Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2219

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
5723957 AZ VERZ 17-23
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraak op transitievergoeding? Geschil over het bepaalde in art. 7:673 lid 1 onder a sub 3 BW: arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever niet voortgezet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2017/130
AR 2017/2422
AR-Updates.nl 2017-0581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5723957 AZ VERZ 17-23

Beschikking van de kantonrechter van 10 maart 2017

MD

in de zaak van

[verzoekster]

wonend aan de [adres] te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. E.J. Bernaerts, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

wiertz personeelsdiensten II b.v.

statutair gevestigd en kantoor houdend te Kerkrade

verwerende partij

gemachtigde mr. T.J.A. Iding, werkzaam bij Zuid juristen te Kerkrade

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoekster] en Wiertz genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 13 februari 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de mondelinge behandeling d.d. 7 maart 2017 en de tijdens die zitting door de gemachtigde van [verzoekster] overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 17 juni 2014 krachtens arbeidsovereenkomst (meer specifiek: een uitzendovereenkomst fase B) bij Wiertz in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Uitzendkrachten, gesloten tussen de Algemene Bond Uitzendondernemingen, FNV Bondgenoten, Dienstenbond CNV en De Unie toepasselijk.

2.2.

Laatstelijk is [verzoekster] krachtens deze uitzendovereenkomst door Wiertz ter beschikking gesteld aan Nora Banketbakkerij B.V. om daar tegen een uurloon van € 12,77 bruto als inpakster werkzaamheden te verrichten.

2.3.

Op 5 juli 2016 heeft [naam intercedente 1] , intercedente van Wiertz bij de vestiging van Wiertz in Kerkrade, de navolgende brief aan [verzoekster] gezonden, die door laatstgenoemde is ontvangen:

“Kerkrade, 5 juli 2016

Informatie over het einde van uw dienstverband

Beste [verzoekster] [ [verzoekster] ],

Hierbij informeren wij u dat uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke van rechtswege eindigt op 14-11-2016, niet zal worden verlengd. Wij bedanken u voor uw inzet en wensen u veel succes in uw verder loopbaan. Wij adviseren u z.s.m. contact op te nemen met het UWV en een WW-uitkering aan te vragen, aangezien het enige weken kan duren voordat deze verwerkt is.

Graag nodigen wij u nog uit voor een eindgesprek op ons filiaal op 14-10-2016.

Met vriendelijke groet

(…)”.

2.4.

Op 6 juli 2016 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld.

2.5.

Op 13 september en medio oktober (exacte datum onbekend) 2016 is [verzoekster] op het spreekuur van de bedrijfsarts verschenen. Daarvan zijn geen verslagen overgelegd.

2.6.

Op 14 oktober 2016 heeft [naam intercedente 2] , eveneens intercedente bij Wiertz te Kerkrade, een in het Pools opgesteld e-mailbericht aan [verzoekster] verzonden. Van dit
e-mailbericht is zowel door [verzoekster] als door Wiertz een vertaling overgelegd. Die

vertalingen verschillen op diverse punten van elkaar. Geen van beide vertalingen is evenwel opgemaakt door een beëdigd vertaler. In ieder geval staat vast dat [naam intercedente 2] namens Wiertz in dit e-mailbericht de volgende functies aan [verzoekster] als mogelijkheid heeft voorgesteld:

- productiemedewerker/kwaliteitscontroleur bij Nedcar in Born (uurloon: € 11,29 bruto);

- wasserijmedewerker/productiemedewerker bij Nedlin in Elsloo (uurloon: € 9,87 bruto);

- productiemedewerker bij Mora in Maastricht (uurloon: € 9,87 bruto).

2.7.

Het bij brief van 5 juli 2016 in het vooruitzicht gestelde eindgesprek op 14 oktober 2016 heeft nimmer plaatsgevonden, ook niet op een andere datum. [verzoekster] en [naam intercedente 2] hebben wel nog diverse malen telefonisch contact met elkaar gehad.

2.8.

De uitzendovereenkomst tussen [verzoekster] en Wiertz is van rechtswege geëindigd op
14 november 2016. [verzoekster] was toen – ook in de visie van Wiertz – nog door ziekte verhinderd haar arbeid te verrichten.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt om Wiertz te veroordelen tot:

I. betaling aan haar van de transitievergoeding als bedoeld in art. 7:673 BW ten bedrage van € 1.068,00 bruto;

II. betaling aan haar van een bedrag van € 160,20 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;

III. betaling aan haar van de wettelijke rente over de onder I. en II. vermelde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de datum van algehele voldoening;

IV. afgifte van een deugdelijke bruto/netto specificatie van de onder I. vermelde transitievergoeding, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Wiertz hiermee in gebreke blijft, tot een maximaal te verbeuren som van € 10.000,00;

V. betaling van de proceskosten.

3.2.

De grondslagen van de vorderingen van [verzoekster] vloeien deels al voort uit de hiervoor weergegeven omschrijvingen. Voor zover nodig wordt hierna nader op die grondslagen ingegaan.

3.3.

Wiertz voert verweer. Op dit verweer zal hierna, voor zover nodig, eveneens nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Tijdigheid verzoek

4.1.

[verzoekster] heeft haar verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Verschuldigdheid transitievergoeding

4.2.

Voorgesteld wordt dat Wiertz, blijkens de inhoud van haar brief van 5 juli 2016, met die brief heeft voldaan aan de aanzegverplichting als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW. De stelling van [verzoekster] dat deze brief moet worden aangemerkt als een opzegging door Wiertz – waarmee voldaan zou zijn aan het bepaalde in art. 7:673 lid 1 onder a sub 1 BW – houdt derhalve geen stand.

4.3.

In art. 7:673 lid 1 BW zijn de voorwaarden vermeld waaronder een werknemer recht heeft op een transitievergoeding. In dit geval is van belang hetgeen is vermeld in lid 1 aanhef en onder a sub 3. Deze regel luidt als volgt:

“De werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden”.

4.4.

Niet in geschil is dat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Wiertz ten minste
24 maanden heeft geduurd, zodat aan dit vereiste is voldaan.

4.5.

Wiertz betoogt dat zij – blijkens haar e-mailbericht van 14 oktober 2016 – het initiatief heeft genomen om direct aansluitend aan 14 november 2016 aan [verzoekster] een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. In dit e-mailbericht zijn drie – volgens Wiertz – concrete functies aan [verzoekster] ‘aangeboden’ (genoemd), waarop zij niet is ingegaan. [verzoekster] heeft zich pas begin februari 2017 weer bij Wiertz gemeld en bij die gelegenheid aanspraak gemaakt op een transitievergoeding. Gelet hierop is Wiertz van mening dat niet voldaan is aan het bepaalde in art. 7:673 lid 1, onder a sub 3 BW, zodat zij zich op het standpunt stelt géén transitievergoeding aan [verzoekster] verschuldigd te zijn.

4.6.

Bij brief van 5 juli 2016 is door Wiertz aan [verzoekster] aangezegd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen van rechtswege zou eindigen op 14 november 2016 en dat er nog slechts een ‘eindgesprek’ zou volgen, zodat [verzoekster] hiervan mocht uitgaan. Mitsdien moet ervan uit worden gegaan dat het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst kwam van Wiertz. Uit het e-mailbericht van 14 oktober 2016 blijkt niet dat deze aanzegging expliciet door Wiertz vóór 14 november 2016 (datum einde arbeidsovereenkomst van rechtswege) is herroepen of herzien. Ook anderszins is dat niet uit enig overgelegd stuk gebleken, zodat niet is komen vast te staan dat Wiertz haar koers (einde arbeidsovereenkomst met [verzoekster] ) heeft bijgesteld. Alhoewel er in het
e-mailbericht van [naam intercedente 2] van 14 oktober 2016 inderdaad drie functies aan [verzoekster] zijn ‘aangeboden’, brengt dat niet mee dat daardoor het initiatief tot het einde van de arbeidsovereenkomst bij [verzoekster] is komen te liggen. Op geen enkele wijze is namelijk geconcretiseerd welke omvang deze functies hadden, met ingang van welke datum betrokkene daar aan de slag kon gaan én tot welke datum die functies (nog) beschikbaar zouden zijn en welke andere voorwaarden werden gesteld. Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat het hier uitzendwerk betreft waarvoor volgens Wiertz geen bijzondere kwalificaties vereist zijn, had die nadere concretisering van Wiertz mogen worden gevergd. Voorts – en dat heeft de kantonrechter ook ter zitting aan partijen voorgehouden – heeft het in de brief van 5 juli 2016 aangekondigde eindgesprek (onderstreping kantonrechter) nimmer plaatsgevonden. Dat intercedente [naam intercedente 1] dit gesprek als eindgesprek aanduidt, is eveneens een zwaarwegend argument om aan te nemen dat het initiatief tot het einde van de arbeidsovereenkomst van Wiertz uitging. Tussen partijen staat vast dat dit eindgesprek – om redenen die niet zijn komen vast te staan – geen doorgang heeft gevonden. Wiertz kan niet worden gevolgd in haar stelling dat dit eindgesprek feitelijk geen eindgesprek was, maar een gesprek was waarin mogelijkheden zouden worden besproken om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] te continueren. Wegens de ziekmelding van [verzoekster] op 6 juli 2016, de niet overgelegde verslagen van de bezoeken van [verzoekster] aan de bedrijfsarts nadien én de erkenning van Wiertz dat [verzoekster] in ieder geval tot de einddatum 14 november 2016 (ook in de visie van de bedrijfsarts) nog niet tot werken in staat was, had van Wiertz een schriftelijke onderbouwing van die stelling mogen worden verwacht. Dit heeft zij evenwel nagelaten, zodat ervan uit moet worden gegaan dat het geplande gesprek op 14 oktober 2016 ook daadwerkelijk het karakter van een eindgesprek moest hebben. Het verweer van Wiertz faalt.

4.7.

De conclusie uit het vorenstaande is dat is voldaan aan het bepaalde in art. 7:673 lid 1 onder a sub 3 BW.

4.8.

In rechtsoverweging 4.4. is reeds overwogen dat ook de andere voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op een transitievergoeding is vervuld. Dit brengt mee dat de transitievergoeding toewijsbaar is. Door Wiertz is erkend dat de door [verzoekster] gemaakte berekening van die transitievergoeding correct is, zodat een bedrag van € 1.068,00 bruto aan transitievergoeding toewijsbaar is. De wettelijke rente daarover zal overeenkomstig het bepaalde in art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf één maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

Afgifte bruto/netto specificatie

4.9.

[verzoekster] heeft recht en belang bij afgifte van een bruto/netto specificatie van de in deze beschikking toegewezen transitievergoeding. Deze vordering zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen, waarbij de dwangsom wordt gematigd en in hoogte gemaximeerd indien Wiertz met afgifte daarvan in gebreke blijft.

Buitengerechtelijke kosten

4.10.

[verzoekster] geeft geen of onvoldoende feitelijke onderbouwing aan haar bewering dat zij voor vergoeding in aanmerking komende (en niet onder de te liquideren proceskosten te scharen) kosten ter incasso (voor verkrijging van voldoening buiten rechte) in de zin van art. 6:96 lid 2 aanhef en sub c BW heeft gemaakt. Iedere onderbouwing daarvan in het verzoekschrift, onder overlegging van relevante bijlagen, ontbreekt. Het ter zitting gedane aanbod om die sommatiebrieven alsnog over te leggen is tardief, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden. De gevraagde vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt mitsdien geheel afgewezen.

Proceskosten

4.11.

Wiertz dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden verwezen. De kosten aan de zijde van [verzoekster] worden tot op heden begroot op
€ 478,00 (zijnde € 78,00 aan griffierecht plus € 400,00 aan salaris gemachtigde).

5 De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

5.1.

Wiertz wordt veroordeeld om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen een transitievergoeding van € 1.068,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
14 december 2016 tot de datum van volledige voldoening.

5.2.

Wiertz wordt veroordeeld om binnen twee weken na de datum van deze beschikking aan [verzoekster] een bruto/netto specificatie van de hiervoor onder 5.1. van deze beschikking toegewezen transitievergoeding te verstrekken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Wiertz hiermee in gebreke blijft, tot een maximaal te verbeuren som van € 2.000,00.

5.3.

Wiertz wordt verder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot de datum van deze beschikking bepaald op een bedrag van € 478,00.

5.4.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.