Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2220

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
5664602 AZ VERZ 17-8
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De werknemer verzoekt om een transitievergoeding. De arbeidsovereenkomst heeft exact 24 maanden geduurd. Ingevolge art. 7:673 lid 1 BW heeft de werknemer recht op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft.

Volgens de werkgever bestaat eerst recht op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst langer dan 24 maanden geduurd heeft. Deze onjuiste uitleg van art. 7:673 lid 1 BW vindt geen steun in de wetsgeschiedenis. De jurisprudentie waar de werkgever zich op beroept gaat eveneens uit van een onjuiste uitleg van art. 7:673 lid 1 BW. Het verzoek van de werknemer wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0303
AR 2017/1344
Prg. 2017/118

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer 5664602 AZ VERZ 17-8

Beschikking van 9 maart 2017

in de zaak van

[verzoeker]

wonend te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. I.J.N. Fitters-Roeland (DAS Rechtsbijstand te ‘s-Hertogenbosch)

tegen

Woningstichting HEEMWONEN

gevestigd te Kerkrade

verwerende partij

gemachtigde mr. drs. C.A.H. Lemmens te Heerlen.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Heemwonen genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen

  • -

    het verweerschrift met bijlagen

  • -

    de beschikking van 18 januari 2017 waarbij de kantonrechter te Eindhoven van de Rechtbank Oost-Brabant de zaak in de stand waarin deze zich bevond, heeft verwezen naar de Rechtbank Limburg, kanton Maastricht,

  • -

    de mondelinge behandeling op 7 maart 2017, waarbij door Heemwonen een pleitnota is overgelegd. [verzoeker] heeft ter zitting nog een bijlage overgelegd en zijn verzoek naar de financiële omvang gewijzigd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] is op 11 augustus 2014 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst in dienst van Heemwonen getreden in de functie van Senior Projectleider. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.

Aansluitend hebben partijen een tweede arbeidsovereenkomst gesloten voor dezelfde duur en dezelfde functie. De tweede arbeidsovereenkomst vermeldt dat deze van rechtswege eindigt op 10 augustus 2016.

2.2.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft Heemwonen [verzoeker] schriftelijk geïnformeerd (aangezegd) dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en van rechtswege zou eindigen op 10 augustus 2016, onder uitdrukkelijke vermelding “dat 10 augustus 2016 je laatste werkdag is”.

2.3.

Partijen hebben aansluitend gecorrespondeerd over de vraag of [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding. [verzoeker] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op een transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomsten tezamen 24 maanden hebben geduurd. Heemwonen heeft dit betwist enerzijds met de stelling dat de arbeidsovereenkomst minder dan twee jaar geduurd heeft en anderzijds met het argument dat er eerst recht bestaat op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst langer dan twee jaar geduurd heeft.

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt Heemwonen te veroordelen, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de transitievergoeding van een omvang zoals vermeld in de ter zitting overgelegde bijlage, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot de dag van voldoening, met verwijzing van Heemwonen in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek voert [verzoeker] aan dat hij op grond van art. 7:673 BW recht heeft op een transitievergoeding van € 3.274,56 aangezien de arbeidsovereenkomst (exact) twee jaar geduurd heeft. De ter zitting overgelegde berekening van de transitievergoeding gaat uit van een maandloon van € 4.911,84 (incl. vakantiebijslag).

3.3.

Het verweer van Heemwonen strekt tot afwijzing van het verzoek.

4 De beoordeling

4.1.

De stellingen van Heemwonen ten aanzien van de totale duur van de twee elkaar opvolgende arbeidsovereenkomst zijn niet consistent. Zo heeft zij aangevoerd dat de totale duur minder dan twee jaar is geweest, maar heeft zij wel erkend dat de arbeidsovereenkomst op 10 augustus 2016 is geëindigd. Het lijkt erop dat zij het standpunt huldigt dat, als de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 10 augustus 2016, 9 augustus 2016 de laatste dag van de eenmaal verlengde arbeidsovereenkomst is geweest. Dit standpunt is onjuist. De laatste dag van de arbeidsovereenkomst is 10 augustus 2016 geweest. Van een andere bedoeling tussen partijen is niets gebleken op dit punt. Aangezien onbetwist is dat de (eerste) arbeidsovereenkomst is aangevangen op 11 augustus 2014, staat dus vast dat de arbeidsovereenkomst exact 24 maanden geduurd heeft.

4.2.

Ingevolge art. 7:673 lid 1 BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien (voor zover hier van belang) de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden geduurd heeft. Taalkundig kan deze bepaling niet anders uitgelegd worden dan dat er recht bestaat op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer geduurd heeft. Heemwonen heeft met een beroep op de wetsgeschiedenis, het systeem van de wet, jurisprudentie en “de berekeningstool van DAS” betoogd dat desondanks eerst recht bestaat op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst langer dan 24 maanden geduurd heeft. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.3.

Heemwonen heeft diverse passages van de wetsgeschiedenis geciteerd waar wordt gerept van “langer durende arbeidsrelaties”. Volgens Heemwonen heeft de wetgever hiermee gedoeld op arbeidsovereenkomsten die langer dan twee jaar duren.

4.3.1.

Heemwonen verwijst (onder meer) naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2013-2014, 33818, nr. 3, p 38) en de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 33818, 2013-2004, nr. 7) en citeert daarvan de volgende passage:

“De termijn van twee jaar brengt dan ook tot uitdrukking dat een werkgever alleen bij langer durende arbeidsrelaties gehouden is tot het betalen van een vergoeding en sluit aan – als het gaat om tijdelijke werknemers – bij de voorziene (nieuwe termijn) voor de ketenbepaling waarna een vast dienstverband ontstaat.”

De kantonrechter constateert dat deze (in beide stukken gelijkluidende) passage direct voorafgegaan wordt door de volgende overweging:

“In het kader van goed werkgeverschap heeft de werkgever een zorgplicht voor de werknemer, ook bij ontslag. Die zorgplicht reikt naar de mening van de regering echter niet zover dat de werkgever verantwoordelijk is voor het betalen van een vergoeding bij dienstverbanden van korter dan twee jaar.”

Uit deze twee passages in onderlinge samenhang bezien blijkt dat de wetgever met “langer durende arbeidsrelaties” heeft gedoeld op arbeidsovereenkomsten die langer duren dan arbeidsovereenkomsten die de grens van twee jaar niet bereikt hebben. Anders dan Heemwonen stelt, blijkt hieruit dus niet dat de wetgever heeft beoogd dat de transitievergoeding eerst verschuldigd is bij arbeidsovereenkomsten die langer dan twee jaar geduurd hebben. Integendeel. Hieruit blijkt juist dat de wetgever het recht op een transitievergoeding in het leven heeft willen roepen bij arbeidsovereenkomsten die 24 maanden of langer geduurd hebben.

4.3.2.

Heemwonen heeft voorts nog verwezen naar de volgende passage:

“De termijn van twee jaar, waarna een transitievergoeding verschuldigd is, brengt dan ook tot uitdrukking dat een werkgever in dit opzicht een zorgplicht heeft bij ontslag bij langer durende arbeidsrelaties.”

Deze passage is kennelijk afkomstig van pagina 17 en 18 van de hiervoor vermelde nota naar aanleiding van het verslag. Ook hieruit blijkt niet dat de wetgever heeft beoogd in de wet vast te leggen dat eerst recht op een transitievergoeding bestaat bij een arbeidsovereenkomst die langer dan twee jaar duurt. Nergens gebruikt de wetgever in dit verband de typering ‘langer dan 24 maanden durende arbeidsrelaties’.

4.4.

Heemwonen heeft ook verwezen naar de memorie van antwoord (Kamerstukken I, 2013-2014, 3818 C., p. 11) met de volgende passage:

“Wat van een werkgever kan worden verlangd kent echter zijn grenzen. Zoals de regering op pagina 73 van de nota naar aanleiding van het verslag uiteen heeft gezet, heeft de werkgever in het kader van goed werkgeverschap een zorgplicht voor de werknemer, ook bij het einde van de arbeidsovereenkomst. (…)Als een werkgever ervoor kiest om een werknemer in dienst te nemen, doet de werkgever dat niet met het oogmerk hem enkele maanden later weer te ontslaan. Als het al zo zou zijn, dan geeft de transitievergoeding zoals die is vormgegeven in het wetsvoorstel daarbij naar de mening van de regering niet de doorslag. Het is immers inefficiënt voor werkgevers om iedere twee jaar een nieuwe werknemer aan te nemen. Dat brengt kosten met zich mee. Werknemers moeten worden geworven en ingewerkt. Het is niet waarschijnlijk dat die kosten opwegen tegen de kosten van de beperkte transitievergoeding van 2/3 maandsalaris op dat moment.”

Anders dan Heemwonen stelt, blijkt ook uit deze passage niet dat het systeem van de wet erin voorziet dat er eerst sprake is van een zorgplicht van de werkgever (en dus van een recht op een transitievergoeding) als de arbeidsovereenkomst langer dan twee jaar duurt.

4.5.

In de parlementaire stukken waar Heemwonen (te selectief) uit citeert zijn voorts diverse passages te vinden waaruit juist overduidelijk blijkt dat is beoogd wettelijk vast te leggen dat bij een arbeidsovereenkomst van 24 maanden of langer de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Zo staat in voornoemde nota naar aanleiding van het verslag op pagina 73 het volgende:

“Een uitzendonderneming is een transitievergoeding verschuldigd indien de werknemer 24 maanden of langer in dienst is van de uitzendorganisatie (…).

En op pagina 38 van de hiervoor genoemde memorie van toelichting staat de volgende overweging:

“Bij het eindigen of niet voortzetten na een einde van rechtswege van een arbeidsovereenkomst is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd als de arbeidsovereenkomst ten minste twee jaar heeft bestaan.”

Het duidelijkst is nog de volgende passage uit de hiervoor genoemde memorie van antwoord, pagina 14:

“De leden vragen voorts of het recht op een transitievergoeding ontstaat zodra de periode van 24 maanden is verstreken of zodra arbeidsrelaties voor bepaalde tijd langer dan 24 maanden hebben geduurd.

Het recht op een transitievergoeding ontstaat zodra de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer heeft geduurd. Dit volgt uit artikel 7:673, eerste lid, BW waarin is opgenomen dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd.”

4.6.

Dat aldus een verschil ontstaat met de grens die art. 7:668a BW geeft voor het ontstaan van een keten van overeenkomsten die aanspraak geeft op verhoogde rechtsbescherming, is mogelijk te verklaren uit het verschil in oogmerk van de respectieve bepalingen. In elk geval is in art. 7:668a BW de afbakening geheel anders geformuleerd omdat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur pas ontstaat indien ‘een periode van 24 maanden (…) overschreden’ is.

4.7.

Op grond van vorenstaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding aangezien de arbeidsovereenkomst met Heemwonen exact en dus ten minste 24 maanden geduurd heeft. De jurisprudentie waar Heemwonen een beroep op heeft gedaan, leidt niet tot een ander oordeel. De kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) overweegt in de door Heemwonen aangehaalde beschikking van 30 juni 2016 ten onrechte dat in art. 7:673 lid 1 BW is bepaald dat recht bestaat op een transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst ‘langer dan 24 maanden’ geduurd heeft. Dit is een onjuiste parafrasering van dit artikellid. Ook de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam gaat in de beschikking van 30 augustus 2017 uit van een onjuiste lezing van hetgeen in art. 7:673 lid 1 BW is bepaald.

Het beroep van Heemwonen op “de berekeningstool van DAS” leidt evenmin tot een ander oordeel. Het verzoek van [verzoeker] dient beoordeeld te worden op grond van de wet. Het gegeven dat een “berekeningstool” zo is geprogrammeerd dat pas bij een arbeidsovereenkomst die 24 maanden en een dag geduurd heeft, wordt geconcludeerd dat recht bestaat op een transitievergoeding, is voor die beoordeling niet relevant.

4.8.

Onbetwist is dat het overeengekomen brutoloon inclusief vakantiebijslag laatstelijk € 4.911,84 bedroeg. De aan [verzoeker] toe te wijzen transitievergoeding bedraagt derhalve

€ 3.274,56 bruto. De wettelijke rente over dit bedrag zal conform art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 10 september 2016 tot de dag van voldoening.

4.9.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Heemwonen worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op:

  • -

    salaris gemachtigde: € 400,00

  • -

    griffierecht € 78,00

totaal € 478,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Heemwonen tot betaling aan [verzoeker] van een transitievergoeding van € 3.274,56, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 september 2016 tot de dag van voldoening,

5.2.

veroordeelt Heemwonen tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 478,00,

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW