Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2188

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
03/659348-16 en 03/069457-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:5345, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging tot moord c.q. doodslag wegens ontbreken aanmerkelijke kans op een dodelijke verwonding en wegens het ontbreken van een alternatieve tenlastelegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659348-16 en 03/069457-16 (TUL)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2017

in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond te Roermond.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. D. Nieuwenhuis, advocaat kantoorhoudend te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 maart 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om – al dan niet met voorbedachten rade – [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] te doden;

feit 2: een personenauto toebehorende aan [naam benadeelde partij 4] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor de voorbedachten rade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag alsmede de onder 2 ten laste gelegde vernieling kan worden bewezenverklaard.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van de inzittenden van de personenauto. Verdachte heeft immers door de keuze te maken om meerdere malen met een wapen op een auto te schieten, waarin zich drie personen bevonden en waarbij sprake was van beperkte bewegingsruimte, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij deze personen zou raken en dodelijk zou verwonden door afketsing van de kogel op enig onderdeel van de auto.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar het aangetroffen projectiel in de Mercedes van [naam benadeelde partij 4] en het onderzoek van het NFI, waaruit blijkt de twee aangetroffen hulzen uit hetzelfde wapen afkomstig zijn.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman – zakelijk weergegeven –aangevoerd dat:

  • -

    geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld;

  • -

    geen bewijs voorhanden is dat verdachte opzet, in de zin van “willens en wetens”, had op de dood van [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] of [naam benadeelde partij 3] ;

  • -

    geen sprake is van een aanmerkelijke kans dat (een of meer) inzittenden van de personenauto als gevolg van het handelen van verdachte om het leven hadden kunnen komen;

  • -

    verdachte niet bewust heeft aanvaard of op de koop toe heeft genomen dat [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] of [naam benadeelde partij 3] gedood zouden worden doordat hij heeft geschoten, omdat verdachte heeft gedacht dat dit gevolg nooit zou kunnen intreden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier een aangifte bevat met een foto van de achterkant van de betreffende Mercedes met een gat in de bumper. Het dossier bevat echter geen bewijs dat er een kogel is aangetroffen in de Mercedes van [naam benadeelde partij 4] , noch blijkt dat dit een kogel is die identiek is aan de kogel welke in de auto van [naam benadeelde partij 1] is aangetroffen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 september 2016 te Roermond twee schoten heeft gelost bij een personenauto, waarin zich op dat moment [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] en [naam benadeelde partij 3] bevonden. Voorts heeft hij verklaard dat hij de eerste keer naar de grond schoot en hij het tweede schot gericht schuin door de achterruit heeft geschoten op het moment dat [naam benadeelde partij 3] , welke op de achterbank zat, naar voren boog. Het was niet verdachtes bedoeling iemand te raken, maar hij wilde enkel [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] bang maken.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen bewijsmateriaal voorhanden is op grond waarvan kan worden aangenomen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken.

Om te komen tot een bewezenverklaring voor poging doodslag moet sprake zijn van opzet, al dan niet voorwaardelijk, op dit gevolg. De verklaring van verdachte biedt geen steun voor de aanname dat verdachte de bedoeling had om de inzittenden van de personenauto dood te schieten. De vraag is dan ook of sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke zin. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt:

Verdachte heeft verklaard dat hij het eerste schot naar de grond loste, hetgeen wordt bevestigd door de inzittenden van de auto. De rechtbank is van oordeel dat met dit schot de kans op een ricochet (afketsing) aanwezig is waarbij de kans dat daarbij iets geraakt wordt in een straat vol objecten op zichzelf beschouwd aanwezig is. Dit betekent niet automatisch dat daarmee ook de kans dan één of meer van de inzittenden van het voertuig hierdoor om het leven zouden komen ook als “aanmerkelijk” moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve voor dit schot niet worden vastgesteld dat de kans daarop aanmerkelijk was.


Evenmin acht de rechtbank met betrekking tot het tweede schot de aanmerkelijk kans aanwezig dat de inzittenden daardoor zouden worden geraakt. Verdachte stond blijkens zijn eigen verklaring en de getuigenverklaringen op dat moment op korte afstond van de auto ter hoogte van het bestuurdersportier. Vervolgens heeft hij gericht, en naar hij stelt bewust op het moment dat [naam benadeelde partij 3] , die rechts op de achterbank zat, naar voren boog, schuin in de richting van de achterruit geschoten, zodat [naam benadeelde partij 3] zich niet in de schietbaan bevond. Dit wordt ook bevestigd door het schotonderzoek dat de politie heeft uitgevoerd. De kogelbaan is vlak langs de hoofdsteun links achter gegaan. Ook [naam benadeelde partij 1] en [naam benadeelde partij 2] , die voor in de auto zaten, bevonden zich niet in de schietbaan. Hoewel ook bij dit schot de kans op ricochet (afketsing) aanwezig was, acht de rechtbank de kans dat de inzittenden daardoor zouden worden geraakt niet aanmerkelijk, aangezien dat zou betekenen dat de kogel in een volledig tegengestelde richting terug naar voren zou moeten afketsen. Hoewel theoretisch wellicht niet volledig uit te sluiten, acht de rechtbank deze gang van zaken niet zozeer waarschijnlijk dat gesproken kan worden van een “aanmerkelijke kans”. De rechtbank overweegt dat zij bij dit oordeel met betrekking tot het opzet, eventueel in voorwaardelijke zin, acht heeft geslagen op het feit dat verdachte eenvoudig recht vooruit in de auto had kunnen schieten maar dat hij dat, door het wegdraaien van zijn arm naar rechts, bewust niet gedaan heeft en dat ook [naam benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij de gedraging van verdachte opgevat heeft als willen bedreigen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat ook naar de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte niet gesteld kan worden dat daaruit de kans op het intreden van de dood van een of meerdere inzittenden door verdachte is aanvaard.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, zodat verdachte ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Daarbij merkt de rechtbank ten overvloede op dat wat er ook zij van het handelen van verdachte jegens [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] of [naam benadeelde partij 3] , zij dit alleen dient te beoordelen aan de hand van de door de officier van justitie ten laste gelegde feiten. Nu andere mogelijke strafbare gedragingen, zoals verboden wapenbezit of bedreiging, niet (al dan niet subsidiair) ten laste zijn gelegd, kan de rechtbank zich daarover niet uitspreken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Aangever [naam benadeelde partij 4] heeft in zijn aangifte2 verklaard dat hij op 2 september 2016 zijn auto, een Mercedes Benz A180 met het kenteken [kenteken 1] had geparkeerd op de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] te Roermond. Omstreeks 18.15 uur hoorde hij twee harde knallen en bleek er een schietincident te zijn geweest. Omstreeks 23.00 uur stapte hij in zijn auto en hoorde hij dat de parkeersensor af bleef gaan. Hij stapte uit en zag in de achter-bumper onder de kentekenplaat een gaatje. Aangever is naar het politiebureau gereden en daar heeft men een kogel uit de auto gehaald.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 6 maart 2017 verklaard dat hij op 2 september 2016 op de [straat 1] te Roermond twee keer heeft geschoten. Het eerste schot was naar de grond gericht. Het kan zijn dat deze kogel is afgeketst op het asfalt. Het tweede schot was gericht op de achterruit van de Peugeot van [naam benadeelde partij 1] .

Op de [straat 1] te Roermond zijn twee patroonhulzen aangetroffen. De verschoten hulzen waren van het kaliber .45. In de Peugeot is in de binnenzijde van de kofferbakkklep een afgevlakt projectiel van het kaliber .45 aangetroffen.3

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 2 september 2016 op de [straat 1] te Roermond twee keer heeft geschoten. Een van de kogels is aangetroffen in de Peugeot van [naam benadeelde partij 1] . Blijkens de aangifte van [naam benadeelde partij 4] is in de bumper van zijn Mercedes, welke op betreffend tijdstip ook de op [straat 1] te Roermond stond geparkeerd eveneens een kogel aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat deze kogel afkomstig is van het eerste schot dat verdachte richting de grond heeft gelost. Immers blijkt uit de aangifte dat aangever enkele uren na het schietincident het gat in zijn bumper heeft geconstateerd en naar het politiebureau is gereden, waar men een kogel heeft verwijderd. Voorts blijkt niet dat de auto van aangever [naam benadeelde partij 4] nog in de aanwezigheid van andere schietincidenten is geweest. Verdachte heeft naar oordeel van de rechtbank door richting de grond, bestaande uit asfalt te schieten de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze kogel zou kunnen afketsen en ergens in terecht zou kunnen komen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

op 2 september 2016 in de gemeente Roermond opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk/type Mercedes-Benz A180, gekentekend [kenteken 1] ) toebehorende aan [naam benadeelde partij 4] heeft beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5 De straf en/of de maatregel

5.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging verwezen naar de aanleiding van het incident, de meewerkende houding van verdachte alsmede naar de inhoud van de psychologische rapportage d.d. 18 januari 2017, waarin wordt geadviseerd om de detentie van verdachte te beperken om te voorkomen dat verdachte daadwerkelijk een antisociale persoonlijkheidsstoornis gaat ontwikkelen. De raadsman heeft verzocht het advies van de psycholoog te volgen, inhoudende een fors voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, zodat verdachte zich met enige steun kan ontwikkelen tot een verantwoordelijke volwassene en voldoende ingebed raakt in de reguliere maatschappij.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 2 september 2016 op de openbare weg in een woonwijk met winkels en op een tijdstip dat er veel bedrijvigheid was, geschoten met een vuurwapen, waardoor de personenauto van [naam benadeelde partij 4] is beschadigd. Verdachte heeft daarbij niet alleen materiele schade veroorzaakt, maar ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aangetast. Het is evident dat een schietincident bij de directe omwonenden en aanwezigen tot grote onrust en gevoelens van angst leidt.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging mede acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte reeds enkele malen eerder is veroordeeld voor in het bijzonder geweldsdelicten. Verdachte liep nota bene in de proeftijd van opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Blijkbaar heeft dit hem niet ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twee weken een passende straf.

6 De vordering tot tenuitvoerlegging

Verdachte is bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank d.d. 15 juli 2016 met parketnummer 03/069457-16 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 30 juli 2016.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

De raadsman heeft zich, gelet op de bepleitte vrijspraken, primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vordering tot tenuitvoerlegging. Subsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de inhoud van de psychologische rapportage, de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit de vordering tot tenuitvoerlegging toewijsbaar is. De rechtbank zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes weken. De rechtbank ziet geen reden deze straf om te zetten in een taakstraf. Verdachte was genoegzaam gewaarschuwd, welke waarschuwing hij vrij snel in de wind heeft geslagen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 2 weken;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;

Vordering tot tenuitvoerlegging 03/069457-16:

- gelast dat de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstaf voor de duur van 6 weken, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.P. van Deventer, voorzitter, mr. drs. J.M.A. van Atteveld en mr. F.L.G. Geisel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2017.

Mr. drs. J.M.A. van Atteveld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 2 september 2016 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] , althans een of meer inzittende(n) van de personenauto met kenteken [kenteken 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal (vanaf korte afstand) in de richting van (het/de licha(a)m(en) van) die [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] , althans een of meer (andere) inzittende(n) van die personenauto, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 2 september 2016 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] , althans een of meer inzittende(n) van de personenauto met kenteken [kenteken 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal (vanaf korte afstand) in de richting van (het/de licha(a)m(en) van) die [naam benadeelde partij 1] en/of [naam benadeelde partij 2] en/of [naam benadeelde partij 3] , althans een of meer (andere) inzittende(n) van die personenauto, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 2 september 2016 in de gemeente Roermond opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk/type Mercedes-Benz A180, gekentekend [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, Districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg proces-verbaalnummer 2016162527, gesloten d.d. 21 oktober 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 381.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 6 september 2016, pagina 224-225.

3 Proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 3 november 2016, pagina 230-232.