Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2183

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C/03/231663 / KG ZA 17-60
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verhuurder heeft de woning van huurders ontruimd en de sloten van het gehuurde vervangen. Huurders vorderen toelating tot de woning, terugplaatsing van de verwijderde inboedel en schadevergoeding. Het verweer van verhuurder dat de huurders de huurovereenkomst hebben opgezegd slaagt niet omdat hij na getuigenverhoor niet geslaagd is bewijs te leveren van deze opzegging. Vordering tot toelating in de woning en terugplaatsing van de zaken van huurders wordt desondanks afgewezen omdat de woning inmiddels aan een ander persoon verhuurd wordt. Toewijzing van een voorschot van € 6000,00 wegens materiële en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2017/11 met annotatie van Mr. D. Briedé
PS-Updates.nl 2017-0248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/231663 / KG ZA 17-60

Vonnis in kort geding van 8 maart 2017

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

2. [eiser sub 2],

wonend te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. C.H.J.M. van Heugten te Sittard,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de als conclusie van antwoord aan te merken brief van [gedaagde] , ingekomen op 13 februari 2017

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 februari 2017, waarbij door de voorzieningenrechter aan [gedaagde] (getuigen)bewijs is opgedragen,

  • -

    het proces-verbaal van het op 24 februari 2017 gehouden getuigenverhoor.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] heeft op 1 juli 2013 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met [gedaagde] . Bij die gelegenheid heeft zij niet alleen de huurovereenkomst ondertekend maar ook diverse bijlagen waaronder een formulier “Beëindiging huurcontract”. De huurovereenkomst ziet op de huur van de woning aan het adres [adres] te [woonplaats 1] . De huurovereenkomst vermeldt een voorschot servicekosten van € 85,00 per maand.

2.2.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn gehuwd.

2.3.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben zich tot de huurcommissie gewend teneinde de hoogte van de servicekosten over de jaren 2014 en 2015 te laten vaststellen.

2.4.

Bij uitspraak van 31 augustus 2016 heeft de huurcommissie de servicekosten over het jaar 2015 vastgesteld op € 741,47 (€ 278,53 minder dan de door [gedaagde] aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] over dat jaar in rekening gebrachte servicekosten).

2.5.

Over de hoogte van de servicekosten in het jaar 2014 heeft de huurcommissie (nog) geen uitspraak gedaan. Wel heeft de adviescommissie geadviseerd vast te stellen dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] € 417,39 te veel aan [gedaagde] betaald hebben over dat jaar.

2.6.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben [gedaagde] tevergeefs gesommeerd tot betaling van de teveel aan hen in rekening gebrachte servicekosten.

2.7.

[eiser sub 2] is als zelfstandig tegelzetter werkzaam in Duitsland. [eiseres sub 1] is hem bij lichtere werkzaamheden behulpzaam.

2.8.

[gedaagde] heeft op 1 februari 2017 de woning van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ontruimd en de sloten van de woning vervangen. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] waren op dat moment werkzaam in Duitsland. [gedaagde] heeft de zaken van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] opgeslagen.

2.9.

In de daarop volgende contacten tussen [eiseres sub 1] , [eiser sub 2] en hun gemachtigde enerzijds en [gedaagde] anderzijds heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de huur hebben opgezegd tegen 1 februari 2017. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben dit betwist.

2.10.

[gedaagde] heeft met [naam huurder] een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan hij de woning met ingang van 3 februari 2017 aan [naam huurder] verhuurt.

2.11.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben in de nacht van 1 op 2 februari 2017 verbleven in een hotel te Urmond voor een bedrag van € 131,26.

2.12.

Vanaf 2 februari 2017 verblijven [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in een pension voor € 525,00 per week.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen samengevat - [gedaagde] te veroordelen:

  1. om hen vrije en onbelemmerde toegang te verlenen tot de woning aan het adres [adres] te [woonplaats 1] , met afgifte van de sleutels van de woning,

  2. de door hem uit de woning verwijderde zaken terug te plaatsen in de woning,

  3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 12.000,00 op de aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] toekomende schadevergoeding,

  4. tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] na betekening van dit vonnis in gebreke blijft onverwijld, althans binnen 24 uur na betekening aan dit vonnis te voldoen

  5. tot betaling van de proceskosten, inclusief de kosten van betekening en de executie van het vonnis.

3.2.

Ter onderbouwing van hun vordering hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] (samengevat) aangevoerd dat de huurovereenkomst niet is opgezegd tegen 1 februari 2017. Zij vermoeden dat [gedaagde] de woning ontruimd heeft in verband met het conflict omtrent de hoogte van de servicekosten. De gevorderde schadevergoeding bestaat zowel uit materiële als immateriële schade. Dit onderdeel hebben zij nader onderbouwd met een voorlopige schadestaat (productie 18).

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorzieningen staat vast.

4.2.

[gedaagde] heeft ter zitting op 15 februari 2017 het (volgens hem) originele, van [eiseres sub 1] afkomstige, formulier overgelegd waarin zij de huurovereenkomst tegen 1 februari 2017 opgezegd zou hebben. Het betreft een voorgedrukt formulier waarop uitsluitend de einddatum, de dagtekening en de ondertekening met pen geschreven zijn. [eiseres sub 1] sluit niet uit dat de handtekening op het formulier van haar afkomstig is. Wel stelt zij dat zij op het formulier niet de datum waartegen opgezegd wordt en evenmin de dagtekening 26-12-2016 ingevuld heeft. Volgens [eiseres sub 1] heeft zij ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst niet alleen de huurovereenkomst maar ook alle bijlagen en in ieder geval dit formulier dat toen nog niet ingevuld was ondertekend.

4.3.

[gedaagde] stelt dat de huurovereenkomst met [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] is geëindigd als gevolg van de opzegging door [eiseres sub 1] . [eiser sub 2] heeft geen beroep gedaan op het bepaalde in art. 7:266 lid 3 BW, zodat de voorzieningenrechter deze bepaling niet bij de beoordeling van het geschil zal betrekken.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu [eiseres sub 1] stellig ontkent dat zij het formulier heeft ingevuld, het op de weg van [gedaagde] ligt om in deze procedure aannemelijk te maken dat in een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk zal worden geoordeeld dat [eiseres sub 1] de huurovereenkomst tegen 1 februari 2017 opgezegd heeft. Bij dit oordeel heeft de voorzieningenrechter ook betrokken dat de gehele gang van zaken omtrent de opzegging merkwaardig verlopen is. Normaliter zal er na een opzegging enig contact tussen huurder en verhuurder zijn omtrent de oplevering, het inleveren van de sleutels, het (al dan niet) terugbetalen van de waarborgsom en eventuele andere praktische zaken. Door [gedaagde] is niet gesteld noch is gebleken dat partijen voor 1 februari 2017 nader contact hebben gehad omtrent de opzegging tegen 1 februari 2017. Dit doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door [gedaagde] gestelde opzegging. Ook om die reden ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bewijslast dat daadwerkelijk tegen 1 februari 2017 is opgezegd bij [gedaagde] te leggen.

4.5.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing dat de huurovereenkomst is opgezegd tegen 1 februari 2017 betoogd dat hij op 2 januari 2017 rond 19.00/20.00 uur de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gehuurde woning heeft bezichtigd met [getuige 1] en [getuige 2] omdat deze personen eventueel de woning wilden huren. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] bij de bezichtiging aanwezig waren en dat zij toen aan [getuige 1] en [getuige 2] hebben medegedeeld dat zij de woning uiterlijk op 1 februari 2017 zouden verlaten. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben dit gemotiveerd betwist. Zij stellen dat zij op 2 januari 2017 niet op of rond die tijd in hun woning aanwezig waren omdat zij die dag eerst naar Luxemburg waren gereden met de auto, daarna zijn doorgereden naar Bruttig-Fankel (in de omgeving van Cochem te Duitsland) en dat zij eerst rond 22.00/22.30 uur zijn thuis gekomen. Daarop heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat de huurovereenkomst is opgezegd tegen 1 februari 2017 en dat hij de woning op 2 januari 2017 met [getuige 2] en [getuige 1] bezocht heeft en dat toen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] ook aanwezig waren.

4.6.

In het kader van het aan [gedaagde] opgedragen bewijs, heeft op 24 februari 2017 een getuigenverhoor plaatsgevonden. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.7.

[gedaagde] en de twee door hem naar voren gebrachte getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben alle drie verklaringen afgelegd omtrent de gang van zaken tijdens de (gestelde) bezichtiging op 2 januari 2017. De bezichtiging met [getuige 1] vond plaats rond 19.00 uur die dag en de bezichtiging met [getuige 2] een uur later rond 20.00 uur. Nadere details omtrent de gang van zaken tijdens de (gestelde) bezichtiging op 2 januari 2017 hebben zij niet kunnen geven. Het zijn zeer globale verklaringen zonder enige bijzonderheid. Zij stellen alle drie dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tijdens de bezichtiging aanwezig waren. Opvallend is dat zowel [getuige 1] als [getuige 2] aanvankelijk uitdrukkelijk verklaard hebben geen woord met [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gewisseld te hebben tijdens de bezichtiging. [getuige 1] en [getuige 2] zijn beiden door de voorzieningenrechter vervolgens gewezen op de door hen ondertekende verklaringen die door [gedaagde] zijn overgelegd en waarin staat dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] hen tijdens de bezichtiging medegedeeld hebben dat zij uiterlijk op 1 februari 2017 verhuisd zouden zijn. [getuige 2] heeft vervolgens verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] dit hem verteld hebben. [getuige 1] heeft zijn aanvankelijke verklaring vervolgens aangepast en gesteld dat [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] inderdaad hebben verteld dat zij per 1 februari 2017 zouden verhuizen. Voorts is opvallend dat [gedaagde] heeft verklaard dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tijdens de bezichtiging niet hebben gepraat over de opzegging en de verhuizing, hetgeen afwijkt van zijn eerdere in deze procedure ingenomen standpunt dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] wel degelijk tijdens de bezichtiging daarover gepraat hebben. Omdat [gedaagde] , [getuige 1] en [getuige 2] weinig consistent zijn in hun verklaringen omtrent hetgeen door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zou zijn medegedeeld en omdat de verklaringen uiterst globaal/algemeen zijn omtrent de gang van zaken tijdens de bezichtiging op 2 januari 2017, is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan deze verklaringen weinig waarde gehecht kan worden.

4.8.

Daar staat tegenover dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gedetailleerd hebben beschreven dat zij tot ongeveer 16.00 uur op 2 januari 2017 in Luxemburg waren. Zij hebben dit voorts onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat omstreeks dat tijdstip door [eiser sub 2] in een tankstation te Luxemburg met PIN betaald is. [gedaagde] heeft ook niet betwist dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot 16.00 uur in Luxemburg waren.

4.9.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben voorts gedetailleerde verklaringen afgelegd omtrent het aansluitende bezoek aan het wijngoed van mevrouw [getuige 4] te Bruttig Fankel. Ze zijn daar naar eigen zeggen (na oponthoud als gevolg van wegwerkzaamheden) rond 18.30/19.00 uur gearriveerd, hebben er wijn geproefd, wijn gekocht (zoete witte wijn) en zijn rond 20.00 uur vertrokken. De door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] naar voren gebrachte getuige mevrouw [getuige 4] heeft een verklaring afgelegd die in grote lijnen en ook op het onderdeel van het tijdstip van het vertrek rond 20.00 uur de verklaringen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] bevestigd.

4.10.

Gelet op de weinig geloofwaardige verklaringen van [gedaagde] en de door hem naar voren gebrachte getuigen en de daarentegen juist wel geloofwaardige verklaringen van [eiseres sub 1] , [eiser sub 2] en mevrouw [getuige 4] , is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] niet geslaagd is in het hem opgedragen bewijs. Naar alle waarschijnlijkheid zal derhalve in een bodemprocedure geoordeeld worden dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de huurovereenkomst niet opgezegd hebben tegen 1 februari 2017.

4.11.

Onderdeel 1 van de vordering van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is desondanks niet toewijsbaar. Vaststaat immers dat [gedaagde] de woning inmiddels reeds verhuurt aan [naam huurder] . [gedaagde] kan derhalve onmogelijk voldoen aan het in dit onderdeel gevorderde bevel om [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] weer tot de woning toe te laten. Hieruit volgt tevens dat onderdeel 2 van de vordering van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] evenmin toewijsbaar is.

4.12.

Voorshands moet het ervoor gehouden worden dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de met [eiseres sub 1] gesloten huurovereenkomst doordat hij de woning op 1 februari 2017 ontruimd heeft en [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de toegang tot de woning ontzegd heeft. Bovendien was [gedaagde] niet bevoegd tot ontruiming van de woning omdat

die bevoegdheid slechts de deurwaarder toekomt (zie de artikelen 555 en verder Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). [gedaagde] heeft zodoende dus onrechtmatig jegens [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gehandeld. De schade als gevolg van de tekortkoming/onrechtmatige daad dient [gedaagde] aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te vergoeden. Het voorschot op aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] door [gedaagde] te vergoeden schade zal de voorzieningenrechter vaststellen aan de hand van de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde voorlopige schadestaat.

Bij deze vaststelling wordt geen rekening gehouden met de door [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] gestelde gederfde inkomsten vanaf 16 februari 2017 van € 280,00 per dag, omdat zij niet hebben toegelicht waarom zij ook vanaf die datum nog inkomsten gederfd hebben. Ook de post extra/noodzakelijke inkopen is onvoldoende toegelicht om deze kostenpost als door [gedaagde] te vergoeden schade te betitelen. In verband met de verplichting aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] om schadebeperkend te handelen, worden voorts niet de volledige pensionkosten vanaf 12 februari 2017 tot heden toegewezen. Ex aequo et bono komt de voorzieningenrechter aldus tot een door [gedaagde] te betalen voorschot van afgerond

€ 6.000,00.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat geen dwangsom kan worden opgelegd in geval van veroordeling tot betaling van een geldsom (art. 611a Rv).

4.14.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding

De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,21

- griffierecht 78,00

- taxe getuige 700,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.902,21

4.15.

De vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de executiekosten zal worden afgewezen omdat deze kosten, als die al gemaakt worden, op voorhand niet begroot kunnen worden.

4.16.

De vordering tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening vat de voorzieningenrechter op als een (tot de betekeningkosten beperkte) vordering tot veroordeling in de nakosten. Dit onderdeel zal worden toegewezen op de wijze als in de navolgende beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om onverwijld aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 6.000,00 (zesduizend euro),

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 1.693,21,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 68,00 salaris advocaat en de explootkosten van de betekening, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen twee weken na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.1

1 type: RW