Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2218

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
03/721863-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid. Onjuiste urenregistratie. 9a.

Geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Een politieman registreerde om een hogere toelage voor onregelmatigheid te krijgen, uren in het weekend die hij niet werkte. Na ontslag dient oplegging van een strafrechtelijke sanctie geen redelijk doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/721863-14

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

Raadsman: mr. S. Weening, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 februari 2017. De verdachte en de raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte de zogenaamde registratie en fiattering en/of geplande uren of geregistreerde urenstaat, in elk geval het politiesysteem Basis Voorziening Capaciteitsmanagement (hierna: BVCM) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door daarin uren die hij niet heeft gewerkt, als gewerkt te vermelden.

3 De voorvragen

3.1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie bij de beslissing om tot vervolging van de verdachte over te gaan in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Immers, uit de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris blijkt dat door politieambtenaren op grote schaal met de uren werd en wordt geschoven, waarbij de gewerkte uren worden gekoppeld aan een dag waarop feitelijk niet is gewerkt en daardoor derhalve niet correct worden geregistreerd. De officier van justitie heeft desondanks besloten om alleen de verdachte te vervolgen en niet de andere ambtenaren van de politie.

3.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat door getuigen bij de rechter-commissaris is verklaard dat het bij de politie niet ongebruikelijk is dat uren anders worden geregistreerd dan zoals deze in werkelijkheid zijn gemaakt. Zij verklaren echter ook dat deze onjuiste registratie van de momenten waarop in werkelijkheid werd gewerkt gebeurt na toestemming van de leidinggevende en in het belang van de dienst. Dat is een situatie die wezenlijk verschilt van de onderhavige zaak, waarin de verdachte niet gewerkte uren heeft geregistreerd, zonder toestemming van de leidinggevende heeft gehandeld en niet in het belang van de dienst. Van gelijke gevallen is daarom geen sprake. De officier van justitie concludeert tot verwerping van het verweer van de raadsman.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan

niet vervolging van een verdachte moet plaatsvinden (het opportuniteitsbeginsel). De belangenafweging door het Openbaar Ministerie staat in het geval van strafvervolging in het algemeen gesproken niet ter beoordeling van de rechter. Het enkele feit dat andere ambtenaren van de politie niet zijn vervolgd door het Openbaar Ministerie, staat aan vervolging van de verdachte dan ook niet in de weg. Dat is slechts anders indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot strafvervolging had kunnen besluiten of wanneer anderszins sprake is van een schending van enig beginsel van een goede procesorde. De rechtbank zal in deze zaak in bijzonder moeten toetsen of - zoals de raadsman stelt - het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de door hem gewerkte uren weleens anders heeft geregistreerd dan in overeenstemming met de werkelijkheid en dat hij dit heeft gedaan zonder medeweten en zonder toestemming van zijn leidinggevende. Zo ging hij wel eens fietsen in de ochtend en arriveerde hij ’s middags op het werk, terwijl hij de in de ochtend en middag geplande werkuren fiatteerde.

Uit de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris is gebleken dat bij de politie in sommige gevallen met toestemming van de leidinggevende en in het belang van de dienst de uren anders worden geregistreerd dan zoals deze in werkelijkheid zijn gemaakt. Als voorbeeld werd door getuige [getuige 1] genoemd: “Stel dat de Arbeidstijdenwet twaalf uur als maximaal werkbare uren heeft staan en de politieman heeft er veertien gemaakt, welke overschrijding niet direct was gemeld en waarvoor dus geen toestemming was gegeven, dan werd er afgesproken dat hij de overgewerkte uren van twee uur op een andere dag registreerde. Het ging altijd om daadwerkelijk gewerkte uren die anders geregistreerd weden en altijd in dienstbelang.” Van gelijke gevallen kan aldus niet worden gesproken, zodat op grond daarvan het verweer moet worden verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden, die moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

3.2.

De overige voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting:

  • -

    is gebleken dat de dagvaarding geldig is;

  • -

    is voorts gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het tenlastegelegde kennis te nemen;

  • -

    is niet van het bestaan van feiten of omstandigheden gebleken, welke een grond vormen voor de schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs 1

Inleiding

De verdachte was vanaf 1976 in dienst van de politie onder meer als rechercheur en dossiervormer in Kerkrade. Per augustus 2014 kwam de verdachte in aanmerking voor de zogenoemde seniorenregeling. Met ingang van 21 februari 2013 was de verdachte op grond van een detacheringsovereenkomst werkzaam als dossiervormer bij de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland (hierna te noemen: de BRZN), cluster Born. De werkzaamheden werden verricht op het bureau in Born. De verdachte heeft voorafgaand aan zijn detachering aan [naam leidinggevende Kerkrade] (zijn leidinggevende in Kerkrade), en [naam leidinggevende BRZN] (zijn leidinggevende bij BRZN) gevraagd of hij in de weekenden mocht werken om aldus zoveel mogelijk onregelmatigheidstoelage op te bouwen in verband met de genoemde seniorenregeling. Besloten werd dat de verdachte om het andere weekend mocht werken.2 De reden hiervoor was zowel het behoud van deze onregelmatigheidstoelage, als de rust in het weekend die het opmaken van complexe dossiers ten goede zou komen. Op 30 september 2013 verzocht de verdachte in aanmerking te komen voor de seniorenregeling, waarvoor hij per augustus 2014 in aanmerking kwam. Als gevolg van deze regeling kreeg de verdachte gegarandeerd een maandelijks bedrag van € 190,79 voor onregelmatigheid bovenop zijn salaris uitgekeerd. De gemiddelde onregelmatigheidstoelage in het jaar voorafgaand aan het bereiken van de 55-jarige leeftijd diende als grondslag voor voornoemd bedrag.3

Tijdens de detachering werd de planning van de diensten van de verdachte gemaakt in Kerkrade. De geplande uren werden vervolgens in BVCM geregistreerd, waarna de verdachte deze uren zelf accordeerde als gewerkte uren. Hij kon de uren aanpassen als de gewerkte uren afweken van de geplande uren.4 Op grond van de gegevens van BVCM werd het salaris en de onregelmatigheidstoelage uitbetaald.

Voordat de rechtbank haar oordeel over het bewijs geeft, volgen eerst de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, zoals verwoord in het door haar op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde bewezen is.

In dit verband verwijst de officier van justitie naar het proces-verbaal van bevindingen (bladzijde 68 e.v.) waarin wordt beschreven dat er diverse data zijn waarop de gegevens die de verdachte in het BVCM heeft geregistreerd niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, zoals deze onder meer blijkt uit de netwerklogging in het politienetwerk, de gegevens van het alarm van het bureau in Born, het gebruik van de toegangspas. Hieruit volgt dat de verdachte zes zondagen een volledige diensttijd heeft geaccordeerd, terwijl het alarm van het bureau niet is gedeactiveerd en hij niet heeft ingelogd op het politienetwerk. Verder heeft de verdachte zes zaterdagen een volledige diensttijd geaccordeerd, terwijl op die dagen het alarm van het bureau niet is gedeactiveerd en hij niet heeft ingelogd op het politienetwerk. Daarnaast zijn er diverse data aan te wijzen waarop de verdachte een volledige diensttijd heeft geaccordeerd, maar aantoonbaar een kortere tijd op het bureau in Born aanwezig is geweest en hoogstwaarschijnlijk niet aan het werk is geweest.

De verklaring van de verdachte, dat hij de niet gewerkte uren heeft gecompenseerd door thuis te werken is om meerdere redenen niet aannemelijk. Allereerst had de verdachte geen toestemming om thuis te werken. Bovendien mocht hij zijn werkzaamheden alleen op het bureau in Born verrichten om verplaatsing van gevoelige dossiers te voorkomen. Dat deze afspraak met de verdachte is gemaakt, wordt ondersteund doordat hij niet de beschikking heeft gehad over een thuiswerkplek en een laptop met een UMTS verbinding, waarmee kan worden ingelogd op het politienetwerk. Daarnaast heeft de getuige [getuige 2] , die gebruikmaakte van dezelfde bureauruimte als de verdachte, de verdachte nooit heeft horen spreken over het werk thuis en hem ook nooit met ordners heeft zien slepen. De verdachte heeft ook nooit aan de getuige [getuige 2] om toestemming gevraagd om thuis te gaan werken.

Het BVCM wordt onder meer gebruikt om de diensturen van de medewerkers van de politie te plannen en te accorderen met als doel tot een correcte salarisberekening- en uitbetaling te komen. De gegevens die in het systeem worden vastgelegd dienen als bewijs voor de gewerkte uren. De gegevens uit het BVCM moeten dan ook worden aangemerkt als “geschrift met bewijsbestemming”. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte in het BVCM uren als gewerkt heeft geaccordeerd, die hij echter niet heeft gewerkt. Daarnaast wordt hem verweten dat hij de door hem wel gewerkte uren heeft geaccordeerd op andere dagen - met een voorkeur voor de zaterdag of de zondag - dan de dagen waarop hij daadwerkelijk heeft gewerkt.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft subsidiair vrijspraak bepleit, omdat de verdachte ontkent dat hij de uren valselijk heeft geregistreerd.

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte alle door hem geregistreerde uren heeft gewerkt. De raadsman stelt dat het BVCM vooral als bewijsmiddel moet worden gezien voor gewerkte uren en niet perse als bewijs van de tijdstippen waarop deze uren werden gewerkt. Het BVCM geldt in eerste instantie als planningstool en pas in tweede instantie als urenverantwoording. Vanuit dat perspectief bezien heeft verdachte niet ‘valselijk’ geregistreerd.

Dat geldt te meer nu de getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het voorkwam dat bij de politie uren anders werden en worden geregistreerd dan in overeenstemming met de werkelijkheid en dat hij in dat verband concrete afspraken heeft gemaakt met zijn leidinggevende, genaamd [naam leidinggevende Kerkrade] , over het niet registreren van extra uren in BVCM. Over het anders registreren van de gewerkte uren heeft de getuige [getuige 3] verklaard dat sinds de kwestie ten aanzien van de verdachte een issue is geworden, de vaste regel is dat er niet meer afwijkend wordt geregistreerd.

De raadsman heeft voorts gesteld dat is gebleken dat de verdachte vaak dossiers mee naar huis heeft genomen en daar zijn werkzaamheden heeft verricht. Zowel de zoon van de verdachte als collega [getuige 4] heeft ordners met dossiers van zijn werk bij de verdachte thuis gezien. De verklaring van de getuige [getuige 2] , dat hij niet heeft gemerkt dat de verdachte dossiers mee naar huis heeft genomen, dient te worden genuanceerd. [getuige 2] heeft immers verklaard dat hij ordners op de grond naast de werkplek van de verdachte heeft gezien. De verdachte betwist ook dat hij niet thuis mocht werken, maar indien al zou vaststaan dat dit is gebeurd in strijd met afspraken, dan nog heeft de verdachte thuis gewerkt en geldt dat hij de uren terecht heeft geregistreerd.

De verdachte kan bovendien niet worden verweten dat hij voordeel heeft genoten door de wijze waarop hij zijn uren registreerde. Hij heeft de dienst juist veel boetes bespaard in het kader van de Arbeidstijdenwet door op bepaalde momenten de gewerkte uren anders in het BVCM te registreren.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam bij het team veiligheid Integriteit & Klachten van de Eenheid Limburg, hebben onderzocht of de verdachte diensttijd heeft verantwoord, terwijl hij geen dienst heeft verricht. Daartoe beschikten zij onder meer over de volgende gegevens.

- overzichtlijsten van alle door [verdachte] geplande en verantwoorde diensten in BVCM, onder meer over de periode van 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014;5

- een overzichtlijst, waarin is af te lezen wanneer en door wie de diensten van [verdachte] zijn geaccordeerd;6

- een overzichtlijst van geaccordeerde diensten van [verdachte] onder meer over de periode 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014; hieruit valt af te lezen of de verschuiving van de dienst door [verdachte] op eigen verzoek is gedaan, dan wel dat het een dienst uit dienstbelang betrof (kolom “Dienstbelang”); bij “Nee” betrof het een verschuiving niet uit dienstbelang en is de dienst door verdachte zelf gewijzigd;7

- Een overzichtlijst van logginggegevens [verdachte] , onder meer over de periode 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014;8

- overzicht van alarmregistraties van het bureau Born, onder meer over de periode

4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014;9 [naam leidinggevende BRZN] heeft hieromtrent een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt dat betrekking heeft op de gepersonaliseerde alarmsticks;10

- afschriften van de dienstenmap van BRZN;11

- overzichtlijsten met betrekking tot het gebruik van de toegangspas binnen de zuidelijke districten van de Eenheid Limburg, onder meer over de periode 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014;12

- mastgegevens met betrekking tot de door de dienst aan de verdachte [verdachte] versterkte diensttelefoon.13

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben naar aanleiding van voornoemde stukken hun bevindingen weergegeven met betrekking tot het accorderen/plannen van de diensten door de verdachte [verdachte] in BVCM, zijn netwerklogging op het politienetwerk, de in- en uitschakeling van het alarm van het bureau Born, het gebruik van zijn toegangspas, de mastgegevens van de diensttelefoon en hetgeen is genoteerd in de dienstenmap van de BRZN.14 Hieruit blijkt in de eerste plaats dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen gewerkte uren registreerde, terwijl hij niet al die uren op zijn werkplek in Born was. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] constateerden dit onder meer op de volgende data:

5 januari 2014 (zondag):

Verdachte heeft op 7 januari 2014 in BVCM de dienst geaccordeerd van 5 januari 2014 van 08.00-17.00 uur. Gebleken is dat de verdachte zijn toegangspas om 07.52 uur gebruikt in het bureau in Kerkrade, dat de verdachte het alarm van het bureau in Born om 14.34 uur uitschakelt en dat hij om 14.35 uur inlogt op het politienetwerk. Om 17.10 uur zet de verdachte het inbraakalarm van het politiebureau in Born weer aan.

29 juni 2014 (zondag):

Verdachte heeft op 29 juni 2014 de dienst geaccordeerd van 29 juni 2014 van 07.00 uur - 16.00 uur. Gebleken is dat verdachte het inbraakalarm van het bureau in Born om 07.40 uur uitschakelt, dat verdachte om 07.44 uur inlogt op het politienetwerk en dat door de verdachte het alarm van het bureau in Born weer wordt ingeschakeld om 15.09 uur.

Verder blijkt uit de bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat de verdachte meermalen op zaterdag en op zondag of een feestdag gewerkte uren registreerde terwijl hij niet aanwezig was op zijn werkplek. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] constateerden dit onder meer op de volgende data.

9 maart 2014 (zondag):

Verdachte heeft op 11 maart 2014 de dienst geaccordeerd van 9 maart 2014 van 08.00-17.00 uur. Gebleken is dat verdachte deze dag niet heeft ingelogd op het politienetwerk, dat het alarm van het bureau in Born de gehele dag was ingeschakeld en dat verdachte ook geen gebruik heeft gemaakt van zijn toegangspas.

29 mei 2014 (donderdag, Hemelvaartsdag):

Verdachte heeft op 31 mei 2014 de dienst geaccordeerd van 29 mei 2014 van 08.00 - 17.00 uur. Gebleken is dat de verdachte deze dag niet heeft ingelogd op het politienetwerk, dat het alarm van het bureau in Born enkel door de collega [naam collega] in de periode van 15.10 uur tot 15.33 uur was uitgeschakeld en dat de verdachte ook geen gebruik heeft gemaakt van zijn toegangspas. Tevens is gebleken dat de verdachte om 15.37 uur met zijn diensttelefoon een gesprek heeft gevoerd, welk gesprek via een gsm-mast in Kerkrade tot stand is gekomen.

Ten slotte blijkt uit de bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voornoemd, dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen op zaterdag of op zondag gewerkte uren registreerde terwijl hij feitelijk op een doordeweekse dag werkte. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] constateerden dit onder meer op de volgende data:

13 juli 2014 (zondag) en 17 juli 2014 (donderdag):

De verdachte heeft op 17 juli 2014 een dienst op 12 juli 2014 van 08.00 uur - 17.00 uur geaccordeerd. Gebleken is dat de verdachte deze dag niet heeft ingelogd op het politienetwerk, dat het alarm van het bureau in Born de gehele dag was ingeschakeld en dat de verdachte ook geen gebruik heeft gemaakt van zijn toegangspas. De verdachte geeft aan deze dag te hebben gewerkt voor 17 juli 2014. Tevens is gebleken dat de verdachte deze dag zelf gewijzigd heeft naar een dienstdag. Voor deze dienstdag was niet in het belang van de dienst. Voor de diensturen op zondag zijn de inconveniënten van toepassing. In de dienstenmap BRZN valt bij de verdachte te lezen dat hij een VD (vrije dag) genoot. Door de verdachte werd op 17 juli 2014 meerdere malen vanaf 08.07 uur ingelogd op het politienetwerk, waardoor mag worden aangenomen dat hij deze dag heeft gewerkt. Deze dag werd niet als dienstdag door verdachte geaccordeerd, doch hij accordeerde in de plaats daarvan 13 juli 2014, waardoor hij op een dag heeft gewerkt welke geen recht gaf op inconveniënten en een dag accordeerde welke hem wel recht gaf op inconveniënten.

10 augustus 2014 (zondag) en 11 augustus 2014 (maandag):

De verdachte heeft op 12 augustus 2014 de dienst geaccordeerd van 10 augustus 2014 van 08.00 uur - 17.00 uur. Gebleken is dat de verdachte deze dag niet heeft ingelogd op het politienetwerk, dat het alarm van het bureau in Born de gehele dag was ingeschakeld en dat de verdachte om 08.45 uur gebruik heeft gemaakt van zijn toegangspas, in het bureau te Kerkrade. De verdachte heeft om 08.44 uur een gesprek gevoerd met zijn diensttelefoon, welk gesprek via een gsm-mast in Kerkrade tot stand is gekomen. Tevens heeft de verdachte om 15.05 uur een gesprek gevoerd met zijn diensttelefoon, welk gesprek via een gsm-mast in Kerkrade tot stand is gekomen. Door de verdachte werd op 11 augustus 2014 meerdere malen vanaf 08.58 uur ingelogd op het politienetwerk, waardoor mag worden aangenomen dat hij deze dag heeft gewerkt. Deze dag werd niet als dienstdag door de verdachte geaccordeerd, doch hij accordeerde in de plaats daarvan 10 augustus 2014, waardoor hij op een dag heeft gewerkt welke geen recht gaf op inconveniënten en een dag accordeerde welke hem wel recht gaf op inconveniënten.

De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:

“Ik heb vanaf dat ik zeventien jaar oud was in onregelmatige diensten gewerkt bij de politie. In mijn beleving zou ik juist in mijn 54e levensjaar - het jaar dat van groot belang is voor de inconveniëntentoelage in het geval van de seniorenregeling - worden tekort gedaan indien ik geen onregelmatigheidstoeslagen zou gaan ontvangen.”

“De diensten werden in BVCM gezet door de planning in Kerkrade. De daadwerkelijke diensten moesten in BVCM worden geaccordeerd en anders gewijzigd door de ambtenaar. Dat is de basis voor de salarisadministratie. BVCM dient ter verantwoording van de diensten.”

“In de periode dat ik bij BRZN werkte heb ik geen overleg gehad met de leidinggevende met betrekking tot welke wijziging van diensten dan ook. Officieel moet je wijzigingen doorgeven aan de afdeling Planning. Ik moet dan achteraf verantwoorden of een wijziging wel of niet is doorgevoerd en dan wordt het gefiatteerd door de leidinggevende. Bijvoorbeeld: wanneer er overmorgen een actie plaatsvindt en ik zie dat een dienst is gepland, dan moet ik aangeven of ik al dan niet aan deze actie heb deelgenomen. Het is juist dat wanneer ik een wijziging wenste, ik dit zelf administreerde, hoewel de planner daartoe feitelijk de aangewezene is.”

De verdachte is tijdens de verhoren geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek. Hij heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij op 5 januari 2014 (net als op 27 oktober 2013) die ochtend even naar Kerkrade is gegaan om de briefing bij te wonen, daarna is gaan fietsen en vervolgens rond 14.00 uur in Born is aangekomen en daar is gebleven tot 17.00 uur. Daarna nam hij werk mee naar huis en werkte dan twee tot drie uur thuis.15 Voor zijn beperkte aanwezigheid op het bureau in Born op 29 juni 2014 heeft hij geen verklaring kunnen geven.16

De verdachte heeft voor zijn afwezigheid op 9 maart 2014 en op 29 mei 2014 evenmin een verklaring kunnen geven. Op zondag heeft hij gefietst.

De verdachte heeft over het registreren van weekenddagen in plaats van doordeweekse dagen op 13 juli 2014 en 10 augustus 2014 verklaard dat hij in de periode van de laatste week van juli 2014 en de eerste twee weken van augustus 2014 in plaats van de weekenden op maandag en op dinsdag heeft gewerkt om de vakantie van de leidinggevenden op te vangen en niet zijn “dure uren” te verliezen ten behoeve van de seniorenregeling. De in die periode geaccordeerde diensten zijn dus niet overeenkomstig de werkelijkheid. Binnen de mogelijkheden van het team heeft de verdachte zoveel mogelijk weekenden gewerkt en geprobeerd met het oog op de seniorenregeling zoveel mogelijk onregelmatigheidstoelage te krijgen.

Aan de verdachte is voorgehouden dat hij doordeweekse dagen ruilt met diensten op zaterdag en/of zondag, waarbij hij dan BVCM wel aanpast. Maar andersom niet. De verdachte heeft toegegeven dat deze constatering juist is, vooral waar het gaat over de zomervakantieperiode. 17

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat het BVCM een systeem is waarin onder meer wordt geregistreerd welke uren zijn gewerkt en wanneer. Op grond daarvan wordt het salaris uitbetaald en eventueel een onregelmatigheidstoelage. Ook de berekening van de garantietoeslag ingevolge de seniorenregeling wordt op grond van deze gegevens berekend. De registratie en accordering van de gewerkte uren zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook een (gedigitaliseerd) geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. De omstandigheid dat het - zoals getuigen hebben verklaard - regelmatig voorkwam dat er met medeweten van leidinggevenden uren op andere tijden werden geregistreerd, heeft niet tot gevolg dat BVCM is gereduceerd tot een systeem dat slechts aantallen uren registreert en dat de geregistreerde tijdstippen er niet toe doen. De rechtbank verwerpt dit verweer van de verdediging.

Verdachte en zijn raadsman hebben gesteld dat de verdachte thuis heeft gewerkt en zijn uren heeft ingehaald. Dat heeft verdachte dan gedaan zonder dat aan hem thuiswerk werd toegestaan, zonder dat aan hem passende voorzieningen voor thuiswerk zijn verleend en zonder overleg met collega’s die dit kunnen bevestigen, zodat dit niet is te controleren. Dat een collega en de zoon van verdachte wel eens klappers met werk thuis hebben gezien en de zoon van verdachte hem een aantal weekenden heeft zien werken, is hiervoor volstrekt onvoldoende.18 Bovendien acht de rechtbank, gelet op de hoeveelheid van die uren, het niet geloofwaardig dat verdachte de uren die hij niet op het bureau heeft gewerkt, volledig thuis heeft ‘ingehaald’. Zeker, nu gelet op het aantal dagen waar de verdachte minder uren dienst heeft verricht dan volgens planning, de rechtbank van oordeel is dat dit geen incidenten zijn geweest, maar structurele vormen heeft aangenomen. De rechtbank verwerpt ook dit verweer van de verdediging.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen gewerkte uren heeft geregistreerd en/of gefiatteerd in BVCM dan hij in werkelijkheid had gewerkt en daarnaast meermalen meer uren heeft geregistreerd en/of geaccordeerd ofwel gefiatteerd in BVCM dan hij in werkelijkheid heeft gewerkt. De rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:

hij in de periode van 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014, in het arrondissement Limburg, meermalen telkens de zogenaamde registratie en fiattering en geplande uren of geregistreerde uren staat in het politiesysteem Basis Voorziening Capaciteitsmanagement(BVCM) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - heeft vervalst door valselijk (meer) gewerkte uren op die urenstaten en/of in die registraties in het politiesysteem BVCM te vermelden , dan dat hij in werkelijkheid had gewerkt, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders aan de verdachte is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft meer subsidiair verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (hierna: AVAS). De verdachte heeft met betrekking tot de registratie van zijn werkzaamheden gehandeld op een binnen het politiekorps niet ongebruikelijke wijze en heeft gedwaald ten aanzien van de wederrechtelijkheid van zijn handelen.

De rechtbank stelt voorop dat onder 'dwaling' moet worden verstaan het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, het verkeren in een zekere mate van onwetendheid. Niet elke dwaling valt onder deze strafuitsluitingsgrond, alleen de dwaling die verontschuldigbaar wordt geacht. Daarvan kan slechts worden gesproken indien door bijzondere omstandigheden, die aan die gedraging ten grondslag liggen, deze gedraging - hoewel strafbaar - toch in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Van een dergelijke situatie zou mogelijk gesproken kunnen worden indien de verdachte een advies van een gezaghebbende bron, bijvoorbeeld zijn leidinggevende, had ingewonnen en hij in redelijkheid mocht vertrouwen op de juistheid van dat advies omdat hij met toestemming van zijn leidinggevende en in het dienstbelang deze urenregistratie zou hebben aangepast. Deze toestemming en dat dienstbelang ontbreken echter in al deze gevallen. Telkens heeft de verdachte bewust en geheel op eigen gezag gehandeld: zonder overleg met directe collega’s of leidinggevenden. Bovendien heeft hij niet gehandeld in het dienstbelang, maar telkens uit eigen belang. De feiten en omstandigheden, zoals deze zijn weergegeven in de beoordeling van het bewijs, in samenhang bezien met de inhoud van de bewijsmiddelen, bieden geen grond voor het oordeel dat alle schuld, in de betekenis van enige verwijtbaarheid, afwezig is. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Nu ook overigens niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte door het bewezenverklaarde strafbaar is.

7 De straf

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van zestig uren en daarnaast tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft uiterst subsidiair verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging, dan wel te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke geldboete of een geheel voorwaardelijke taakstraf. De verdachte is een persoon die zijn hele leven heeft opgeofferd voor de dienst. Als hij de fout zou hebben gemaakt die hem verweten wordt, dan is het een marginale fout. Bovendien: de verdachte is inmiddels ontslagen als politieagent.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft meer dan 38 jaar bij de politie gewerkt. In de tijd dat hij als rechercheur, coach en dossiervormer werkte in Kerkrade, werd zijn functioneren steeds als zeer goed tot goed gewaardeerd door de recherchechef.19 Al die jaren bij de politie heeft een deel van het inkomen van de verdachte bestaan uit onregelmatigheidstoelage. Deze wilde hij niet kwijtraken. Zeker niet omdat hij gebruik zou maken van de seniorenregeling. Op grond van die regeling zou zijn onregelmatigheidstoelage worden gegarandeerd op de gemiddelde onregelmatigheidstoelage in het 54e levensjaar. Ondanks de afspraak dat hij afwisselend ‘om het weekend’ mocht werken, is verdachte ertoe overgegaan om meer uren in het weekend te schrijven dan hij in werkelijkheid had gewerkt, om te zorgen voor zoveel mogelijk onregelmatigheid. In de ten laste gelegde periode had dit een structureel karakter aangenomen. Hij kon dit lang ongemerkt doen omdat hij was gedetacheerd, waardoor direct toezicht de facto ontbrak en omdat hij het vertrouwen genoot van zijn meerderen. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen misbruikt. Hij heeft om er financieel niet op achteruit te gaan valsheid in geschrifte gepleegd. Daardoor heeft hij de integriteit die een politieambtenaar behoort te hebben en het vertrouwen van de maatschappij geschaad. Juist van een politieambtenaar mag volledige integriteit worden verwacht. Hiervan kan de verdachte een ernstig verwijt worden gemaakt. Dat heeft de werkgever van de verdachte ook gedaan. Ondanks de vele dienstjaren is verdachte in april 2015 ontslagen. Verdachte moest daardoor het werk waarin hij werd gewaardeerd, missen. De reclassering heeft in zijn rapport verdachte beschreven als een aangeslagen man, die zijn ontslag ervaart als een afgang. Daarnaast moet de verdachte nu als 55-plusser op zoek naar (vast) werk. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat naast de zware disciplinaire maatregel met alle gevolgen van dien, een aan verdachte op te leggen straf nog enig strafdoel dient. De rechtbank acht met de reclassering de kans op herhaling gering. Daarnaast wordt door deze strafzaak in de openbaarheid te behandelen en alle aandacht die deze zaak mede daardoor krijgt, een helder signaal gegeven dat ambtenaren die valsheid in geschrifte plegen zwaar worden gestraft. Strafoplegging ter algemene preventie voegt daaraan niets toe. Daarom zal de rechtbank onder toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte geen straf op leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het aan de verdachte tenlastegelegde bewezen, zoals dat hierboven onder 4.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders aan hem is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals dat hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte daardoor strafbaar;

Rechterlijk pardon

- bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. D. Osmic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2017.

Buiten staat

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in de periode van 4 januari 2014 tot en met 17 augustus 2014, in elk geval op een of meer tijdstippen in het jaar 2014, in de gemeente Kerkrade, in elk geval in het arrondissement Limburg, meermalen althans eenmaal (telkens) de zogenaamde registratie en fiatering en/of geplande uren of geregistreerde uren staat, in elk geval in het politiesysteem Basis Voorziening Capaciteitsmanagement(BVCM) - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk (meer) gewerkte uren op die urenstaten en/of in die registraties in het politiesysteem BVCM verantwoord en/of vermeld, dan dat hij, verdachte, in werkelijkheid had gewerkt, zulks met het oogmerk om die geschriften (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie, Eenheid Limburg, Veiligheid Integriteit & Klachten, registratienummer 14INT066, gesloten d.d. 3 maart 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 416.

2 Pagina 17.

3 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017; proces-verbaal van de politie, pagina 3 en 4.

4 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2017.

5 Pagina’s 106 tot en met 128.

6 Pagina’s 137 tot en met 141.

7 Pagina’s 148 tot en met 154.

8 Pagina’s 159 tot en met 186.

9 Pagina’s 34 tot en met 58.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 december 2014, pagina’s 204 en 205.

11 Pagina’s 208 tot en met 262.

12 Pagina’s 323 en 324.

13 Pagina’s 332 tot en met 355.

14 Pagina’s 68 tot en met 77.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23-12-2014, p. 364-375

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27-1-2015, p. 395-399

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23-12-2014, p. 364-375

18 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] bij de r-c d.d. 20 december 2016, pagina 6; proces verbaal verhoor getuige [getuige 5] bij de r-c d.d. 20 december 2016, pagina 14.

19 Reclasseringsrapport d.d. 14 september 2016