar. Dit betekent dat aan voorwaarde (c) niet is voldaan, zodat [verweerster] zich niet kan beroepen op de Overbruggingsregeling en de reguliere transitievergoeding toewijsbaar is. Nu deze door [verzoekster] is becijferd op
€ 19.565,67 bruto en de juistheid van die berekening verder niet door [verweerster] is betwist, zal deze vergoeding worden toegewezen. De wettelijke rente daarover is op grond van het bepaalde in art. 7:686a BW toewijsbaar vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval dus vanaf 1 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.13.

In rechtsoverweging 4.20. zal – gelet op het verzoek van [verweerster] – worden ingegaan op de vraag of deze transitievergoeding in termijnen mag worden voldaan.

Vermeerdering van verzoek

4.14.

[verweerster] heeft erop gewezen dat de vermeerdering van verzoek (voor wat betreft de opgebouwde en niet genoten vakantie-uren en de niet uitbetaalde vakantiebijslag) niet schriftelijk is ingediend. Volgens [verweerster] moet [verzoekster] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar eisvermeerdering. Dit verweer wordt gepasseerd. Immers, blijkens de antwoordakte vermeerdering verzoek heeft [verweerster] heel goed begrepen wat die eisvermeerdering ter zitting inhield (de vermeerdering van eis wordt namelijk in deze akte van [verweerster] exact en correct weergegeven). [verzoekster] heeft daarop weer bij akte mogen reageren, zodat het beginsel van hoor en wederhoor en de eisen van een goede procesorde hierdoor niet zijn geschaad. Voorts heeft [verweerster] ter zitting geen bezwaar gemaakt tegen die eisvermeerdering, zodat nu ageren tegen het ontbreken van een schriftelijke eisvermeerdering tardief is. Ten slotte miskent [verzoekster] dat het geheel in lijn met de Wwz is dat gedingen die verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst (zoals in dit geval!) zoveel als mogelijk in één procedure worden afgewikkeld (zie onder meer art. 7:686a lid 3 BW voor wat betreft tegenvorderingen in Wwz-zaken). Het verweer van [verweerster] wordt mitsdien gepasseerd, de kantonrechter komt toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gehele eisvermeerdering.

Vergoeding niet genoten vakantie-uren

4.15.

[verweerster] heeft in haar akte – onder verwijzing naar een nieuwe en ditmaal juiste specificatie van haar boekhouder – becijferd dat [verzoekster] nog recht heeft op uitbetaling van 98,4 opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. [verweerster] heeft zich in haar akte evenwel bereid verklaard de ter zitting door [verzoekster] gevorderde 98,6 vakantie-uren (het verschil van 0,2 uren wordt door haar voor lief genomen) uit te betalen. Om die reden zal het hiermee corresponderende bedrag van € 1.898,05 bruto worden toegewezen. Ofschoon [verzoekster] in haar antwoordakte rept over wettelijke verhoging en wettelijke rente is dit niet gevorderd, zodat deze posten uiteraard ook niet kunnen worden toegewezen. Het niet nemen van een schriftelijke eisvermeerdering komt in zoverre dus wel voor rekening en risico van [verzoekster] .

Vakantiebijslag

4.16.

Verder maakt [verzoekster] nog aanspraak op uitbetaling van vakantiebijslag over 1 mei 2015 tot en met 31 december 2016. Zij begroot de vakantiebijslag over deze periode op € 1.321,32 bruto. Nu dit bedrag correspondeert met de berekening die [verweerster] als bijlage 15 bij haar akte heeft overgelegd, is dit bedrag toewijsbaar. Inzake de wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover geldt hetzelfde als hierover in de vorige rechtsoverweging is geoordeeld.

Vergoeding kosten [naam deskundige]

4.17.

[verzoekster] maakt ten slotte nog aanspraak op vergoeding van de kosten van de door haar ingeschakelde ‘deskundige’ [naam deskundige] ten bedrage van € 524,08 inclusief btw. [verzoekster] heeft er zelf voor gekozen om deze ‘deskundige’, naar aanleiding van het verweerschrift van [verweerster] , in te schakelen. Die keuze komt voor haar risico. Met [verweerster] is de kantonrechter van oordeel dat deze kosten moeten worden gezien als kosten waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten, zodat deze kosten niet voor afzonderlijke vergoeding op de voet van art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW in aanmerking komen. Vergoeding van deze kosten is mitsdien niet aan de orde.

Ten slotte

4.18.

[verweerster] heeft in haar akte nog verzocht om een betalingstermijn van drie maanden na de dag van de beschikking, om zo het nettobedrag van de eindafrekening (waarbij zij uitgaat van een transitievergoeding berekend met inachtneming van de Overbrugginsregeling, en de hiervoor onder 4.15. en 4.16. beoordeelde posten) te kunnen voldoen en een persoonlijk faillissement te voorkomen.

4.19.

Vooropgesteld wordt dat uit de akte van [verweerster] en de antwoordakte van [verzoekster] niet is gebleken dat – anders dan ter zitting door [verweerster] werd voorgehouden – betalingen door [verweerster] zijn verricht die in mindering dienen te strekken op de toe te wijzen bedragen.

4.20.

Alhoewel de bedrijfsactiviteiten van de door [verweerster] gedreven eenmanszaak [handelsnaam] inmiddels zijn beëindigd, ziet de kantonrechter aan de hand van de overgelegde stukken wel degelijk in dat de slechte financiële resultaten daar debet aan waren. Haar situatie was echter (net) niet voldoende nijpend om in aanmerking te komen voor de Overbruggingsregeling, zodat [verweerster] de reguliere transitievergoeding dient te voldoen. Die is uiteraard vele malen hoger dan de transitievergoeding die verschuldigd zou zijn geweest indien [verweerster] wél in aanmerking kwam voor de Overbruggingsregeling. Om deze reden begrijpt de kantonrechter dat [verzoekster] ook voor het geval de reguliere transitievergoeding wordt toegewezen, om betaling van die vergoeding in termijnen heeft verzocht. Dit verzoek wordt gehonoreerd. De zeer kleine onderneming die onder naam [handelsnaam] werd gedreven (zie rechtsoverweging 2.1.), het feit dat die eenmanszaak vanwege slechte financiële resultaten is opgedoekt én het onweersproken vaststaande feit dat [verweerster] haar huis te koop heeft gezet en met de opbrengsten uit die verkoop onder meer deze vorderingen wil voldoen, rechtvaardigen een betaling in termijnen. De wet biedt in art. 7:673c lid 2 BW ook deze mogelijkheid. Ofschoon dit artikel spreekt van ‘onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering’, is in dit geval desalniettemin een analoge toepassing van dit artikellid gerechtvaardigd. Hierna in het dictum zal die veroordeling tot betaling in termijnen nader worden uitgewerkt.

4.21.

Het verzoek om ook de vergoeding van niet genoten vakantie-uren en niet betaalde vakantiebijslag in termijnen te betalen, wordt evenwel niet gehonoreerd. Honorering daarvan zou namelijk miskennen dat deze posten naar hun aard spoedeisend zijn en zien op nakoming van reeds lang opeisbare verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst.

Proceskosten

4.22.

[verweerster] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden verwezen. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden begroot op € 478,00 (€ 78,00 aan griffierecht plus € 400,00 aan salaris gemachtigde). Daarbij is reeds rekening gehouden met het feit dat na de mondelinge behandeling nog een antwoordakte door [verzoekster] is genomen.

4.23.

De kosten voor betekening en (eventuele) executie van deze beschikking, waaronder het leggen van executoriale beslagen, kunnen op dit moment nog niet worden begroot en worden afgewezen. Niet gebleken is dat [verzoekster] blijkens haar omschrijving doelt op nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van de (reguliere) transitievergoeding van € 19.565,67 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
1 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat die transitievergoeding en de daarover verschenen wettelijke rente mag worden voldaan in drie gelijke termijnen, waarbij:

- de eerste termijn van € 6.521,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2017 tot het tijdstip van die eerste termijnbetaling, uiterlijk op 15 april 2017 aan [verzoekster] dient te zijn voldaan;

- de tweede termijn van € 6.521,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2017 tot het tijdstip van die tweede termijnbetaling, uiterlijk op 15 mei 2017 aan [verzoekster] dient te zijn voldaan;

- de derde termijn van € 6.521,89 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2017 tot het tijdstip van die derde termijnbetaling, uiterlijk op 15 juni 2017 aan [verzoekster] dient te zijn voldaan;

5.2.

bepaalt dat wanneer [verweerster] in gebreke blijft met de voldoening van enig hiervoor onder 5.1. omschreven termijnbedrag, inclusief verschenen wettelijke rente over dat termijnbedrag, in verzuim is zonder dat ingebrekestelling is vereist en dat alsdan het gehele nog uitstaande bedrag (inclusief de nog niet verschenen termijnen) direct opeisbaar is;

5.3.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van € 1.898,05 bruto inzake opgebouwde doch niet genoten vakantie-uren;

5.4.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van € 1.321,32 bruto inzake vakantiebijslag;

5.5.

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] gerezen en tot op heden begroot op € 478,00;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. van Unen en is in het openbaar uitgesproken.