Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2314

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
16-03-2017
Zaaknummer
5343793 cv 16-8632
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij einde arbeidsovereenkomst geen verrekening van loon met (gestelde) leningen aan werknemer. In reconventie komt de kantonrechter niet toe aan bewijslevering van de gestelde lening, in verband met feit dat als rechtsgrond onverschuldigde betaling is opgevoerd. Negatief verlofsaldo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1368
AR-Updates.nl 2017-0299
XpertHR.nl 2017-20000480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5343793 \ CV EXPL 16-8632

Vonnis van de kantonrechter van 15 maart 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

Wonende te [woonplaats eisende partij] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. R.T.G.M. Heijen, ARAG SE,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X ] TOTAL CARGO NEDERLAND B.V.,

statutair gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. P. Berkhoudt, DAS Rechtsbijstand.

Partijen worden hierna [eisende partij] en [X ] B.V. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging van eis

- de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- de zijdens [X ] B.V. op voorhand ingezonden akte overlegging producties

- de op 15 december 2016 gehouden comparitie van partijen

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is van 1 april 2013 tot 31 juli 2016 als expediteur in dienst geweest van [X ] B.V. In deze functie was hij verantwoordelijk voor de in- en verkoop van transportvracht. Bovendien had hij tot taak nieuwe klanten aan te trekken.

[X ] B.V. heeft aan [eisende partij] een creditcard ter beschikking gesteld voor zakelijk gebruik.

2.2.

Tijdens zijn dienstverband bij [X ] B.V. heeft [eisende partij] samen met zijn collega [A] op een gegeven moment een mail gestuurd aan diverse opdrachtgevers, waaronder aan een aantal bedrijven die vielen onder het relatiebeding dat [eisende partij] met zijn vorige werkgeefster was overeengekomen. Een en ander heeft tot gevolg gehad dat die werkgeefster [eisende partij] in rechte heeft aangesproken op overtreding van dat beding en [eisende partij] is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan haar.

2.3.

Voor inning van dat bedrag is vervolgens loonbeslag gelegd onder [X ] B.V., aan welk beslag [X ] B.V. haar medewerking heeft verleend door betalingen te doen aan de deurwaarder.

2.4.

Bij brief van 18 juli 2016 heeft [X ] B.V. aan [eisende partij] bevestigd dat door diens opzegging d.d. 27 juni 2016 zijn dienstverband bij [X ] B.V. zal eindigen op 31 juli 2016. In diezelfde brief is [eisende partij] verzocht om de openstaande schuld van € 7.237,00 uiterlijk 22 juli 2016 te voldoen. Ook is hij verzocht de declaratieformulieren over de periode maart tot en met juni 2016 in te leveren.

2.5.

In zijn e-mail d.d. 21 juli 2016 aan [X ] B.V. heeft [eisende partij] betwist een bedrag schuldig te zijn. Bij brief van 28 juli 2016 aan [X ] B.V. heeft [eisende partij] herhaald geen schuld te hebben en aanspraak gemaakt op uitbetaling van zijn salaris over juli 2016. Hij vraagt tevens om een eindafrekening.

2.6.

In zijn e-mail van 29 juli 2016 geeft [X ] B.V. aan dat de openstaande vordering leningen betreffen.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[eisende partij] vordert in conventie – samengevat en na wijziging - veroordeling van

[X ] B.V. tot:

a. betaling van het salaris over de maand juli 2016 ad € 2.893,91 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2016,

b. betaling van het vakantiegeld over de maanden mei tot en met juli 2016 ad € 463,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2016,

c. verstrekking van een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie waarin de sub a en b te betalen bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00,

d. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 651,07

e. betaling van de wettelijke verhoging over het sub a gevorderde bedrag,

f. de kosten en nakosten van de procedure.

3.2.

[X ] B.V. vordert – samengevat – in reconventie:

a. een verklaring voor recht dat [X ] B.V. een bedrag van € 4.946,10 onverschuldigd heeft betaald aan [eisende partij] ,

alsmede [eisende partij] te veroordelen

b. tot betaling van de te veel genoten vakantiedagen met een waarde van € 577,15 bruto,

c. tot betaling van een bedrag van € 2.549,63 op grond van artikel 6:203 BW (zijnde € 4.946,10 minus € 2.396,47) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016,

d. tot betaling van het bedrag van € 84,31 wegens het oneigenlijk gebruik van de zakelijke creditcard,

e. in de kosten van de procedure, binnen 14 dagen na dit vonnis te voldoen.

Daarnaast voert [X ] B.V. verweer tegen de vordering in conventie.

3.3.

[eisende partij] voert verweer in reconventie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Nu de vorderingen in conventie en reconventie samenhangen zullen zij gezamenlijk worden behandeld.

loon en vakantiegeld

4.2.

[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat hij aan het einde van zijn dienstverband bij [X ] B.V. nog het salaris over juli 2016 (€ 2.893,91 bruto) en het vakantiegeld over de periode mei tot en met juli 2016 (€ 463,20 bruto) te goed had.

[X ] erkent de verschuldigdheid van deze bedragen, die volgens haar in totaal een netto bedrag van € 2.396,47 vertegenwoordigen. De berekening daarvan en het totaalbedrag is verder niet door [eisende partij] betwist, zodat de kantonrechter dat als vaststaand aanneemt. [X ] betwist niet dat zij dit totaalbedrag na het einde van het dienstverband niet aan [eisende partij] heeft uitbetaald.

betalingen

4.3.

[X ] B.V. stelt dat zij aan [eisende partij] een totaalbedrag van € 4.946,10 netto heeft betaald. [X ] B.V. heeft immers aan [eisende partij] danwel aan diens partner in de maanden september 2013 tot en met januari 2014 telkens € 908,20 per maand per bank overgemaakt en daarnaast in juni 2014 een bedrag van € 402,00.

[eisende partij] heeft de ontvangst van deze bedragen niet betwist, zodat de kantonrechter dat ook als vaststaand aanneemt.

4.4.

[X ] B.V. stelt verder dat vanwege het feit dat er beslag lag op het loon van [eisende partij] afgesproken is dat [X ] B.V. aan [eisende partij] de onder 4.3. genoemde betalingen zou doen, om [eisende partij] daarmee toch te laten beschikken over een bedrag gelijk aan zijn reguliere salaris. [X ] B.V. stelt zich daarbij op het standpunt dat deze door haar gedane betalingen geldleningen zijn die terugbetaald moeten worden.

Omdat [X ] B.V. van het totale aan leningen uitbetaalde bedrag van € 4.946,10 maar een netto bedrag van € 2.396,47 aan [eisende partij] verschuldigd is (vanwege loon en vakantiegeld) en dat in conventie wenst te verrekenen, vordert [X ] B.V. in reconventie sub c terugbetaling van een restantbedrag van € 2.549,63 als zijnde onverschuldigd betaald.

[eisende partij] ontkent dat de aan hem gedane betalingen in het kader van een lening zijn verstrekt dan wel dat er sprake is van onverschuldigde betalingen. [eisende partij] stelt dat hij en [X ] B.V. een afspraak hebben gemaakt die inhoudt dat eventuele financiële gevolgen die voor [eisende partij] zouden voortvloeien uit het relatie- en /of concurrentiebeding van Van Lieshouts vorige werkgeefster zouden worden gedragen door [X ] B.V. en door deze zouden worden terugverdiend uit de winst die door toedoen van [eisende partij] zou ontstaan in de onderneming van [X ] B.V.

Dat afgesproken zou zijn dat deze uitgeleende bedragen verrekend zouden worden met de winst van de onderneming wordt door [X ] B.V. ontkend. En al zou die afspraak gemaakt zijn, dan geldt nog dat die leningen terugbetaald moeten worden omdat de onderneming geen winst heeft gemaakt, aldus [X ] B.V.

verrekening loon en vakantiegeld

4.5.

Naar het oordeel van de kantonrechter zijn partijen het er over eens dat [X ] B.V. aan [eisende partij] nog een bedrag van € 3.357,11 bruto, zijnde € 2.396,47 netto, aan loon en vakantiegeld dient te voldoen, zodat dat bedrag in conventie in beginsel toewijsbaar is. In conventie doet [X ] B.V. echter uitdrukkelijk een beroep op verrekening van dit bedrag met een tegenvordering die [X ] B.V. op [eisende partij] stelt te hebben. Conform het bepaalde in artikel 6: 136 BW kan van een succesvol beroep op verrekening slechts sprake zijn indien deze tegenvordering erkend wordt door de wederpartij, dan wel deze op eenvoudige wijze is vast te stellen. Zowel dat eerste als dat laatste is naar het oordeel van de kantonrechter in casu niet het geval. [eisende partij] betwist immers het bestaan van een tegenvordering en deze tegenvordering kan vooralsnog enkel worden afgeleid uit (tegenstrijdige) verklaringen van de daarbij betrokken partijen, zodat bewijslevering van het bestaan daarvan nog noodzakelijk is. Daarmee is de gestelde tegenvordering dus niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat het door [X ] B.V. gedane beroep op verrekening dient te worden gepasseerd. Voornoemd totaalbedrag zal dan ook worden toegewezen.

onverschuldigde betaling

4.6.

In reconventie is onder a. aan de orde de gevorderde verklaring voor recht dat [X ] B.V. het bedrag van € 4.946,10 onverschuldigd heeft voldaan aan [eisende partij] . Deze verklaring voor recht is gegrond op het bepaalde in artikel 6:203 BW dat spreekt over het “zonder rechtsgrond geven van een goed door de een aan de ander”. [X ] B.V. heeft deze vordering echter onderbouwd door te stellen dat er wél een rechtsgrond aanwezig was, namelijk een tussen partijen gemaakte afspraak, inhoudende betaling door [X ] B.V. aan [eisende partij] ter compensatie van de gelegde beslagen.

Dat er een betalingsafspraak bestond is door [eisende partij] erkend, zodat er daarmee naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake kan zijn van het “zonder rechtsgrond geven”. Met andere woorden: er is geen sprake van onverschuldigdheid.

Dat partijen van mening verschillen over het vervolg van die betalingen (lenen danwel geen lening c.q. terugbetalen naderhand of niet) doet immers aan de afspraak om die bedragen te betalen niet af. Dat die betaalde bedragen [eisende partij] niet toekomen, in de optiek van [X ] B.V. , vloeit voort uit haar standpunt dat er sprake is van een lening, en dat die bedragen ‘retour moeten’ naar [X ] B.V. en daarmee gevoelsmatig onverschuldigd zijn, is een andere kwalificatie dan het juridisch onverschuldigd zijn. Een verklaring voor recht dat er sprake is van een lening, is echter niet ingesteld. Nu ook de onder c gevorderde restantbetaling uitdrukkelijk is gegrond op onverschuldigde betaling, terwijl wel erkend is dat die rechtsgrond aanwezig was, dienen de reconventionele vorderingen sub a en c te worden afgewezen.

verlofuren

4.7.

In reconventie zijn partijen het er over eens dat [eisende partij] in 2016, tot het einde van zijn dienstverband recht had op 93,33 verlofuren.

[X ] B.V. vordert in reconventie [eisende partij] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 577,15 bruto vanwege 32 uur te veel genoten verlof. Volgens [eisende partij] heeft hij echter maar 18,67 uur te veel verlof genoten, doch dat negatieve verlofsaldo mag volgens hem niet worden verrekend omdat het niet schriftelijk is overeengekomen.

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] heeft verwezen naar jurisprudentie waarin is vastgelegd dat een werknemer het negatieve verlofsaldo niet hoeft te vergoeden aan zijn ex-werkgever bij het einde van het dienstverband, tenzij zulks uitdrukkelijk schriftelijk is overeengekomen. [X ] B.V. heeft een en ander niet weersproken, doch enkel (ter comparitie) daartegenover gesteld dat zij haar werknemers vrij liet in de administratie van het door hen opgenomen verlof en zij het thans onredelijk zou vinden daar de eventuele negatieve gevolgen van te moeten dragen.

Niet gebleken is dat partijen schriftelijke afspraken hebben gemaakt over hoe om te gaan met een negatief verlofsaldo. Gebleken is verder dat, nadat [eisende partij] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd (bij brief van 27 juni 2016) hij nog een aantal dagen verlof heeft genomen, te weten van 27 juni 2016 tot en met 30 juni 2016, op 1, 4 en 5 juli 2016 alsmede van 25 tot 29 juli 2016. Gelet op het in zicht zijnde einde van de arbeidsovereenkomst, had [X ] B.V. het opnemen van deze vakantie wel degelijk (al dan niet gedeeltelijk) kunnen verhinderen en daarmee voorkomen dat er een negatief saldo aan verlofuren zou ontstaan. Mede bezien tegen deze omstandigheid, dient de vordering tot vergoeding van het negatieve vakantiesaldo te worden afgewezen.

creditcard

4.8.

[X ] B.V. heeft in reconventie betaling van een bedrag van € 84,31 wegens het oneigenlijk gebruik van de zakelijke creditcard gevorderd. [eisende partij] heeft immers op 12 juni 2016 voor dat bedrag getankt in zijn woonplaats [woonplaats eisende partij] zonder daarvoor zakelijke kilometers te hebben gemaakt. Klantrapporten die die zakelijke kilometers ondersteunen, ontbreken immers.

[eisende partij] stelt ter zitting dat hij in de week waarin hij getankt heeft met de hem door zijn werkgeefster verstrekte creditcard, twee zakelijke ritten met zijn privé auto heeft gemaakt. Hij heeft vaker zakelijk kilometers afgelegd met zijn auto doch die niet telkens gedeclareerd. Hem is nooit om klantrapporten verzocht.

De kantonrechter stelt vast dat [eisende partij] het gebruik van de credit-card erkend. Het mag van de werknemer verwacht worden dat hij voor het gebruik van een hem zakelijk verstrekte credit-card verantwoording aflegt tegenover zijn werkgeefster. De kantonrechter is echter in casu niet gebleken dat deze benzine besteed is aan zakelijke kilometers. [eisende partij] heeft dat immers niet onderbouwd. Ook de data waarop hij bedrijven zou hebben bezocht (op 6 juni 2016 en 9 juli 2016 zoals zijn conclusie van antwoord in reconventie vermeld) stroken niet met de datum van het gebruik van de creditcard op 12 juni 2016. Nu een naar het oordeel van de kantonrechter afdoende verklaring c.q. verantwoording ontbreekt en het zakelijke karkater van het gebruik niet kan worden vastgesteld, dient ervan uit gegaan te worden dat het gebruik een privé karakter heeft gehad en dient de vordering te worden toegewezen.

wettelijke rente

4.9.

[eisende partij] heeft in conventie wettelijke rente gevorderd over het loon en het vakantiegeld. Nu deze bedragen verschuldigd zijn doch nog niet c.q. niet tijdig zijn voldaan, is [X ] B.V. in verzuim en is de gevorderde rente mitsdien toewijsbaar.

bruto/netto specificatie

4.10.

Verder heeft [eisende partij] sub c verstrekking van een bruto/netto specificatie gevorderd. Gebleken is dat door [X ] B.V. als productie 4 bij haar conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie een specificatie in het geding is gebracht waarop het salaris over juli 2016 en vakantiegeld staan vermeld. De vordering terzake zal dan ook worden afgewezen.

buitengerechtelijke kosten

4.11.

[eisende partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het ter zake gevorderde bedrag wordt toegewezen.

wettelijke verhoging

4.12.

Tenslotte heeft [eisende partij] de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW gevorderd. Nu er sprake is van te late betaling en er geen expliciet verweer tegen deze vordering is gevoerd, acht de kantonrechter deze vordering toewijsbaar.

proceskosten

4.13.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is [X ] B.V. aan te merken als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij dient dan ook in de kosten van deze procedure te worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:

- dagvaarding € 105,08

- griffierecht 223,00

- salaris gemachtigde 375,00 (2,5 x tarief € 150,00)

totaal € 703,08,

waarbij van de gevorderde verschotten slechts eenmaal de kosten Kamer van Koophandel worden toegekend en de kosten terzake “BRP informatie” worden afgewezen, nu niet gebleken is dat deze informatie noodzakelijk was voor één besloten vennootschap als gedaagde.

[X ] B.V. zal eveneens in de nakosten worden veroordeeld, die conform de aanbevelingen van het LOVCK&T worden vastgesteld als hierna opgenomen.

4.14.

Hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht kan als niet (langer) ter zake doende verder buiten beschouwing blijven.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [X ] B.V. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen:

- het salaris over de maand juli 2016 ad € 2.893,91 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 augustus 2016,

- het vakantiegeld over de maanden mei tot en met juli 2016 ad € 463,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 september 2016,

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 50% over de hiervoren toegewezen bedragen,

- de buitengerechtelijke incassokosten ad € 651,07,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X ] B.V. te betalen een bedrag van € 84,31,

5.3.

veroordeelt [X ] B.V. in de proceskosten aan de zijde van [eisende partij]

gevallen en tot op heden begroot op € 703,08,

veroordeelt [X ] B.V. onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [eisende partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 75,00 [ half punt toepasselijk liquidatietarief, met een maximum van € 100,--] aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: mjp

coll: