Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:2026

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
03/659115-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Limburg heeft aan drie verdachten gevangenisstraffen van 4 jaar opgelegd wegens het produceren van amfetamine in maart 2015 in een woning aan de [adres 1] in Well. Het gaat om mannen van 24, 27 en 31 jaar die zich bezighielden met grootschalige productie. De rechtbank heeft drie medeverdachten vrijgesproken omdat zij op basis van het onderzoek niet bewezen vindt dat ook deze verdachten amfetamine hebben gemaakt.

Daarnaast heeft de rechtbank een verdachte nog vrijgesproken van huisvredebreuk wegens overmacht, omdat de verdachte zich in acute nood bevond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659115-15

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens verdachte] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 oktober 2016 en 20 februari 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met anderen een grote hoeveelheid amfetamine opzettelijk heeft vervaardigd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie voert daartoe het volgende aan.

Verdachte is één van de vier personen die in het bosperceel in Well is aangehouden. Deze vier personen en het amfetaminelaboratorium in de woning aan de [adres 1] in Well staan onderling met elkaar in verband. Dat blijkt onder andere uit het volgende:

  • -

    In hetzelfde bosperceel als waar de mannen zijn aangehouden, zijn halfgelaatsmaskers en zwarte latexhandschoenen aangetroffen.

  • -

    Verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ruiken bij hun insluiting naar amfetamine.

  • -

    In het amfetaminelaboratorium is DNA van medeverdachte [medeverdachte 3] aangetroffen op handschoenen die zijn gedragen bij het productieproces.

  • -

    In het laboratorium zijn vingerafdrukken van medeverdachte [medeverdachte 6] gevonden op een notitieblok met aantekeningen over het productieproces van amfetamine en zijn DNA is aangetroffen op een drinkflesje in een productieruimte.

  • -

    Bij de aanhouding van verdachte wordt een afstandsbediening van de poort van de woning aan de [adres 1] aangetroffen, een paar handschoenen en 850 euro.

  • -

    Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben bij hun aanhouding sigarettenpeuken bij zich. Het verzamelen van peuken duidt op de intentie geen sporen achter te laten.

  • -

    Het vluchtgedrag van de verdachte en zijn medeverdachten.

Verdachte noch zijn medeverdachten geven tenslotte een verklaring die rechtvaardigt dat zij met bovenstaande materialen werden aangetroffen in een bos in Well. Dit alles in samenhang bezien, leidt de officier van justitie tot de conclusie dat verdachte samen met zijn medeverdachten amfetamine heeft geproduceerd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Op basis van de bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld of de verdachte als medeplichtige of als medepleger aan het tenlastegelegde kan worden aangemerkt. Er kan geen concrete betrokkenheid, bijdrage of rolverdeling van de verdachte worden vastgesteld. Er is geen bewijsmiddel dat de verdachte in het bewuste pand plaatst. Niet kan worden vastgesteld of de afstandsbediening van de poort aan de verdachte toebehoorde. De afstandsbediening is ten slotte pas bij de insluitingsfouillering aan het licht gekomen, hetgeen de mogelijkheid openlaat dat de afstandsbediening is doorgegeven. De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat de door de verbalisant [verbalisant] waargenomen amfetaminegeur bij de verdachte, niet als bewijsmiddel kan worden gebezigd. De wijze waarop deze geurherkenning heeft plaatsgevonden, roept vragen op over de betrouwbaarheid en de bewijswaarde. De bewijsmiddelen zijn niet exclusief voor het tenlastegelegde en er is ruimte voor verschillende andere scenario’s.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 26 maart 2015 gaat de politie naar aanleiding van een melding door de Regionale meldkamer naar de woning [adres 2] te Well (gemeente Bergen). De meldkamer geeft door dat daar een schietpartij zou hebben plaatsgevonden. Een persoon zou gewond zijn aan zijn arm en hij zou hevig bloeden. Verder zouden vier andere personen voortvluchtig zijn. In de woning treft de politie een vrouw en haar baby aan. De politie constateert verder dat een raam op de eerste verdieping van de woning is ingeslagen en dat een groot deel van de woning is besmeurd met bloed. Zij verklaarde dat een man haar woning was binnengedrongen, haar telefoon had gepakt en was weggegaan. Bij het binnendringen had hij zich zwaar verwond.

Teneinde de andere (gemelde) personen te achterhalen doet de politie verder onderzoek. Een buurtbewoner, genaamd [getuige 2] , heeft op 26 maart 2015 vier mannen zien lopen vanuit de [adres 1] te Well in de richting van de [adres 2] naar het bos. Deze mannen vielen hem op omdat ze allemaal minimaal één tas droegen. Eén van hen droeg een fel blauwe jas. Ook buurtbewoonster [getuige 3] had vier mannen, waarvan één met een fel blauw kledingstuk zien lopen in de richting van het bos. De politie traceert een aantal mannen in de buurt van een bosperceel. Omdat de politie nog steeds uitgaat van een schietpartij wordt op versterking gewacht alvorens de mannen aan te houden. Uiteindelijk worden vier mannen, genaamd [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [verdachte] (de verdachte) en [medeverdachte 6] in de nabijheid van elkaar aangehouden. In het bosperceel waar de verdachte en de medeverdachten worden aangehouden wordt verspreid van elkaar het volgende aangetroffen: twee AH tassen onder andere inhoudende diverse zwarte latex handschoenen en een halfgelaatmasker, drie lege blikjes, 1 paar zwarte handschoenen, een plastic tas van de Jumbo, een gsm Blackberry en een blauwe sporttas, inhoudende een jammer, een halfgelaatmasker, veiligheidsbrillen, een werkhandschoen en slippers. In de broek van [medeverdachte 3] wordt het rijbewijs van [medeverdachte 4] aangetroffen. Bij de verdachte wordt een afstandsbediening, een paar handschoenen en geld aangetroffen.

De getuige [getuige 1] meldde dat hij twee personen had zien lopen bij de woning [adres 1] te Well. Hij had die jongens nog nooit gezien. De woning stond volgens [getuige 1] al een aantal jaren leeg. [getuige 1] zag op een gegeven moment dat een van de jongens richting de poort liep van de woning aan de [adres 1] . Hij hoorde vervolgens dat iemand aan de poort zat. [getuige 1] belde even later in bij de meldkamer. Na de melding van [getuige 1] gaat de politie op onderzoek uit naar de [adres 1] te Well. Aldaar wordt een amfetaminelaboratorium aangetroffen.

Verdachte [verdachte]

Bij de insluiting van de verdachte wordt een afstandsbediening aangetroffen. Na onderzoek werkt de afstandsbediening op een hekwerk dat toegang geeft tot het erf van de woning aan de [adres 1] . Bij de verdachte wordt verder een paar handschoenen en 825 euro aangetroffen.

De verdachte is bij de politie gehoord op 26 en 28 maart 2015. Hij beroept zich op zijn zwijgrecht. Ter terechtzittingen van 27 oktober 2016 en 20 februari 2017 heeft de verdachte zich eveneens op het zwijgrecht beroepen.

Conclusie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier is te vinden waaruit kan worden vastgesteld of de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het opzettelijk vervaardigen danwel aanwezig hebben van amfetamine in de woning, gelegen aan de [adres 1] te Well.

Daartoe staan aan de rechtbank de volgende bewijsmiddelen ter beschikking:

  • -

    Twee getuigen hebben vier mannen met elk (tenminste) één tas en één met een felblauw kledingstuk in de omgeving van de [adres 1] in de richting van het bos zien lopen;

  • -

    In het bos worden los van elkaar vier tassen aangetroffen met een inhoud die dienstbaar kan zijn aan het werken in een amfetamine laboratorium;

  • -

    In het bos worden vier personen aangetroffen, waaronder verdachte, waarvan er twee hun broekzak vol peuken hebben;

  • -

    Bij zijn insluitingsfouillering wordt op verdachte een transponderkastje aangetroffen dat behoort bij het hekwerk dat toegang geeft tot het erf van de woning aan de [adres 1] te Well.

Het dossier bevat geen waarneming door de politie dat één van de aangehouden personen een felblauw kledingstuk droeg. Nagelaten is de tassen te onderzoeken op DNA- en/of dacty sporen. Eveneens is nagelaten de inhoud van de tassen te onderzoeken op DNA- en/of dacty sporen. Noch is de inhoud onderzocht op amfetamine of chemicaliën die bij de productie van amfetamine gebruikt worden. Hoewel de beschreven omstandigheden een sterk vermoeden rechtvaardigen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken kan zijn bij het aangetroffen amfetaminelaboratorium, is dit onvoldoende om daadwerkelijk te kunnen bewijzen dat hij medepleger is geweest van de bereiding van amfetamine of het voorhanden hebben daarvan. In de eerste plaats is niet met zekerheid vast te stellen dat verdachte deel uitgemaakt van de personen die de getuigen hebben waargenomen. In de tweede plaats ontbreekt een concreet verband tussen verdachte en de aangetroffen tassen en de inhoud daarvan. In de derde plaats ontbreekt een concreet verband tussen de verdachte en de medeverdachten. Tot slot ontbreekt (hierdoor) enig wettig bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk in het laboratorium is geweest, laat staan wat zijn rol daarin is geweest.

De rechtbank slaat nadrukkelijk geen acht op de “geurwaarneming” door de verbalisant. Deze geurproef is niet met wetenschappelijke zorg omkleed. Enerzijds heeft de betrokken verbalisant tijdens het transport in een auto gezeten met een medeverdachte die kennelijk naar amfetamine rook. Anderzijds is hij eerst bij die persoon in de cel komen ruiken om vervolgens direct bij verdachte te ruiken. Hierdoor is geurcontaminatie niet ondenkbaar.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich genoodzaakt de verdachte te vrijspreken van het tenlastegelegde.

4 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

  • -

    spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde;

  • -

    heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester, voorzitter, mr. V.P. van Deventer en mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Penders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 maart 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 23 maart 2015 tot en met 26 maart 2015 te Well (L), gemeente Bergen (L), in elk geval binnen het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet.