Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2371

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
5495049 \ CV EXPL 16-10634
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht voor het sneller maken van een quad. De door gedaagde gestelde prijsafspraak van ongeveer € 2.000,00 is niet komen vast te staan, omdat onder meer uit de overgelegde Whatsappberichten volgt dat ook gedaagde uitgaat van een bedrag van € 4.000,00 tot € 5.000,00.

Volgens artikel 7:405, lid 2 BW is een gebruikelijk of redelijk loon verschuldigd. Gedaagde heeft onvoldoende verweer gevoerd tegen het in rekening gebracht bedrag van € 4.868,16.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5495049 \ CV EXPL 16-10634

Vonnis van de kantonrechter van 15 maart 2017

in de zaak van:

[eisende partij] , h.o.d.n. QUADSERVICE [X],

wonend te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde M.H. Kroep,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. A.W.M. Mans.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de akte overlegging producties door eisende partij

  • -

    de akte overlegging producties door gedaagde partij

  • -

    de comparitie van partijen op 13 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gedaagde partij heeft op 29 juni 2016 een quad naar eisende partij gebracht teneinde werkzaamheden aan het motorblok te verrichten zodat het aantal pk’s werd verhoogd en/of toename in het koppel werd gerealiseerd. Gedaagde partij heeft daarbij een bedrag van € 2.000,00 contant betaald.

2.2.

Bij factuur van 13 juli 2016 heeft eisende partij een bedrag van € 4.868,16 in rekening gebracht. De contante betaling van € 2.000,00 is in deze factuur verwerkt.

De factuur is niet betaald.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 5.504,25 (hoofdsom € 4.868,16, € 24,27 rente en € 611,82 incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.

Eisende partij legt de nakoming van de overeenkomst van opdracht aan de vordering ten grondslag. Bij de totstandkoming van de overeenkomst is een richtprijs afgegeven van ongeveer € 5.000,00. Dit bedrag is gebaseerd op een eerdere ervaring met tuning van een quad van een andere eigenaar. Het merendeel van de in rekening gebrachte uren zijn de uren van de aan derden uitbestede werkzaamheden. Voor de eigen werkzaamheden is slechts een minimaal bedrag berekend. De overige posten zijn materiaalkosten. Eisende partij betwist uitdrukkelijk dat een prijs van € 1.800,00 dan wel € 2.000,00 is afgesproken. Een dergelijk bedrag is reeds met de uitbestede werkzaamheden gemoeid. Alle overige (meer)werkzaamheden zijn in overleg met gedaagde partij verricht. Ter onderbouwing van haar stellingen legt eisende partij diverse producties over, waaronder WhatsApp- en messengerberichten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer met – kort samengevat – de volgende inhoud. Er is een prijsafspraak van € 2.000,00 gemaakt. Voor dit bedrag zouden alle werkzaamheden aan het motorblok worden verricht. Ondanks een uitdrukkelijk verzoek dit niet te doen, heeft eisende partij de cilinderkop geflowd. Eisende partij heeft telefonisch toegezegd de kosten daarvan in mindering te brengen maar dit is niet gebeurd. Verder heeft eisende partij zonder toestemming meerwerk verricht en onderdelen aangeschaft. Er zijn buitensporig veel uren in rekening gebracht. Dit is onredelijk en er is sprake van een opgeschroefde rekening terwijl een onderbouwing ontbreekt. Verder heeft eisende partij niet voldaan aan de opdracht: de quad is niet sneller geworden en is zelfs na korte tijd stuk gegaan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op 13 februari 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij partijen hun stellingen mondeling hebben toegelicht. Partijen verschillen op de eerste plaats van mening over de vraag of een vaste prijs van € 1.800,00 dan wel € 2.000,00 is overeengekomen. Eisende partij heeft aangevoerd dat dit niet het geval is en dat een richtprijs van ongeveer € 5.000,00 is afgegeven, terwijl gedaagde partij de mening is toegedaan dat wel een vaste prijs is afgesproken voor de werkzaamheden.

4.2.

De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde partij niet consistent is in haar stellingen over de prijsafspraak. Waar in de conclusie van antwoord nog wordt uitgegaan van een afgesproken prijs van € 1.800,00 tot € 2.000,00 verklaart gedaagde partij ter zitting dat naast bedoelde bedragen nog verdere kosten in rekening zouden worden gebracht. Dit verdraagt zich niet met het eerder ingenomen standpunt.

Als productie 3 bij akte heeft eisende partij een overzicht van WhatsAppberichten tussen partijen overgelegd. Uit het bericht van 25 juli 2016 van gedaagde partij blijkt dat ook zij uitgaat van een bedrag van € 4.000,00 tot € 5.000,00. Desgevraagd verklaart gedaagde partij ter zitting dat de inhoud van dat bericht juist is, maar dat zij daar thans niet meer mee akkoord gaat omdat er buitensporig is gedeclareerd en de werkzaamheden ook niet goed zijn uitgevoerd.

Nu gedaagde partij zelf over een prijs van € 4.000,00 à € 5.000,00 rept en ook eisende partij een dergelijk bedrag als richtprijs heeft genoemd, zal de kantonrechter hiervan in rechte uitgaan. Verder blijkt uit de handgeschreven tekst op de door gedaagde partij overgelegde pro forma nota dat € 2.000,00 contant is betaald en dat om een rekening is gevraagd zodat deze kon worden voldaan. Ook dit wijst er op dat gedaagde partij er zelf vanuit gaat dat er meer dan € 2.000,00 zou moeten worden betaald.

4.3.

Ter zitting is eveneens komen vast te staan dat gedaagde partij de quad naar eisende partij heeft gebracht met de opdracht “te doen wat nodig” is om deze sneller te maken. Dit is geen duidelijk afgebakende opdracht. Eisende partij heeft aangegeven dat enkel die werkzaamheden zijn verricht die ook daadwerkelijk nodig waren. Het is vervolgens aan gedaagde partij om hiertegen gemotiveerd en onderbouwd verweer te voeren.

4.4.

Uit het verweer van gedaagde partij volgt dat het pijnpunt met name is gelegen in de opgevoerde arbeidsuren. Daarbij stelt gedaagde partij dat met het uitbouwen van een motorblok hooguit 45 minuten gemoeid is. Eisende partij heeft gesteld dat het merendeel van de uren voortvloeit uit de uitbestede werkzaamheden en dat het niet alleen gaat om het uitbouwen van het motorblok maar ook vervolgens uit het uiteen halen en weer in elkaar zetten daarvan en de werkzaamheden die aan de afzonderlijke onderdelen moeten plaatsvinden. De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde partij de stellingen van eisende partij op dit punt niet heeft weerlegd. Het verweer dat gedaagde partij er niet van op de hoogte was dat een aantal werkzaamheden zouden worden uitbesteed, acht de kantonrechter niet relevant. Het is aan eisende partij zelf te bepalen welke werkzaamheden zij zelf verricht en welke zij uitbesteedt.

4.5.

Met betrekking tot de cilinderkop heeft gedaagde partij aangevoerd bij eisende partij te hebben aangegeven dat hieraan geen werkzaamheden mochten worden verricht, aangezien deze kop al geflowd was. Eisende partij heeft dit betwist en heeft aangegeven dat zij enkel die werkzaamheden heeft verricht die nodig waren zoals bijvoorbeeld het monteren van kleppen.

De kantonrechter verwerpt het verweer van gedaagde partij. Niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Indien één en ander zo belangrijk voor gedaagde partij was geweest, had het op de weg van gedaagde partij gelegen deze afspraak schriftelijk vast te leggen of te laten vastleggen. Dit is echter niet gebeurd.

4.6.

Gedaagde partij voert verder aan dat de krukas ten onrechte is vervangen en dat hij de kosten daarvan niet wil dragen. Eisende partij heeft gesteld dat vervanging van zowel de krukas als de drijfstang noodzakelijk was vanwege de sterkere motor. Dit is door gedaagde partij in onvoldoende mate betwist. Het mag dan wel zo zijn dat de oorspronkelijk krukas nog voldoende functioneerde, maar dat dit in dit specifieke geval onvoldoende was. Het had op de weg van gedaagde partij gelegen om dit aan te tonen en het verweer op dit punt van een onderbouwing te voorzien. Dit heeft gedaagde partij nagelaten zodat ook dit verweer geen doel treft.

4.7.

Vast staat dat partijen hebben geen vast loon hebben afgesproken. Gelet op het bepaalde in artikel 7:405, lid 2 BW is gedaagde partij het gebruikelijke loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. Bij factuur van 13 juli 2016 is een bedrag van € 4.868,16 in rekening gebracht. Het is vervolgens aan gedaagde partij om hiertegen gemotiveerd en onderbouwd verweer te voeren. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde partij hierin niet is geslaagd.

Dit leidt er vervolgens toe dat de gevorderde hoofdsom van eisende partij wordt toegewezen, evenals de daarover berekende en gevorderde rente.

4.8.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.9.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.10.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 80,77

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 (2 x tarief € 250,00)

totaal € 803,77

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 5.504,25, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.868,16 vanaf 19 oktober 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 803,77,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: ph