Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2042

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
C/03/218418 / HA ZA 16-163
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzet, daad van bekendheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/218418 / HA ZA 16-163

Vonnis in verzet van 8 maart 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MANAGEMENT INTERNATIONAL CONSULTANTS VENLO B.V.,

gevestigd te Venlo,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats eiser sub 2] ,

eisers,

gedaagden in het verzet,

advocaat mr. H.M.L. Dings te Venlo,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagden] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats gedaagden] ,

gedaagden,

eisers in het verzet,

advocaat mr. R.J.C. Geelen te Venlo.

Partijen zullen hierna MIC en [eiser sub 2] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het door deze rechtbank op 27 januari 2016 tussen MIC en [eiser sub 2] als eisers en [gedaagden] als gedaagden bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 03/214078 / HA ZA 15 - 702.

  • -

    de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord) van 11 maart 2016

  • -

    de brief van de rechtbank van 22 augustus 2016 waarbij de comparitie van partijen is gelast.

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

MIC en [eiser sub 2] hebben in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen om aan MIC en [eiser sub 2] te betalen een bedrag van € 60.214,57, te vermeerderen met 7% rente per jaar vanaf 1 januari 2010 tot het moment van algehele betaling en hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en in de nakosten.

2.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van MIC en [eiser sub 2] integraal toegewezen en is [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van MIC en [eiser sub 2] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 2.884,10, en in de nakosten.

2.3.

[gedaagden] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van MIC en [eiser sub 2] alsnog worden afgewezen.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

MIC en [eiser sub 2] hebben tijdens de comparitie van partijen als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [gedaagden] het verzet niet tijdig heeft ingesteld, en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het verzet.

3.2.

De rechtbank zal, mede gelet op dit gevoerde verweer eerst beoordelen of het verzet tijdig is gedaan. Pas wanneer die vraag bevestigend kan worden beantwoord, zal het verzet inhoudelijk worden beoordeeld.

3.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet verzet tegen een verstekvonnis worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het verstekvonnis aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door de veroordeelde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het verstekvonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

3.4.

Niet in geschil is, en de rechtbank stelt vast, dat het verstekvonnis op 15 februari 2016 aan [gedaagden] is betekend en dat de verzetdagvaarding dateert van 11 maart 2016. Het verzet is dus gedaan binnen een termijn van vier weken na de betekening van het verstekvonnis.

3.5.

MIC en [eiser sub 2] hebben echter aangevoerd dat [gedaagden] door toezending van het verstekvonnis bij aangetekend schrijven van 29 januari 2016, eerder dan het moment van de betekening van het verstekvonnis bekend was met het verstekvonnis. Daarom dient beoordeeld te worden of sprake is van enige daad van [gedaagden] waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het verstekvonnis aan hem bekend is.

3.6.

Uit vaste rechtspraak (zie onder andere HR 2 mei 1958, NJ 1958, 320 en HR 11 mei 1990 ECLI:NL:HR:1990:AC2014) volgt dat het kennis nemen van de inhoud van een verstekvonnis door het lezen van dit vonnis door de veroordeelde zelf een daad oplevert, waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is.

3.7.

[gedaagden] heeft tijdens de zitting ontkend zelf het aangetekende schrijven van 29 januari 2016 met daarbij het verstekvonnis (waartegen dit verzet is gedaan) in ontvangst te hebben genomen. Dit zou door zijn zoon of dochter in ontvangst zijn genomen. [gedaagden] heeft echter tijdens de zitting desgevraagd verklaard dat weliswaar één van zijn kinderen het aangetekend schrijven in ontvangst had genomen, maar hij toen wel heeft kennisgenomen van het verstekvonnis. In lijn met de hiervoor vermelde vaste rechtspraak heeft dit naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een daad van bekendheid met het verstekvonnis. Nu tussen dat moment en het doen van verzet meer dan vier weken zijn gelegen, is het verzet niet tijdig gedaan. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagden] niet-ontvankelijk is in het verzet.

3.8.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen. De kosten worden aan de zijde van MIC en [eiser sub 2] begroot op een bedrag van € 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00) aan salaris voor de advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart [gedaagden] niet-ontvankelijk in het verzet,

4.2.

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van MIC en [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 1.788,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Alink-Steinberg en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.1

1 type: CB coll: