Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2258

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
5522719/AZ/16-417 13032017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Weging van de getuigenverklaringen. Samenhangende verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1315
AR-Updates.nl 2017-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5522719 \ AZ VERZ 16-417

Beschikking van de kantonrechter van 13 maart 2017

in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonend [adres verzoekende partij] ,

[woonplaats verzoekende partij] ,

gemachtigde mr. B.M.M. Custers, DAS Rechtsbijstand,

verzoekende partij in het verzoek, verwerende partij in het zelfstandig verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CO-FLEX B.V.,

statutair gevestigd te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede,

de besloten vennootschap met beperkte aanspraklijkheid CO-FLEX SUPPORT B.V.,

statutair gevestigd te Maastricht,

gemachtigde mr. M.E.J. van den Brand,

verwerende partij in het verzoek, verzoekende partij in het zelfstandig verzoek.

Partijen zullen hierna [verzoekende partij] en Co-Flex worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 17 november 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties,

- het op 3 februari 2017 ontvangen verweerschrift, tevens houdend een zelfstandig verzoek ex artikel 7:686a lid 3 BW, met producties

- de op 9 februari 2017 ontvangen productie 9 zijdens Co-Flex,

- de op 10 februari 2017 ter griffie ontvangen herziene versie van het verzoekschrift tevens aanvullende producties 8 tot en met 12,

- de mondelinge behandeling d.d. 13 februari 2017.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij] , geboren op [geboortedag verzoekende partij] 1957, is op 1 augustus 2010 bij Co-Flex in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van Commercieel Directeur tegen een salaris van

€ 7.000,00 bruto per maand. [verzoekende partij] was werkzaam op de vestiging Elsoo van Co-Flex.

2.2.

Op 19 september 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] en de directie van Co-Flex, de heren [A] en [B] . Onderwerp van gesprek was de wijze van functioneren van [verzoekende partij] . Tijdens dit gesprek is aan [verzoekende partij] medegedeeld dat Co-Flex de arbeidsovereenkomst met hem wenste te beëindigen.

2.3.

Aan het einde van het gesprek heeft er een schermutseling plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] en [B] , waarbij [B] gewond is geraakt aan zijn bovenlip.

[B] is naar het ziekenhuis gegaan waar zijn bovenlip is gehecht.

2.4.

Bij brief van 21 september 2016 deelt Co-Flex aan [verzoekende partij] mee dat hij per

19 september 2016 op staande voet is ontslagen.

In haar ontslagbrief vermeldt Co-Flex als reden voor het ontslag op staande voet:

‘Dit ontslag is een direct gevolg van het toepassen van fysiek geweld aan een van de directeuren, zijnde de heer [B] , van de vennootschap, in het bijzijn van de heer [A] .U heeft hem met een vuistslag tegen de grond hebt geslagen. Daarna bent u doorgegaan met slaan en heeft hem nog enkele malen geslagen. Er zijn toen medewerkers de kamer in komen rennen en omstanders hebben ervoor gezorgd dat u gestopt werd.

Hierbij is sprake geweest van het aanbrengen van dusdanig letsel, dat de heer [B] zich onder medische behandeling heeft moeten stellen en naar de eerste hulp van het ziekenhuis is gegaan. Vervolgens heeft de heer [B] aangifte gedaan bij de politie.’

3 Het geschil

3.1.

[verzoekende partij] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    Co-Flex te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan [verzoekende partij] ter hoogte van € 30.000,00,

  • -

    Co-Flex te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verzoekende partij] ter hoogte van € 15.120,00 bruto,

  • -

    Co-Flex te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter hoogte van € 17.892,00 bruto als gevolg van de onregelmatige opzegging van het dienstverband,

  • -

    Co-Flex te veroordelen tot het opmaken en uitbetalen van een reguliere eindafrekening aan [verzoekende partij] , uit hoofde waarvan [verzoekende partij] aanspraak maakt op een bedrag van € 2.034,67 bruto aan pro rata vakantiegeld en een bedrag van € 1.911,72 bruto uit hoofde van resterende verlofaanspraken,

  • -

    Co-Flex te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2.

Co-Flex heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt door Co-Flex verzocht [verzoekende partij] te veroordelen om aan Co-Flex te betalen een bedrag van € 10.258,97, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede [verzoekende partij] de veroordelen in de kosten van de procedure.

3.4.

[verzoekende partij] heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat [verzoekende partij] geen verweer heeft gevoerd tegen de stelling van Co-Flex dat Co-Flex Support B.V. inmiddels als werkgever van [verzoekende partij] heeft te gelden. Dit betekent dat [verzoekende partij] in zijn verzoeken, voor zover deze tegen Co-Flex B.V. zijn gericht, niet ontvankelijk zal worden verklaard.

Het verzoek van [verzoekende partij] tot toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (BW)

4.2.

[verzoekende partij] heeft het onderliggende verzoek tijdig ingediend, omdat dit is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door Co-Flex is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.3.

[verzoekende partij] berust in de beëindiging van het dienstverband. Hij is echter van mening dat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de wettelijke vereisten, als gevolg waarvan Co-Flex het dienstverband heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. [verzoekende partij] verzoekt in dat verband dan ook om toekenning van een billijke vergoeding. Co-Flex stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoekende partij] moet worden afgewezen omdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd door het ontslag op staande voet.

4.4.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor Co-Flex als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoekende partij] , die ten gevolge hebben dat van Co-Flex redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoekende partij] , zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.5.

De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 21 september 2016 dat [verzoekende partij] zich schuldig zou hebben gemaakt aan het plegen van fysiek geweld tegen een van de directeuren van Co-Flex, de heer [B] .

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat de verklaringen van partijen over de toedracht van het voorval haaks op elkaar staan.

[verzoekende partij] stelt zich op het standpunt dat hij aan het einde van het gesprek op 19 september 2016 is opgestaan, zijn laptop en telefoon in zijn tas heeft gestopt, en dat hij vervolgens het kantoor wenste te verlaten. Hij liep tussen [B] en [A] door toen [B] [verzoekende partij] vroeg om zijn pinpas en creditcard af te geven.

[verzoekende partij] plaatste vervolgens zijn tas rechts naast zich op de grond om zijn beurs uit de rechter binnenzak van zijn colbertjasje te pakken. [B] zat op dat moment in een stoel tussen de tafel en muur links van [verzoekende partij] . [A] stond inmiddels rechts naast [verzoekende partij] . Uit het niets greep [A] naar de tas van [verzoekende partij] die op de grond stond. In een reflex greep [verzoekende partij] eveneens naar zijn tas, waarna er een getrek aan de tas ontstond.

Op ditzelfde moment zag [verzoekende partij] vanuit zijn ooghoek [B] op zich afkomen. [verzoekende partij] , bij wie op enig moment in het verleden een pacemaker is geplaatst, voelde zich bedreigd. Dit mede gezien de angst voor een klap of duw tegen zijn pacemaker. [verzoekende partij] heeft vervolgens getracht door middel van het maken van een afwerende beweging met zijn linkerarm [B] bij zich weg te houden en in elk geval zijn pacemaker te beschermen. [B] is als gevolg van de afwerende beweging van [verzoekende partij] tussen de tafel en de stoelen gevallen. Doordat [A] vervolgens de tas van [verzoekende partij] los liet is [verzoekende partij] ook naar links gevallen en bevond hij zich binnen het bereik van [B] . Deze maakte schoppende bewegingen waardoor [verzoekende partij] een paar ferme trappen tegen zijn benen moest incasseren. Hierna heeft [verzoekende partij] de ruimte verlaten.

4.7.

Co-Flex geeft een heel andere visie op het voorval en stelt het volgende.

Aan het einde van het gesprek op 19 september 2016, welk gesprek plaatsvond op de werkkamer van [verzoekende partij] , heeft [B] aan [verzoekende partij] gezegd dat hij wordt ontslagen en dat hij daarover de volgende dag een brief zou ontvangen. Vervolgens heeft [B] aan [verzoekende partij] meegedeeld dat hij met de bedrijfsauto naar huis kon gaan, maar heeft hem wel gevraagd om de zakelijke creditcard en bankpas van Co-Flex in te leveren.

In de kamer van [verzoekende partij] staat een bureau met daarvoor, los staand, een vergadertafel, aldus Co-Flex. Tijdens de bespreking zat [verzoekende partij] rechts naast [A] , en [B] zat aan de andere zijde van de vergadertafel. [verzoekende partij] is toen hij hoorde van zijn ontslag naar zijn bureau gelopen om zijn portemonnee (in elk geval zijn spullen) te pakken. Vervolgens is hij vanaf zijn bureau naar de zijde van de tafel gelopen waar [B] zat. [verzoekende partij] is dreigend voor [B] gaan staan en heeft hem twee keer gevraagd of [B] bij zijn besluit bleef hem te ontslaan. [B] heeft twee keer bevestigend geantwoord.

Vervolgens heeft [verzoekende partij] uitgehaald en heeft [B] zo hard met zijn vuist geslagen dat deze uit zijn stoel viel. Ook toen [B] op de grond lag, is [verzoekende partij] hem blijven slaan. Medewerkers van Co-Flex hoorden het kabaal en hoorden [A] hard “ [X] ! [X] !” schreeuwen. Zij zijn toen snel de kamer ingegaan. De dochter van [verzoekende partij] , ook werkzaam bij Co-Flex, schreeuwde: “Pap niet doen!”. Medewerker [F] heeft [verzoekende partij] van [B] af moeten trekken. [B] is toen de kamer uitgegaan. Even later is [verzoekende partij] hem achterna gekomen en heeft gevraagd of hij nog een klap wilde. Medewerkers zijn er toen tussen gesprongen. Niet veel later heeft [verzoekende partij] het pand verlaten.

[B] bloedde hevig en is naar het ziekenhuis gegaan, waar zijn bovenlip is gehecht.

4.8.

De verklaring van [verzoekende partij] met betrekking tot de toedracht wordt ondersteund door de verklaring van zijn dochter, mevrouw [C] (productie 9 verzoekschrift).

Zij heeft verklaard dat zij op 19 september 2016 op het kantoor van [D] bij het planbord zat te werken. Dat kantoor had geen zicht op het kantoor van [verzoekende partij] .

Toen zij de stemmen van [B] en [A] op een gegeven moment erg hard hoorde, vond zij het beter om op haar eigen werkplek te gaan zitten. Door de spleetjes in de raamfolie heeft zij zicht op het kantoor van [verzoekende partij] . Zij hoorde aan de geluiden dat er geruzie was in het kantoor. Toen zij door de spleet in de raamfolie keek, zag zij dat [A] aan de tas van [verzoekende partij] zat te trekken en dat [B] opstond en in de richting van [verzoekende partij] stapte. [B] keek erg boos, [verzoekende partij] duwde hem weg en [B] lag in een keer tussen de stoelen en de muur. Ze is vervolgens het kantoor binnen gerend, zag dat [B] al liggend stampte tegen de benen van [verzoekende partij] , en heeft geroepen dat hij moest stoppen.

4.9.

Co-Flex heeft ter staving van haar visie op het voorval onder meer verklaringen van twee van haar werknemers overgelegd, de hierboven reeds genoemde [D] en mevrouw [E] . Beiden hebben verklaard dat de dochter van [verzoekende partij] bij [D] op het kantoor stond toen zij plotseling [A] “ [X] … [X] ” hoorden schreeuwen. De dochter van [verzoekende partij] is toen naar het kantoor van haar vader gelopen en beide getuigen hoorden haar roepen “Pap niet doen”.

Beide getuigen hebben verklaard dat [B] korte tijd later het kantoor van [D] binnen kwam met een bebloed overhemd. [D] heeft nog verklaard dat [B] een gescheurde bovenlip had. Beiden hebben eveneens verklaard dat vervolgens [verzoekende partij] het kantoor van [D] binnen kwam gelopen en aan [B] vroeg “Wil je er nog een?”.

[F] heeft [verzoekende partij] vervolgens meegenomen, zo blijkt uit de beide getuigenverklaringen.

4.10.

Bij de weging van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard betrekt de kantonrechter het volgende.

De kantonrechter concludeert dat de verklaring van de dochter van [verzoekende partij] niet overeenstemt met de verklaring van [D] en [E] . Gelet op de relatie dochter – vader en de daaruit mogelijk voortvloeiende loyaliteitsproblematiek hecht de kantonrechter meer geloof aan de verklaringen van [D] en [E] . De stelling van de dochter dat zij aan haar eigen bureau zat en door de spleetjes van de raamfolie een en ander heeft kunnen waarnemen, is dan ook niet komen vast te staan. Daarmee komt aan haar verklaring met betrekking tot de gebeurtenissen geen waarde meer toe.

4.11.

Als niet weersproken is naar het oordeel van de kantonrechter komen vast te staan dat [B] een scheur in zijn lip heeft opgelopen. Dat is gebeurd doordat [verzoekende partij] hem heeft weggeduwd waardoor hij is gevallen, aldus [verzoekende partij] , of doordat [verzoekende partij] vol heeft uitgehaald en hem twee keer in het gezicht heeft geslagen, aldus [B] .

De kantonrechter acht het ongeloofwaardig dat door een afwerende beweging in de vorm van een duw een scheur in een lip kan ontstaan. Een bloedende lip lijkt eerder het gevolg te zijn van een slag. Het zou nog zo kunnen zijn dat [B] als gevolg van de duw ongelukkig is gevallen en met zijn lip op een tafelrand of stoel is terecht gekomen, waardoor de scheur in de lip is ontstaan. Maar deze toedracht strookt naar het oordeel van de kantonrechter niet met de verklaringen van de getuigen die hebben gehoord dat [verzoekende partij] aan [B] vroeg: “Wil je er nog een?”. De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat [verzoekende partij] [B] in het gezicht heeft geslagen.

4.12.

[verzoekende partij] heeft er nog op gewezen dat de diverse getuigenverklaringen van de zijde van Co-Flex niet stroken met elkaar. Daarom zouden deze onbetrouwbaar zijn. Zo staat onder punt 16 van het verweerschrift dat medewerker [F] [verzoekende partij] van [B] heeft moeten aftrekken terwijl [B] ten overstaan van de politie heeft verklaard dat [F] én Ralph [A] [verzoekende partij] bij hem weg trokken. Nu wordt volgens [verzoekende partij] door Co-Flex gesteld dat [F] niets heeft gezien terwijl [F] dit zelf ook heeft verklaard.

De kantonrechter stelt vast dat uit de verklaring van [F] bij de politie volgt dat [F] inderdaad geen getuige is geweest van het voorval, maar dat hij wel [B] bebloed uit het kantoor heeft zien lopen en [verzoekende partij] vervolgens heeft horen zeggen “Waar is hij, dan krijgt hij nog een paar klappen”. [F] verklaart dat hij [verzoekende partij] vervolgens heeft tegengehouden. Deze verklaring strookt weliswaar niet met de verklaring van [B] , maar wel met de verklaring van [D] en [E] .

Wat daarvan ook moge zijn, van elkaar afwijkende details in getuigenverklaringen zijn niet ongebruikelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat het menselijk waarnemingsvermogen beperkt is, zeker als zich in een “split-second” een volkomen onverwachte situatie voordoet. Vaak worden er dan verschillende details waargenomen. Dat getuigenverklaringen op details niet geheel stroken met elkaar vormt dan ook eerder een aanwijzing dat er sprake is van eerlijke verklaringen dan van het tegendeel. Waar het om gaat is dat op hoofdlijnen gelijkluidend wordt verklaard en daarvan is hier sprake. Verder is er niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan er gegronde reden zou bestaan om te twijfelen aan de waarheid van hetgeen deze getuigen hebben verklaard.

De kantonrechter komt op grond van de stellingen van partijen en de door hen in het geding gebrachte verklaringen tot het oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat [verzoekende partij] [B] welbewust een klap in het gezicht heeft gegeven.

4.13.

Het complex van voornoemde feiten en omstandigheden levert naar het oordeel van de kantonrechter voldoende grond op voor een ontslag op staande voet.

De kantonrechter acht het gebruiken van fysiek geweld tegen een werkgever zodanig ernstig dat Co-Flex in redelijkheid kon beslissen dat van haar niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] te laten voortduren. Het vorenstaande brengt met zich dat naar het oordeel van de kantonrechter het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en standhoudt.

4.14.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [verzoekende partij] een billijke vergoeding kan toekennen indien Co-Flex heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en dit ontslag op staande voet aldus heeft geleid tot een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zal het verzoek van [verzoekende partij] tot toekenning van een billijke vergoeding worden afgewezen. Er is immers geen sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er ook geen grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. De gevorderde vergoeding op grond van onregelmatige opzegging mist derhalve eveneens een grondslag en zal eveneens worden afgewezen. Omdat in casu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekende partij] , kan ook geen transitievergoeding aan [verzoekende partij] ten laste van Co-Flex worden toegekend.

4.15.

[verzoekende partij] verzoekt ten slotte om Co-Flex te veroordelen tot het opmaken en uitbetalen van een reguliere eindafrekening aan [verzoekende partij] , uit hoofde waarvan [verzoekende partij] aanspraak maakt op een bedrag van € 2.034,67 bruto aan pro rata vakantiegeld, en een bedrag van € 1.911,72 bruto uit hoofde van resterende verlofaanspraken.

De kantonrechter stelt vast dat Co-Flex deze vordering van [verzoekende partij] niet betwist maar een beroep doet op verrekening met haar tegenverzoek tot betaling van € 10.258,97.

Op zich is verrekening bij het einde van het dienstverband mogelijk. Daarvoor moet echter wel aan de vereisten voor verrekening zijn voldaan, zoals het vast staan van de omvang van de vordering. Nu [verzoekende partij] de vordering van Co-Flex gemotiveerd betwist is hiervan geen sprake. Het beroep op verrekening zal dan ook worden afgewezen.

Weliswaar heeft Co-Flex ook zelfstandig een vordering ingediend tot betaling van genoemd bedrag ad € 10.258,97 – en daarmee verzocht de omvang van de vordering van Co-Flex op [verzoekende partij] vast te stellen - maar om de hierna te noemen redenen is de kantonrechter van oordeel dat er voor beoordeling van deze vordering in deze procedure geen plaats is.

Het zelfstandig verzoek van Co-Flex: [verzoekende partij] te veroordelen tot betaling van € 10.258,97

4.16.

Co-Flex stelt zich op het standpunt dat zij in het kader van een privé-kwestie van [verzoekende partij] een bedrag aan hem heeft geleend van in totaal € 10.258,97. Dit bedrag bestaat uit het bedrag van een getroffen schikking ad € 5.0000, welk bedrag aan het CJIB is betaald alsmede uit de kosten van de door [verzoekende partij] ingeschakelde advocaat ad € 5.258,97. Co-Flex stelt deze bedragen te hebben voorgeschoten. Nu de arbeidsovereenkomst tot een einde is gekomen, is dit volgens Co-Flex het ultieme moment om terugbetaling van [verzoekende partij] te vorderen.

[verzoekende partij] heeft ter zitting aangevoerd dat het bedrag in 2013 reeds als bonus in de boeken is verwerkt, hetgeen ter zitting door Co-Flex is betwist. Daarnaast stelt [verzoekende partij] dat over deze vordering van Co-Flex nooit eerder is gesproken en vindt hij het vreemd dat deze één week voor de zitting plots boven water komt.

4.17.

Artikel 7:686a lid 3 biedt de mogelijkheid om in het geval van een vordering die op het in, bij of krachtens het in Boek 7, titel 10 afdeling 9 bepaalde is gebaseerd een daarmee verband houdende andere vordering met een verzoekschrift in te dienen. Anders gezegd, in een procedure die gaat over het einde van de arbeidsovereenkomst kan een daarmee samenhangende vordering eveneens aan de orde komen.

Deze bepaling is bewust ruim geformuleerd zodat veel onderwerpen onder deze mogelijkheid vallen en meegenomen kunnen worden in een procedure over het einde van het dienstverband. Maar deze mogelijkheid is niet onbeperkt. Als voorbeelden van vorderingen die kunnen worden meegenomen worden onder andere genoemd vorderingen wegens achterstallig loon, een concurrentiebeding en (terug) betaling van een toegekende transitievergoeding. Hoewel deze opsomming niet alles omvattend is maakt ze wel duidelijk waaraan de wetgever denkt, namelijk vorderingen die hun oorsprong vinden in de arbeidsrechtelijke verhouding tussen partijen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de vordering van Co-Flex echter niet gestoeld op de arbeidsrechtelijke verhouding tussen partijen.

4.18.

Co-Flex stelt dat zij voor [verzoekende partij] een boete heeft betaald en dat ze de kosten van zijn advocaat heeft voldaan. Letterlijk stelt zij: “Deze kosten hebben niets te maken met de uitvoering van het werk van [verzoekende partij] , het betreft een privé-kwestie waar Co-Flex niets mee van doen heeft”. Zo bezien is sprake van een lening die Co-Flex met een ieder aangegaan zou kunnen zijn, een arbeidsrechtelijke grondslag is niet aan de orde. Het feit dat Co-Flex de lening wellicht aan [verzoekende partij] heeft willen verstrekken omdat deze een werknemer van haar is maakt dat niet anders. Daardoor is er immers nog steeds geen sprake van een arbeidsrechtelijke grondslag. De conclusie is dan ook dat deze vordering geen verband houd met het einde van de arbeidsovereenkomst.

4.19.

De vordering van Co-Flex is een geldvordering die bij dagvaarding aanhangig had moeten worden gemaakt.

De kantonrechter zal ingevolge artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Co-Flex in de gelegenheid stellen om haar inleidende processtuk te verbeteren en/of aan te vullen en zal bevelen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank van woensdag 12 april 2017.

Nu [verzoekende partij] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 13 februari 2017 reeds mondeling op de eis van Co-Flex heeft gereageerd, hoeft hij niet meer bij exploot in deze procedure te worden opgeroepen om te verschijnen. Hij zal wel na indiening van het aangepaste inleidende processtuk in de gelegenheid worden gesteld om nader inhoudelijk op de eis te antwoorden.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Inzake het verzoek van [verzoekende partij]

4.20.

Het verzoek van [verzoekende partij] tot het opmaken en uitbetalen van de eindafrekening is door Co-Flex niet betwist en zal worden toegewezen.

4.21.

In de uitkomst van de procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

Inzake de verzoeken van [verzoekende partij]

5.1.

verklaart [verzoekende partij] niet-ontvankelijk in zijn verzoeken, voor zover deze tegen

Co-Flex B.V. zijn gericht,

5.2.

veroordeelt Co-Flex Support B.V. tot het opmaken en uitbetalen van een reguliere eindafrekening aan [verzoekende partij] , uit hoofde waarvan [verzoekende partij] aanspraak maakt op een bedrag van € 2.034,67 bruto aan pro rata vakantiegeld en een bedrag van € 1.911,72 bruto uit hoofde van resterende verlofaanspraken,

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af,

5.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Inzake het verzoek van Co-Flex tot betaling van € 10.258,97

5.6.

beveelt dat Co-Flex Support B.V. op haar kosten overgaat tot verbetering en/of aanvulling van het inleidende processtuk en stelt Co-Flex Support B.V. daarbij in de gelegenheid om haar stellingen zo nodig aan te passen aan de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels,

5.7.

beveelt dat de procedure, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,

5.8.

verwijst de zaak naar de rol van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank van woensdag 12 april 2017,

5.9.

beveelt Co-Flex Support B.V. om een afschrift van het aangepaste processtuk te doen toekomen aan [verzoekende partij] ,

5.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: em

coll: