Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2189

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
C/03/230581 / FA RK 17-119
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging – aanvaardbare termijn voor 4-jarig kind is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/33.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Familie en jeugd

Zittingsplaats: Roermond

zaakgegevens : C/03/230581 / FA RK 17-119

datum uitspraak: 9 maart 2017

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag


in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Eindhoven,

betreffende

[X] , geboren op [geboortedag X] 2012 te [geboorteplaats X] , hierna te noemen [X] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

en

[de vader] , hierna te noemen de vader,

beiden wonende te [woonplaats ouders] ,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman,

[pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [woonplaats pleegouders] ,

STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, hierna te noemen de GI,

wonende te Roermond.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 6 januari 2017, ingekomen bij de griffie op 10 januari 2017;

- de door mr. Brinkman per mail van 8 februari 2017 overgelegde bijlagen.

1.2.

Op 9 februari 2017 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de heer [A] en mevrouw [B] , vertegenwoordigers van de Raad,

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. B.H.S. Brinkman,

- de pleegouders,

- mevrouw [C] en mevrouw [D] , vertegenwoordigers van de GI.

De ter zitting door de advocaat van de ouders overgelegde pleitnota.

2
2. De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [X] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

Bij beschikking van de kinderrechter van 18 februari 2015 is de ondertoezichtstelling van [X] uitgesproken.

Bij beschikking van de kinderrechter van 27 mei 2015 is [X] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

2.3.

Sinds medio juni 2015 verblijft [X] in het huidige, perspectief biedende, pleeggezin.

2.4.

Bij beschikking van 3 februari 2016 van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van [X] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [X] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 18 februari 2017.

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2017 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [X] met een jaar verlengd.

2.6.

Bij voornoemde beschikking van 18 februari 2015 is tevens de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [zusje 1] en [zusje 2] (tweelingzusje van [X] ) uitgesproken. De zusjes van [X] zijn niet uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling van de zusjes is na 18 februari 2017 verlopen en er is geen verzoek tot verlenging daarvan ingediend.

2.7.

De GI heeft zich bij brief van 12 januari 2017 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogd over [X] te benoemen. De Raad stelt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:266, eerste lid, sub a BW en verwijst ter onderbouwing naar de conclusies in het raadsrapport van 5 januari 2017.

3.2.

De Raad stelt in haar rapport dat de verwachting is dat de ouders de extra zorg die [X] nodig heeft als gevolg van zijn ontwikkelings- en kindgebonden problematiek niet

kunnen bieden. De ontwikkeling van [X] zal stagneren of er zal sprake zijn van regressie als de ouders nu verantwoordelijk worden voor zijn opvoeding en verzorging.

De afgelopen periode is er door diverse oorzaken geen zicht gekomen op de veranderingsmogelijkheden van ouders noch op de vraag of zij zich voldoende pedagogische vaardigheden hebben eigen gemaakt om [X] dát te bieden wat hij nodig heeft. De GI heeft een aantal voorwaarden opgesteld om terugplaatsing van [X] te bewerkstelligen. Naast een gefaseerde begeleide omgang werd ook in de thuissituatie hulpverlening ingezet middels Triple P. De moeder heeft Triple P stopgezet. In de behandelplanbespreking met het Pedagogisch Sociaal Werk (PSW) is naar voren gekomen dat er bij thuisplaatsing volgens PSW een regressie op de loer ligt. De zorg bestaat dat de inhaalslag die [X] heeft doorgemaakt in zijn ontwikkeling, sinds hij in het huidige pleeggezin woont, bij terugval mogelijk niet hersteld kan worden.

3.3.

Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat op dit moment voor alle betrokkenen duidelijk is dat [X] niet op korte of middellange termijn thuis kan worden geplaatst. Voor [X] is volgens de Raad de aanvaardbare termijn om nog te werken aan een thuisplaatsing verstreken. Hij moet duidelijkheid hebben over zijn toekomstperspectief en gelet op alles wat er is gebeurd en de verstreken tijd ligt zijn perspectief in het pleeggezin. Het is echter wel van belang dat er een goed contact gaat ontstaan tussen de ouders en [X] en tussen [X] en zijn zusjes. Toegewerkt moet worden naar een volwaardige omgangsregeling.

4 De standpunten van belanghebbenden

4.1.

De ouders zijn het absoluut niet eens met het verzoek van de Raad. Zij willen dat er naartoe wordt gewerkt dat [X] weer thuis kan komen wonen. Zowel de ouders als de zusjes van [X] missen hem heel erg. De moeder geeft toe dat zij onjuist heeft gehandeld door in april 2016 een ultimatum te stellen aan de GI. Dit deed zij echter uit onmacht, omdat de omgang werd teruggebracht terwijl zij wilde toewerken naar een thuisplaatsing. De psycholoog waar de moeder al 1,5 jaar onder behandeling is concludeert dat er geen sprake is van een traumatiserend verleden waardoor moeder [X] als jongen anders zou behandelen dan de meisjes in het gezin. De GI is steeds ten onrechte van deze veronderstelling uitgegaan en heeft moeder ten onrechte verweten dat zij hiervoor geen hulp heeft gezocht terwijl de moeder zich direct tot een psycholoog heeft gewend die juist heeft geconstateerd dat de veronderstelling van de GI nergens op is gebaseerd. Er is sprake geweest van een moeilijke start omdat [X] meer zorg nodig had en de moeder moeite had met het verdelen van haar aandacht. De moeder trekt de meisjes echter niet voor en houdt net zoveel van [X] . Dat de ondertoezichtstelling van de zusjes van [X] niet is verlengd, toont aan dat er geen problemen meer zijn in het gezin die een gedwongen kader van hulpverlening vereisen. De ouders hebben gewerkt aan de problemen die er volgens de GI waren en [X] hoort op te groeien bij zijn ouders en zusjes. De ouders snappen dat een thuisplaatsing niet op korte termijn kan, maar zij vinden dat ze bij de huidige gang van zaken geen eerlijke kans hebben gekregen om te laten zien dat ze wel goed voor [X] kunnen zorgen. Ook al zou het enkele jaren duren, de ouders willen toewerken naar een thuisplaatsing.

De GI heeft eind 2016 zonder voorbehoud tegen ouders gezegd dat zij [X] nog maar eens per drie maanden zouden mogen zien. De CHOP-list die is ingevuld en die is gebruikt ter onderbouwing van de beperkte omgangsregeling is niet volgens de regels ingevuld en er staat foutieve informatie in. De ouders zijn hier erg van geschrokken en hebben geen vertrouwen in de GI.

4.2.

De GI geeft ter zitting aan dat, indien het komt tot een gezag beëindigende maatregel, er voor iedereen duidelijkheid ontstaat over het perspectief van [X] . Dit perspectief ligt bij de pleegouders. Zij hebben veel geïnvesteerd in [X] en dat is zijn ontwikkeling ten goede gekomen. De ouders hebben niet gewerkt aan de voorwaarden voor een thuisplaatsing en hebben zelf het contact in april 2016 volledig verbroken waarna zij enige tijd onbereikbaar bleven, ook voor [X] . Er is veel gebeurd in het jonge leven van [X] en tijdens de tweede uithuisplaatsing toen [X] 2,5 jaar was, is duidelijk besproken dat [X] alleen terug kon komen indien de situatie bij de ouders sterk zou veranderen. Ouders spannen zich daar niet voor in en de moeder erkent niet dat er problemen zijn in de interactie tussen haar en [X] . [X] heeft specifieke zorg en aandacht nodig en de pleegouders kunnen daarin voorzien.

Met ouders kan het na een gezagsbeëindiging meer gaan over het contact tussen [X] en ouders. De verwachting is dat ouders dan niet langer bezig zullen zijn met de strijd, maar zich zullen richten op de omgang met [X] . Volgens de CHOP-list zou het contact bij de huidige stand van zaken eenmaal per drie maanden moeten plaatsvinden, gedurende een uur. Deze lijst is correct ingevuld en de draagkracht en draaglast van [X] is daarbij leidend. Het contact tussen [X] en zijn zusjes zou op dezelfde manier kunnen plaatsvinden, maar niet gelijktijdig met de ouders.

De GI acht het van belang dat de voogdij bij hen komt te liggen, aangezien zij een neutrale partij zijn. De relatie tussen ouders en pleegouders is kwetsbaar.

4.3.

De pleegouders delen mee dat het goed gaat met [X] . Hij heeft veel aandacht en duidelijkheid nodig. Na het recente omgangsmoment in januari was [X] een paar dagen heel verdrietig en ook daarna nog erg van slag. PSW gaf aan geschrokken te zijn van de terugval van [X] . De pleegouders staan achter contact van [X] met zijn ouders en zusjes. Hoe vaak dat zal zijn is voor hen afhankelijk van wat [X] aan kan.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op het moment dat [X] en zijn zusjes bij beschikking van 18 februari 2015 onder toezicht werden gesteld, stond het gezin erg onder druk. Aan de ondertoezichtstelling gingen reeds vooraf bemoeienissen met (leden van) het gezin vanuit de Mutsaersstichting, Steunpunt Huiselijk Geweld, BJZ, Proteion en Kentalis.

[X] was een peuter die veel aandacht eiste en er was sprake van zorgelijke signalen zoals hoofdbonken. De vader werd beschuldigd van een strafbaar feit en de opvoeding en zorg kwam grotendeels op de schouders van de moeder terecht. Tijdens thuisbegeleiding vanuit de Mutsaersstichting viel op dat het interactiepatroon tussen de moeder en [X] ernstig was verstoord. Enkele maanden na de ondertoezichtstelling hebben de ouders aangegeven dat het hen teveel werd en dat [X] uit huis moest. [X] is in een crisispleeggezin geplaatst, welke plaatsing op verzoek van de ouders na korte tijd werd omgezet in een weekendplaatsing. Met de ouders werd besproken dat hulpverlening nodig was om de situatie thuis te verbeteren, voordat [X] weer volledig thuis kon wonen. Ouders gaven kort daarna zelf aan klaar te zijn voor de beëindiging van de uithuisplaatsing. De GI is daarin meegegaan, met gezinsbegeleiding vanuit de Mutsaersstichting, maar na enkele weken berichtten ouders de GI opnieuw dat zij de zorg voor [X] niet aan konden en hij met spoed uit huis moest. Door de Mutsaersstichting werd ook gezien dat [X] terug bleef vallen in zijn ontwikkeling en dat er sprake bleef van onveilige hechting. [X] werd korte tijd later in het huidige pleegezin geplaatst en geconstateerd werd dat sprake was van onderstimulatie en een jongetje dat veel behoefte had aan structuur en aandacht van volwassenen. De pleegouders zijn aan deze behoefte van [X] tegemoet gekomen en de ontwikkelingsachterstand die [X] had opgelopen is in ongeveer anderhalf jaar tijd bijna volledig ingelopen. Het zorgelijk gedrag is aanzienlijk afgenomen en toen [X] vier jaar werd kon hij zelfs instromen op een reguliere basisschool.

5.3.

De rechtbank constateert op basis van de overgelegde stukken dat [X] onrustig reageerde op de uitbreiding van de omgang begin 2016 en dat de moeder, na een moeilijk omgangsmoment, in april 2016 een ultimatum aan de GI heeft gesteld. [X] moest per direct thuis komen wonen of ouders zouden het contact verbreken. Hoewel de moeder erkent dat zij toen niet goed heeft gehandeld, vraagt de rechtbank zich af of ouders ten volle beseffen hoe schadelijk het voor [X] is (geweest) dat zijn ouders na wekelijks contact en een opbouw van de omgang ineens maanden niets van zich hebben laten horen. Pogingen van de GI om in overleg te treden met de ouders liepen op niets uit en pas in oktober 2016, op het moment dat eventuele gezagsbeëindiging in beeld komt, nemen de ouders weer contact met de GI op.

Wat er ook zij van hun conflicten met de GI, de ouders hadden zich de impact van hun handelen op [X] moeten realiseren en niet in strijd met zijn belang het contact volledig moeten verbreken. [X] was immers al eerder, in 2015, beschadigd door in een korte periode meerdere malen uit huis te worden geplaatst.

5.4.

Vast staat dat na april 2016 er maandenlang geen contact tussen [X] en de ouders heeft plaatsgevonden. Vanuit het perspectief van een jong kind als [X] is dat heel lang en zodoende is er zeer veel kostbare tijd verloren gegaan. Pas in januari 2017 is weer sprake geweest van een contactmoment, waar [X] onrustig op heeft gereageerd en waarna zijn ontwikkeling weer is gestagneerd. De rechtbank overweegt dat dit niet hoeft te betekenen dat het contact met zijn ouders op zichzelf niet goed is voor [X] . Zijn reactie kan immers ook te wijten zijn aan de lange periode waarin [X] zijn ouders niet heeft gezien en/of aan de onduidelijkheid bij [X] over zijn perspectief. De reactie van [X] betekent echter wel dat zorgvuldig moet worden gekeken naar de omgang en hetgeen dit bij [X] oproept.

5.5.

Verder staat vast dat [X] zich hecht aan zijn pleegouders, dat hij zich daar goed ontwikkelt en de pleegouders hem de structuur, duidelijkheid en stimulatie geven die hij nodig heeft. De pleegouders komen daarmee tegemoet aan de specifieke ontwikkelingsbehoeften van [X] , zoals ook de GI en de Raad hebben geconstateerd.

5.6.

Gelet op alle hiervoor geschetste omstandigheden is duidelijk dat niet, zoals ook de Raad heeft gesteld en de ouders hebben erkend, op korte of middellange termijn kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [X] . De rechtbank is met de Raad van oordeel dat dit betekent dat de aanvaardbare termijn voor [X] is verstreken of zal verstrijken voordat naar een thuisplaatsing – als dit al haalbaar zou zijn, gelet op de eerdere pogingen daartoe – zou kunnen worden toegewerkt. Dit betekent dat het perspectief van [X] bij de pleegouders ligt. Het is voor [X] van belang dat dit ook voor hem duidelijk is, gelet op de wijze waarop hij reageert op contact met de ouders en de vragen die hij aan de ouders en pleegouders stelt.

Dat de ouders hun best hebben gedaan de thuissituatie te verbeteren en dat een verlenging van de ondertoezichtstelling van de zusjes van [X] niet nodig werd geacht, is positief. Deze positieve ontwikkeling maakt het voorgaande echter niet anders, nu de situatie van [X] gelet op zowel zijn eigen problematiek als op hetgeen er sinds de eerste ondertoezichtstelling is gebeurd en de tijd die inmiddels is verstreken, heel anders is dan die van zijn zusjes.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de informatie van mevrouw [psycholoog] , de psycholoog van de moeder, waarin vanuit het perspectief van de moeder wordt weergegeven hoe de moeder/ouders het hele proces rondom [X] (hebben) ervaren en waar zij tegen aan zijn gelopen en nog lopen.

Uit die informatie blijkt echter evenzeer dat thuisplaatsing van [X] binnen afzienbare tijd niet mogelijk is en dit brengt de rechtbank dan ook niet tot een andere conclusie.

5.7.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen.

5.8.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [X] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem te benoemen. De voorgestelde voogd heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij en overweegt daarbij als volgt.

5.9.

De relatie tussen de ouders en pleegouders is kwetsbaar en van belang is dat een neutrale partij de voogdij uitvoert. De rechtbank merkt daarbij op dat voor de ontwikkeling van [X] van groot belang is dat sprake kan zijn van een goede (werk)relatie tussen de ouders, de pleegouders en degene die de voogdij in opdracht van de voogd uitvoert. [X] zal degene zijn die eronder te lijden heeft indien de verstandhouding tussen deze drie partijen verstoord is of raakt. Voor hem is het immers belangrijk dat deze mensen samen werken en het contact tussen hem en de ouders en zijn zusjes – voor zover dat mogelijk is in relatie tot de draagkracht van [X] – stimuleren. In dit verband is relevant dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de relatie tussen de GI en de ouders ernstig verstoord is geraakt door hetgeen in het verleden is gebeurd en door de door de GI voorgestelde contactregeling van slechts een uur per drie maanden. De rechtbank vraagt de hierna te benoemen voogd daarom om ook speciaal aandacht te hebben voor het onderzoeken van de mogelijkheden om de band tussen [X] en zijn ouders en zusjes op te bouwen en te komen tot een meer frequente en regelmatige omgangsregeling. Ook de Raad concludeert immers in zijn rapport dat zoveel mogelijk zou moeten worden toegewerkt naar een volwaardige omgangsregeling, nu het contact met zijn ouders en zusjes voor [X] erg belangrijk is. De rechtbank wijst in dit verband ook op de observaties van de psycholoog, die wellicht kunnen helpen om de ouders in de nieuwe situatie hun ouderrol op te laten pakken.

6 De beslissing


De rechtbank:

6.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag moeder] 1989 te [geboorteplaats moeder] en [de vader] , geboren op [geboortedag vader] 1983 te [geboorteplaats vader] , over [X] ;

6.2.

benoemt tot voogd over genoemde minderjarige Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.B.T.G. Steeghs (voorzitter), mr. L. Bastiaans en mr. E.J.M. Derix-Boogaard, kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.V.M. Smeets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch