Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2321

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
03/659357-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Poging doodslag. Voorwaardelijk opzet op de dood door met mes tweemaal in bovenlichaam te steken. Beroep op noodweer gehonoreerd. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Verdachte valt een ander aan. Die ander verweert zich zozeer (door verdachte opzettelijk te verwurgen) dat er geen sprake meer is van subsidiariteit en proportionaliteit. Van een noodweer excessituatie is geen sprake. Daarmee is het door de ander toegepaste geweld aan te merken als een wederrechtelijke onmiddellijke aanranding van Verdachtes lijf. Hiertegen mocht hij zich verweren. Het steken voldeed aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659357-16

Parketnummer vordering tul: 03/652069-13

Tegenspraak

Vonnis, bij vervroeging op 15 maart 2017 uitgesproken, van de meervoudige kamer

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. A.C.J. Lina, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, er op neer dat de verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De officier van justitie heeft haar oordeel gebaseerd op de aangifte en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . De officier van justitie is van oordeel dat het steken met een mes in het bovenlichaam het aanmerkelijk risico met zich meebrengt dat als gevolg van die steek vitale organen worden geraakt en dat verdachte met deze handeling de kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] door deze steek zou komen te overlijden. Er is daarom sprake van een poging tot doodslag.

De officier van justitie heeft voorts naar voren gebracht dat uit de aangifte en de verklaringen van de getuigen blijkt dat niet aangever, maar verdachte de agressor was. Verdachte heeft zelf de confrontatie met aangever gezocht en niets stond verdachte in de weg om zich aan de confrontatie te onttrekken. Aan verdachte komt dan ook geen geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces toe.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het procesdossier kan worden vastgesteld dat verdachte met het mes in het bovenlichaam van het slachtoffer heeft gestoken, terwijl verdachte op de grond lag en door het slachtoffer werd gewurgd. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.

De raadsman heeft in dit verband naar voren gebracht – kort weergegeven – dat zich in het gevecht twee te onderscheiden situaties hebben voorgedaan. Situatie 1 betreft het aanvankelijke gevecht tussen verdachte en aangever, waarbij is geworsteld en over en weer is geslagen. Op deze situatie ziet het verweer van de raadsman niet. De tweede situatie begint op het moment dat aangever verdachte bij de nek pakt, op verdachte gaat zitten en diens keel dichtknijpt. In deze tweede situatie is er geen initiatief aan de zijde van verdachte, is het geweld door [slachtoffer] buiten proporties en daarom dient het beroep op noodweer te worden toegewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

[slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) heeft op 24 september 2016 aangifte gedaan van een poging doodslag, gepleegd op diezelfde dag door verdachte. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 24 september 2016 samen met zijn ex-vriendin en zoontje op de kinderkermis in Venlo aanwezig was. Plotseling zag [slachtoffer] dat verdachte op hem af kwam lopen. Verdachte begon hem gelijk met kracht, met een gebalde vuist, tegen zijn gezicht te slaan. Hierop heeft [slachtoffer] zich verweerd, waarbij er een vechtpartij is ontstaan tussen [slachtoffer] en verdachte en er over en weer is geslagen. Op een gegeven moment had [slachtoffer] verdachte in een nekklem, toen [slachtoffer] van omstanders hoorde dat verdachte hem met een mes had gestoken. [slachtoffer] liet verdachte hierop los. Verdachte is toen weggegaan. [slachtoffer] zag dat verdachte een mes in zijn hand hield. Ten gevolge van het steken met het mes is [slachtoffer] met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. De wonden zijn in het ziekenhuis gehecht. Er zijn geen vitale delen geraakt.2

[slachtoffer] heeft een aantal dagen later opnieuw een verklaring bij de politie afgelegd. [slachtoffer] heeft toen verklaard dat hij, nadat er over en weer werd geslagen, verdachte stevig om zijn nek heeft vastgehouden. [slachtoffer] probeerde verdachte ‘in slaap’ te krijgen. [slachtoffer] voelde dat de kracht van verdachte wegviel. [slachtoffer] zag dit ook aan de gelaatsuitdrukking van verdachte. Op dat moment hoorde [slachtoffer] een omstander zeggen dat hij ( [slachtoffer] ) gestoken was. [slachtoffer] liet verdachte daarop los. [slachtoffer] voelde nattigheid aan de rechterzijde van zijn lichaam en zag dat verdachte een mes in zijn linkerhand vasthad. [slachtoffer] hoorde verdachte zeggen dat hij weg wilde. 3

Uit de medische informatie blijkt dat de forensisch geneeskundige C.J. van Leeuwen bij [slachtoffer] twee wonden rechts op de borstkas heeft waargenomen. Deze wonden waren ongeveer 1 tot 2 centimeter groot.4

De getuige [getuige 1] (hierna te noemen: [getuige 1] ) heeft bij de politie een verklaring afgelegd. [getuige 1] was op 24 september 2016 werkzaam in de popcorn- en suikerspinkraam op de kermis in Venlo. Omstreeks 18.45 uur zag [getuige 1] twee personen, op ongeveer twee tot drie meter afstand van de kraam, op de grond liggen. [getuige 1] zag dat deze jongens flink aan het vechten c.q. worstelen waren. Ze hadden elkaar vast en het ging er volgens de getuige hard aan toe. De getuige had het gevoel dat de jongen zonder T-shirt voor zijn leven aan het vechten was. De jongen zonder T-shirt had een snee in zijn zij. [getuige 1] zag voorts dat de andere jongen, die een rood T-shirt droeg, onderop lag. De jongens waren aan het worstelen. [getuige 1] zag dat de jongen zonder T-shirt de jongen met het rode T-shirt met twee handen bij de nek pakte. [getuige 1] zag dat de jongen met het rode T-shirt ineens een mes, of iets wat daarop leek, in zijn hand had en hiermee twee keer in de zij van de andere jongen stak. Na het steken kon de jongen zonder T-shirt los komen, op staan en wegrennen.5

De getuige [getuige 2] (hierna te noemen: [getuige 2] ) heeft eveneens bij de politie een verklaring afgelegd. [getuige 2] was op 24 september 2016 werkzaam in een gebakkraam op de kermis te Venlo. Zij had zojuist gebak aan een jongeman, naar later bleek [slachtoffer] , verkocht. [getuige 2] zag dat een jongen naar [slachtoffer] toeliep. Deze jongen liep met versnelde pas naar [slachtoffer] toe. [getuige 2] zag dat de jongen [slachtoffer] aanvloog, met als gevolg dat beide mannen vielen. [slachtoffer] viel op zijn rug en de andere jongen viel bovenop hem. [getuige 2] zag dat de jongens gingen vechten. Er ontstond een worsteling, waarbij er over en weer werd geslagen. [getuige 2] zag dat beide jongens met hun vuisten sloegen. Ze sloegen elkaar meerdere keren hard in het gezicht en op het bovenlichaam. Op een gegeven moment zag [getuige 2] dat [slachtoffer] boven op het hoofd van de andere jongen ging zitten. [getuige 2] zag dat [slachtoffer] de jongen in een soort houdgreep bij zijn hoofd vasthield. [getuige 2] zag dat de jongens nog steeds aan het vechten waren. Plotseling zag [getuige 2] dat de jongen die onderop lag een mes in zijn hand had. Het was een klein mesje. [getuige 2] zag dat de jongen stekende bewegingen maakte in de zij van [slachtoffer] .6

De getuige [getuige 3] (hierna te noemen: [getuige 3] ) heeft tegenover de politie een verklaring afgelegd. [getuige 3] was op 24 september 2016 werkzaam achter de kassa bij de botsauto’s. [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag hoe een persoon plotseling een ander persoon, met veel tatoeages, aanviel en sloeg. [getuige 3] zag dat beide personen over en weer stevig op elkaar insloegen. Hij zag dat de man met de vele tatoeages de andere man in een verwurging had en dat de man met de tatoeages aan de winnende hand was. [getuige 3] zag vervolgens dat de aanvaller een mes uit zijn zak haalde en hiermee instak op de rechterzij van de man met de tatoeages. Hierna liet de man met de tatoeages de aanvaller los, waardoor deze kon wegrennen. Met de door [getuige 3] bedoelde man met de vele tatoeages wordt [slachtoffer] bedoeld.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 24 september 2016 op de kermis in Venlo aanwezig was. Op de kermis is hij met [slachtoffer] in een handgemeen geraakt. Na een eerste worsteling lag verdachte op de grond en zat [slachtoffer] op hem. Verdachte kreeg geen lucht meer en raakte toen in paniek. Hij probeerde [slachtoffer] van zich af te duwen, onder meer door zijn T-shirt kapot te trekken, maar dit lukte niet. Verdachte voelde zijn bewustzijn verminderen. Verdachte heeft [slachtoffer] op dat moment twee keer met een mes in zijn zij gestoken. Verdachte had het gevoel dat wanneer de verwurging langer had geduurd, hij was komen te overlijden. Toen verdachte opstond voelde hij zich zo slap dat hij bijna niet op zijn benen kon staan. Verdachte droeg een rood T-shirt.8

De verklaringen van bovengenoemde getuigen acht de rechtbank betrouwbaar, nu deze getuigen, in tegenstelling tot de overige getuigen van het voorval, direct na de vechtpartij zijn gehoord en het onafhankelijke getuigen betreft die vanwege hun werk ter plaatse waren en die niet in een directe of indirecte verhouding tot verdachte of aangever staan. Deze getuigen verklaren dat verdachte het initiatief nam tot de vechtpartij, zoals ook aangever heeft verklaard. Dat dit scenario waarschijnlijker is dan het relaas van verdachte die wil doen voorkomen dat het anders is geweest, vindt steun in het procesdossier waarin screenshots zijn opgenomen van berichten via Facebook over en weer tussen verdachte en aangever. Hoewel de taal die over en weer wordt gebezigd kan worden aangemerkt als ronduit agressief, zijn het de berichten van verdachte die uitdagen tot een gevecht en die bedreigend zijn.

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer] zonder directe aanleiding heeft aangevallen. [slachtoffer] heeft zich met worstelen en slaan verweerd tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke inbreuk op zijn lichaam. Hij heeft daarmee noodweer gepleegd. Op enig moment slaagt [slachtoffer] er in om bovenop verdachte te komen. Vervolgens neemt hij welbewust de beslissing om verdachte zo de keel dicht te knijpen dat deze buiten bewustzijn moet raken. Naar eigen zeggen is hij daarin zozeer succesvol dat hij waarneemt dat verdachte begint te verslappen. Daarop steekt verdachte [slachtoffer] tweemaal met een mes in het bovenlichaam. Deze steken blijken niet voldoende te zijn om [slachtoffer] zijn verwurging te laten staken. Pas wanneer hij erop gewezen wordt dat hij is gestoken, staakt hij de verwurging.

Poging tot doodslag dan wel zware mishandeling
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of het door verdachte toegepaste geweld is te duiden als een poging tot doodslag dan wel als een poging tot zware mishandeling.

Een aanwijzing dat verdachte met het mes heeft uitgehaald met de bedoeling aangever aldus van het leven te beroven, ontbreekt. Van bloot, doelbewust opzet aan de kant van verdachte is dan ook geen sprake. De volgende vraag die beantwoording behoeft is of sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door de handelwijze van verdachte zou overlijden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever toen hij tweemaal met een mes in het bovenlichaam van aangever heeft gestoken. De rechtbank overweegt hiertoe dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden, hetgeen algemeen bekend mag worden verondersteld. Wanneer met een mes in een bovenlichaam wordt gestoken, is de kans aanmerkelijk dat die vitale organen geraakt worden en daarmee dodelijk letsel wordt toegebracht. Dergelijke risico’s mogen ook bij verdachte bekend worden verondersteld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet anders kunnen worden geduid dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Noodweer(exces)

De raadsman heeft ter zitting een beroep gedaan op noodweer dan wel op noodweerexces. Voor een succesvol beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast moet sprake zijn van de noodzakelijke verdediging van dat lijf, eerbaarheid of goed (de eis van subsidiariteit) en moet het hierbij toegepaste geweld in verhouding blijven met de aanranding (de eis van proportionaliteit). De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op basis van de hiervoor door de rechtbank vastgestelde gang van zaken is de rechtbank is van oordeel dat er op dat moment waarop verdachte hem aanviel voor [slachtoffer] sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf waartegen hij zich mocht verdedigen. Er is een worsteling ontstaan, waarbij er over en weer werd geslagen. Het geweld dat [slachtoffer] tijdens deze worsteling jegens verdachte heeft toegepast, bestaande uit slaan en schoppen, was gepast en niet in onevenredige mate toegebracht. Het moet dan ook als rechtmatig noodweer worden aangemerkt.

Dat is anders voor de toegepaste verwurging. Niet is gebleken dat deze – op zichzelf beschouwd risicovolle – handeling op dat moment nog noodzakelijk was. Dit geldt temeer nu [slachtoffer] zelf heeft aangegeven dat hij daarmee wilde doorgaan tot verdachte daadwerkelijk bewusteloos zou zijn. [slachtoffer] was inmiddels in zijn uitvoering reeds zover dat hij voelde dat verdachte verslapte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer] hiermee gekozen voor een te zwaar geweldsmiddel (schending van de subsidiariteit) dat hij te lang heeft uitgeoefend (schending van de proportionaliteit).

Uit het procesdossier blijkt voorts dat [slachtoffer] dit buitensporig geweld, zijde de verwurging, niet in een plotselinge opwelling of gemoedstoestand heeft toegepast op verdachte maar dat hij dit welbewust deed om verdachte in elk geval tijdelijk uit te schakelen toen hij boven op verdachte had weten te komen. Om die reden is naar het oordeel van de rechtbank aan de zijde van [slachtoffer] ook geen sprake van noodweerexces.

Nu [slachtoffer] tijdens de verwurging van verdachte niet uit noodweer of noodweerexces heeft gehandeld, betekent dit dat de door [slachtoffer] toegepaste verwurging als wederrechtelijk geweld jegens verdachte is aan te merken. Op het moment van de verwurging ontstond daarmee voor verdachte een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf en bevond verdachte zich in een noodtoestand.

Dan ligt de vraag voor of het handelen van verdachte voldoet aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer. Ook voor verdachte geldt de vraag of het door hem toegepaste geweld, het steken met een mes, geboden was en of het in verhouding stond met het geweld dat op hem werd uitgeoefend. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het enkele gegeven dat verdachte in eerste instantie als agressor kan worden aangemerkt niet op voorhand aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat.

Met betrekking tot de eis van subsidiariteit overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat toen [slachtoffer] op hem zat en met twee handen zijn keel dichtkneep, hij met schoppen en slaan geprobeerd [slachtoffer] van zich af te krijgen. Verdachte heeft hierbij het

T-shirt van [slachtoffer] kapot getrokken. Het lukte verdachte echter niet om [slachtoffer] van zich af te krijgen Verdachte was in het gevecht onderop geraakt en [slachtoffer] zat boven op hem en kneep zijn keel dicht. Hij verslapte reeds. Nu andere geweldsmiddelen onvoldoende bleken om het gevaar voor zijn lijf te keren, stond verdachte geen ander middel open dan het steken met het mes. Daarbij is niet van belang of het nu verdachte is geweest die het mes bij zich had, of dat dat mes van [slachtoffer] afkomstig was.

Met betrekking tot de vraag of de verdediging proportioneel was, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de hiervoor door de rechtbank vastgestelde gang van zaken blijkt dat [slachtoffer] , nadat hij tweemaal was gestoken, nog steeds niet ophield met de verwurging. Hieruit blijkt dat verdachte dit middel niet disproportioneel heeft ingezet. Integendeel, de toegepaste mate van dit geweld had nog niet geleid tot het gewenste resultaat. Toen [slachtoffer] er eenmaal op was gewezen dat hij was gestoken en de verwurging beëindigde, heeft verdachte ook zijn geweldtoepassing gestaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de mate van dit toegepaste geweld proportioneel is geweest.

Dit alles leidt tot de conclusie dat het beroep van verdachte op noodweer slaagt.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 24 september 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes meermalen in diens bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Hoewel dit voor [slachtoffer] geen vrijbrief is geweest om te handelen zoals hij heeft gedaan, neemt de rechtbank het verdachte bijzonder kwalijk dat hij willens en wetens op een kinderkermis een niet mis te verstane confrontatie heeft gezocht met [slachtoffer] in de aanwezigheid van diens kind en andere kinderen.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

ten aanzien van feit 1 primair

Poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van de verdachte

Zoals onder 3.3 is gemotiveerd komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van verdachte op noodweer slaagt. Hij is daarom niet strafbaar.

6 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

6.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.790,46, bestaande uit materiële schade ter hoogte van € 790,46 en immateriële schade ad € 2.000,-, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts vordert de benadeelde partij een vergoeding van de proceskosten ter hoogte van

€ 384,00.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de schadepost ‘ziekenhuis’ voor toewijzing vatbaar. De schadepost ‘kapot T-shirt’ acht de officier van justitie toewijsbaar tot een bedrag ter hoogte van € 25,00. De schadepost ‘schoenen’ acht de officier van justitie toewijsbaar tot een bedrag ter hoogte van € 80,00. Ten aanzien van de immateriële schade acht de officier van justitie een bedrag ter hoogte van € 500,00 toewijsbaar.

6.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich uiterst subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd.

6.4

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de rechtbank de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. Hij zal zich voor wat betreft die vordering tot de civiele rechter kunnen wenden.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van

22 december 2014, gewezen onder parketnummer 03/652069-13. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze vordering aan alle daar krachtens de wet aan te stellen eisen.

Nu verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat verdachte niet strafbaar is en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer] , p/a mr. T. Kemper, LMR Advocaten,

niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03/652069-13

- wijst af de vordering van de officier van justitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. F.L.G. Geisel en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 maart 2017.

Buiten staat

mr. F.L.G. Geisel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 september 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het

leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een

scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal, in diens (boven)lichaam heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 september 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in

elk geval met een scherp voorwerp, meermalen althans eenmaal, in diens

(boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Recherche Nood – Midden Limburg, proces-verbaalnummer 2016177585, gesloten d.d. 8 december 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 102 alsmede de ongenummerde bescheiden.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 24 september 2016, pagina’s 17 en 18.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 27 september 2016, pagina’s 19 tot en met 21.

4 Medische informatie, opgesteld door C.J. van Leeuwen, forensisch geneeskundige, d.d. 10 oktober 2016, pagina 24.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 september 2016, pagina’s 46 en 47.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 24 september 2016, pagina’s 48 en 49.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 september 2016, opgesteld door [persoon] , pagina 50.

8 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 10 maart 2017.