Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1972

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
15-03-2017
Zaaknummer
AWB-15_3777u + AWB-16_1077u + AWB-15_1078u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenwet, Functiebeoordeling, Ontslag wegens ongeschiktheid, Berisping

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/3777, AWB 16/1077 en AWB 16/1078

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2017 in de zaken tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.W. van Duijnhoven)

en

het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Brunssum, verweerder.

(gemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar,[naam 1] en

[naam 2]

Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het functioneren van eiseres in de periode 4 januari 2013 – 27 november 2013 als onvoldoende beoordeeld.

Bij besluit van 11 juni 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres per

15 juni 2016 ontslag verleend.

Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eiseres de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

Bij besluit van 24 november 2015 respectievelijk de besluiten van 1 maart 2016 (bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren die eiseres tegen de primaire besluiten had ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in alle drie de zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016.

De zaken zijn gevoegd behandeld.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

AWB 15/3777 beoordeling functioneren

1. Eiseres is per 1 december 1988 bij de gemeente Brunssum (gemeente) in dienst getreden. Zij was daar tot begin 2011 werkzaam als medewerkster documentaire informatievoorziening. Per 15 februari 2011 is eiseres met betaald verlof gestuurd. Aanleiding daartoe was een e-mailbericht dat zij naar een lid van de ondernemingsraad van de gemeente heeft gestuurd. De inhoud ervan is in strijd geacht met de uitgangspunten die vervat zijn in de voor ambtenaren bij de gemeente in dienst geldende gedragscode. [naam 1] en de directe collega’s van eiseres hebben door het handeling van eiseres het vertrouwen in haar verloren.

Het incident heeft tot gevolg gehad dat er voor eiseres geen plaats meer was binnen de afdeling waar zij voorafgaande aan het verlof werkzaam was. Gezocht is naar andere passende werkzaamheden voor eiseres buiten deze afdeling. Omdat een passende werkplek niet voorhanden bleek te zijn, is gezocht naar een passende werkplek buiten de gemeente en gevonden bij [naam werkplek], onderdeel van Historisch Goud en streekarchief voor Zuidoost- Limburg ([naam werkplek]).

Op 2 mei 2011 is eiseres bij [naam werkplek] aan de slag gegaan. Per 5 december 2013 heeft de directeur van [naam werkplek] de detacheringsovereenkomst beëindigd die hij met de gemeente had gesloten over de tewerkstelling van eiseres. Reden voor de beëindiging was dat de werkhouding van eiseres en het resultaat van haar werkzaamheden ondermaats waren en de gesprekken die met haar daarover de twee daaraan voorafgaande jaren herhaaldelijk zijn gevoerd niet tot verbetering hebben geleid. De directeur komt tot de conclusie dat de situatie zelfs verslechterd is.

Opnieuw is voor eiseres ander werk gezocht, zowel binnen de gemeente als daarbuiten. Ander werk is gevonden bij [BV] in [plaats]. Eiseres is daar aan de slag gegaan op 24 juni 2014. Op 18 augustus 2014 zijn [BV] en eiseres tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de werkzaamheden geen zin heeft. De samenwerking is toen beëindigd. De reden daarvoor was voor eiseres dat zij het liefst weer archiefwerkzaamheden wilde verrichten. De reden voor [BV] was dat medewerkers geen toegevoegde waarde zagen in eiseres. Van de zijde van [BV] is over het functioneren van eiseres aangegeven dat het gedrag van eiseres en haar werkhouding ondermaats zijn en dat zij sinds 24 juni 2014 geen verbetering heeft laten zien.

2. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder het functioneren van eiseres beoordeeld in het laatste jaar dat zij werkzaam was bij [naam werkplek]. Het functioneren van eiseres is in zijn geheel als onvoldoende beoordeeld. De functievervulling is beoordeeld aan de hand van een aantal algemene gezichtspunten. Blijkens de toelichting bij de beoordeling vermeldt het beoordelingsformulier een aantal gezichtspunten (kennis, zelfstandigheid, contact, leiding geven, en uitdrukkingsvaardigheid) van waaruit de functievervulling in haar totaliteit wordt beoordeeld. In de toelichting staat ook dat de betekenis van deze gezichtspunten niet gelijk is en dat kennis en zelfstandigheid de belangrijkste elementen zijn in de bepaling van de kwalificatie van de functievervulling in haar geheel.

Volgens de toelichting wordt de functievervulling in haar geheel als onvoldoende gekwalificeerd als deze niet voldoet aan de kwalificatie voldoende, goed of zeer goed. De functievervulling wordt als voldoende gekwalificeerd als de voor de functie belangrijkste gezichtspunten de kwalificatie voldoende hebben.

De gezichtspunten kennis, zelfstandigheid en uitdrukkingsvaardigheid zijn als onvoldoende beoordeeld. Het gezichtspunt contact is ten aanzien van contact met collega’s en leiding, waaronder omgaan en samenwerken is te verstaan, eveneens als onvoldoende beoordeeld. Contact met andere organisatieonderdelen en externen is als voldoende beoordeeld. Het gezichtspunt leiding geven is niet beoordeeld, omdat het niet van toepassing is.

Bij het gezichtspunt “kennis” staat als toelichting dat eiseres over voldoende kennis en ervaring zou moeten beschikken om te komen tot een afdoening van het huidige takenpakket, maar dat dat niet het geval is. In theorie is de kennis wel aanwezig is, maar adequate toepassing in de praktijk blijft achter.

Bij het gezichtspunt “zelfstandigheid” staat als toelichting dat eiseres regelmatig vragen stelt aan de coördinator en leidinggevende over kwesties die zij op basis van haar ervaring en opleiding zelf zou moeten kunnen oplossen.

Bij het gezichtspunt “uitdrukkingsvaardigheid” staat vermeld dat eiseres breedsprakig is en ondanks afspraken veel in discussie gaat met haar leidinggevenden en collega’s. Daarbij is aangegeven dat het voornamelijk gaat om niet belangrijke issues of vastgestelde afspraken en procedures. Verder staat bij dit gezichtspunt ter toelichting dat het gedrag van eiseres geleid heeft tot een zodanige escalatie dat verdere samenwerking met [naam werkplek] niet meer mogelijk bleek en de detachering is beëindigd.

Bij het gezichtspunt “contact” onderdeel “met leidinggevende” staat vermeld dat ondanks herhaalde toezeggingen van eiseres om haar gedrag en inzet te verbeteren dit niet geresulteerd heeft in een daadwerkelijk concrete structurele positieve stijging.

Bij het gezichtspunt “contact” onderdeel “met collega’s” staat dat uit incidenten van het afgelopen jaar is gebleken dat eiseres geen feeling heeft voor hoe haar gedragingen op collega’s overkomen en dat ze de oorzaak van incidenten niet bij zichzelf zoekt maar steeds bij anderen.

Ook is vermeld dat eiseres de kwalitatieve en kwantitatieve normen niet haalt, ondanks dat zij hierop meermalen is gewezen en zij intensieve begeleiding heeft gehaald. Verder wordt aan haar arbeidsethiek getwijfeld en wordt haar tegengeworpen dat ze regelmatig te laat op

het werk komt.

3. Verweerder stelt zich na heroverweging op het standpunt dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust en dat elk beoordelingsaspect is gemotiveerd en onderbouwd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat hij eiseres een heldere verbeterkans heeft geboden en dat hij haar heeft medegedeeld wat de consequenties zijn van het niet naleven van de gemaakte afspraken. Verweerder verwijst naar het gespreksverslag van 5 maart 2013 waar haar ondermaats functioneren en haar discussiegedrag aan de orde is gesteld. Verweerder wijst ook op de waarschuwing die eiseres op 4 juli 2013 heeft gekregen met betrekking tot het op tijd aanwezig zijn op het werk en haar geklets met collega’s. Daarbij wijst hij nog op het overleg dat op 10 juli 2013 met eiseres heeft plaatsgevonden waarin het discussiegedrag en het nakomen van afspraken over arbeidstijden aan de orde zijn geweest. Verder heeft verweerder het verslag van het overleg van 27 augustus 2013 aangehaald, waaruit blijkt dat wederom haar ondermaats presteren aan de orde is gesteld, alsmede haar arbeidsethos. Hij wijst op de afspraken die tijdens dat gesprek zijn gemaakt:

-dat de uitvoering van de werkzaamheden (kwantiteit en kwaliteit) nog scherper gecontroleerd worden op of eiseres de norm haalt;

-dat eiseres niet meer te laat op het werk komt en

-zij niet meer kletst, direct aan de slag gaat zodat ze de gestelde normen wat betreft kwaliteit en kwantiteit kan worden gehaald.

4. Eiseres stelt dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist en onzorgvuldig is voorbereid, onder meer omdat de beoordeling van haar functioneren is gebaseerd op vage subjectieve uitgangspunten (“houding en gedrag” en discussiegedrag). Zij stelt dat de termen “houding en gedrag” en “discussiegedrag” niet objectief meetbaar zijn en subjectief zijn ingevuld door verweerder. Zij stelt ook voorafgaande aan de hiervoor vermelde e-mail nooit te zijn aangesproken op haar houding en gedrag en op discussiegedrag.

Eiseres verwijst naar het verslag van de hoorzitting die door de Commissie voor de Bezwaarschriften is gehouden en geeft daarbij aan dat daarin duidelijk verwoord is welke bezwaren zij tegen de beoordeling heeft.

5. De rechtbank heeft in deze procedure aan de hand van hetgeen eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd te beoordelen of verweerder de beoordeling van het functioneren van eiseres in 2013 als onvoldoende heeft kunnen beoordelen.

6. De rechtbank acht hierbij de volgende vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van belang.

De toetsing van de inhoud van een beoordeling is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het betrokken bestuursorgaan met concrete feiten onderbouwen dat dit oordeel niet op onvoldoende gronden berust. Niet doorslaggevend is dan of ieder feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. De Raad betrekt in haar oordeel of de ambtenaar een tijdige verbeterkans is geboden ruim voor het einde van de beoordelingsperiode. Van belang is dus of de wijze van functioneren eerder aan de orde is gesteld, waarbij – bij betwisting – schriftelijke verslaglegging is vereist (zie de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009: BJ7050).

7. De rechtbank overweegt dat de stukken waarnaar verweerder heeft verwezen en die dienen ter onderbouwing van de beoordeling de beoordeling begrijpelijk maken. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 3. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. Zo blijkt genoegzaam dat verweerder van mening was dat eiseres niet naar behoren functioneerde omdat zij zowel kwalitatief als kwantitatief onder de maat presteerde, zij tegen gemaakte afspraken in te laat op het werk kwam en veel onnodig discussieerde over afspraken en procedures. De rechtbank is gebleken dat eiseres meermaals op haar disfunctioneren is aangesproken en dat zij de kans heeft gekregen haar functioneren te verbeteren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende helder heeft gemaakt op grond waarvan hij concludeert dat eiseres niet naar behoren functioneerde en wat hij van eiseres verwachtte. Gelet op alle stukken waarop verweerder de beoordeling heeft gebaseerd, had dat voor eiseres voldoende duidelijk moeten en kunnen zijn. Het betoog dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist en dat het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid slaagt daarom niet.

De stelling van eiseres dat zij nooit eerder op houding en gedrag en discussiegedrag is aangesproken acht de rechtbank feitelijk onjuist, zoals ze in rechtsoverweging 14 al heeft overwogen. De rechtbank overweegt in dit verband aanvullend dat dat ook volgt uit de door verweerder aangehaalde verslagen en de beoordeling betreffende de periode 1 januari 2012 – 4 januari 2013.

Op de gronden van bezwaar waarnaar eiseres nog heeft verwezen is verweerder in het bestreden besluit genoegzaam ingegaan. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 14 al heeft geoordeeld kan herhaling van deze gronden in zo een geval het beroep niet doen slagen.

Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen heeft verweerder het functioneren van eiseres in 2013 op goede gronden als onvoldoende beoordeeld.

AWB 16/1078 ontslag

Bij brief van 29 september 2014 heeft verweerder eiseres bericht dat het niet mogelijk is gebleken eiseres te detacheren. Verweerder heeft verwezen naar de tewerkstellingen bij [naam werkplek] en [BV], Verweerder heeft in de brief aangegeven dat voortzetting van het dienstverband van eiseres bij de gemeente niet wenselijk is. Verweerder verwacht niet dat nog sprake kan zijn van een vruchtbare samenwerking. Verweerder kondigt aan tot ontslag te willen overgaan. Verweerder biedt eiseres een beëindigingsregeling aan alvorens hij de ontslagprocedure start. Het is verweerder evenwel niet mogelijk gebleken met eiseres hierover afspraken te maken.

8. Bij brief van 21 april 2015 heeft verweerder zijn voornemen tot ontslag wegens ongeschiktheid aan eiseres kenbaar gemaakt. Verweerder wijst op de hiervoor onder 1 vermelde vertrouwensbreuk en de mislukte detacheringen, waarbij het slecht functioneren van eiseres en meer in het bijzonder haar houding en gedrag in zijn optiek een doorslaggevende rol hebben gespeeld. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het functioneren van eiseres de afgelopen jaren niet is verbeterd en verbetering ook niet meer wordt verwacht. Grondslag voor haar ongeschiktheid heeft verweerder niet alleen gevonden in haar discussiegedrag, maar ook in het steeds te laat op het werk komen en de ondermaatse kwantiteit en kwaliteit van haar werk. Eiseres heeft zich volgens verweerder niet gehouden aan de regels omtrent ziekmelding, hetgeen hij haar ook tegenwerpt. Ter motivering van zijn standpunt dat eiseres ongeschikt is voor de functie die zij vervulde, dat zij op haar disfunctioneren is aangesproken en geen verbetering heeft getoond, heeft verweerder naar 41 bijlagen verwezen, voornamelijk brieven, e-mailberichten, gespreksverslagen en beoordelingen. De bijlagen maken deel uit van het procesdossier.

9. Verweerder heeft in de zienswijze die eiseres tegen het voornemen heeft ingebracht geen reden gezien op zijn voornemen terug te komen en heeft eiseres bij het primaire besluit 2 ontslag verleend.

10. Verweerder heeft in de bezwaren die eiseres tegen het primaire besluit 2 had geen aanleiding gezien dat besluit te herzien.

Verweerder heeft toegelicht dat hij de beoordelingen van het functioneren van eiseres over de perioden 1 januari 2012 - 4 januari 2013 en 4 januari 2013 - 27 november 2013 heeft betrokken bij het nemen van het ontslagbesluit. Verweerder heeft overwogen dat de vernietiging van deze rechtbank van de beoordeling over eerstgenoemde periode hem geen reden geeft een ander besluit ten nemen, omdat de feiten en omstandigheden die tot de beoordeling hebben geleid daardoor niet veranderen en deze feiten en omstandigheden aan het ontslag ten grondslag liggen.

11. Eiseres verwijst voor de redenen waarom zij het niet eens is met haar ontslag naar het verslag van de hoorzitting van 2 december 2015. Ze stelt dat haar functioneren vóór 2011 nooit in geding is geweest. Aanleiding voor het ter discussie stellen van haar functioneren is volgens haar geweest het incident over het hiervoor onder 1 vermelde e-mailbericht. Ze stelt dat ze na dat incident gedetacheerd is en dat verweerder sindsdien aan negatieve dossiervorming doet. Vage termen als “discussiegedrag” werden volgens haar gebruikt om haar functioneren en om haar als persoon negatief te kunnen beoordelen. Zij geeft aan dat houding en gedrag centraal kwamen te staan in de beoordeling van haar functioneren. Zij betwist dat sprake is geweest van onbekwaamheid of ongeschiktheid in haar functioneren. Zij wijst de rechtbank erop dat één van de negatieve beoordelingen die aan het ontslag ten grondslag liggen inmiddels door de rechtbank is vernietigd.

12. De rechtbank heeft in deze procedure aan de hand van hetgeen eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd te beoordelen of verweerder eiseres heeft kunnen ontslaan vanwege ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie.

13. De rechtbank acht hierbij de volgende vaste rechtspraak van de Raad van belang.

Ongeschiktheid voor een functie moet zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Van ontslag wegens ongeschiktheid zal volgend de Raad niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de betrokken ambtenaar op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om dit te verbeteren (zie de uitspraak van de Raad van 28 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1666).

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres heeft ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar functie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat op goede gronden heeft gedaan. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 8 tot en met 10 en overweegt dat verweerder met de gedragingen die hij eiseres verwijt en blijken uit de vele bijlagen die basis zijn geweest voor het ontslagbesluit de ongeschiktheid van eiseres voldoende heeft aangetoond. Hieruit blijkt ook dat eiseres op haar functioneren is aangesproken en de gelegenheid heeft gehad voor verbetering.

De omstandigheid dat deze rechtbank bij uitspraak van 29 januari 2016 de beoordeling van het functioneren van eiseres in de periode 1 januari 2012 – 4 januari 2013 heeft vernietigd en als voldoende heeft beoordeeld brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat de basis voor het ontslag daarmee onvoldoende dragend is geworden en verweerder dat besluit niet heeft kunnen nemen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden die beoordeeld zijn en basis zijn voor het ontslag door de uitspraak niet zijn veranderd. De omstandigheid dat het functioneren van eiseres vóór 2011 nooit aan de orde is gesteld is feitelijk onjuist, gelet op het verslag van het jaargesprek 2010 en de toelichting ter zake van [naam 1] ter zitting. Echter nog los daarvan raakt het functioneren van eiseres in de periode van vóór 2011 de basis van het ontslag niet, omdat die is gelegen in haar functioneren vanaf 2011. Daarom brengt deze omstandigheid de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Ook de omstandigheden dat eiseres gedetacheerd is naar aanleiding van het hiervoor onder 1 vermelde e-mailincident, haar functioneren nadien gedocumenteerd is en dat bij de beoordeling van haar functioneren discussiegedrag en houding en gedrag een centrale rol hebben gespeeld, doen dat niet. Ofschoon feitelijk juist, tasten deze omstandigheden op zich de basis van het ontslag niet aan. Het gaat er namelijk om of verweerder bevoegd is om eiseres te ontslaan vanwege onvoldoende functioneren, overeenkomstig de hiervoor aangehaalde jurisprudentie.

Op de redenen van eiseres waarom zij het blijkens het verslag van de hoorzitting van

2 december 2015 niet eens is met haar ontslag is verweerder in het bestreden besluit genoegzaam ingegaan. Door in beroep te volstaan met een herhaling van deze gronden weerlegt eiseres het standpunt dat verweerder ter zake in het bestreden besluit heeft ingenomen niet. Daarom kunnen deze gronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden.

AWB 16/1077 schriftelijke berisping

15. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder aangegeven dat hij een re-integratieplan zal opstellen en het concept daarvan op korte termijn aan eiseres zal toesturen. Daarbij heeft verweerder vermeld dat hij eiseres in de gelegenheid zal stellen een bijdrage te leveren aan de inhoud van het plan.

Bij brief van 20 augustus 2015 heeft verweerder het conceptre-integratieplan aan eiseres toegestuurd. Uit de brief volgt dat in het kader van het opstellen van het plan eerder contact met eiseres is gezocht, dat het niet is gelukt eerder met haar in contact te komen en dat dit tot uitstel heeft geleid. Verweerder verwacht binnen zeven dagen na dagtekening van de brief een reactie van eiseres op het conceptplan.

Bij brief van 26 augustus 2015 heeft eiseres in reactie op de brief van verweerder van

20 augustus 2015 aangegeven contact op te nemen met verweerder als haar raadsman terug is van vakantie. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij haar werk bij de gemeente van verweerder wenst te hervatten.

Blijkens een telefoonnotitie van 28 augustus 2015 11:11 uur is eiseres zijdens verweerder in een voicemailbericht medegedeeld dat zij nog tot de vrijdag daarna de tijd krijgt inhoudelijk te reageren op het conceptplan.

Blijkens een telefoonnotitie van dezelfde dag heeft eiseres naar aanleiding van het voicemailbericht rond 13:00 uur teruggebeld. Uit de notitie volgt dat eiseres nogmaals is medegedeeld dat zij nog een week uitstel krijgt voor een inhoudelijke reactie op het conceptplan. Daaruit volgt ook dat van de kant van verweerder tegen eiseres is gezegd dat het feit dat haar raadsman met vakantie is hier niets aan afdoet en dat zij bij de vakbond advies kan inwinnen. Volgens de notitie is van de kant van verweerder ook gezegd dat indien eiseres alsdan niet inhoudelijk gereageerd mocht hebben, zij de kans loopt dat het plan als basis zal dienen voor verdere acties in re-integratieverband en dat verweerder haar zal houden aan het gestelde in het plan of de daarin opgenomen uitgangspunten.

Bij brief van 2 september 2015 heeft eiseres aangegeven dat zij al heeft aangegeven dat haar raadsman op vakantie is en dat zij zelf het plan niet goed kan beoordelen. Daarbij heeft zij aangegeven dat ze het er niet mee eens is dat de re-integratie is gericht op het verkrijgen van een baan buiten de gemeente en dat zij haar werk bij de gemeente wenst voort te zetten. Eiseres heeft wederom aangegeven contact met verweerder op te nemen als haar raadsman terug is van vakantie.

Bij brief van 10 september 2015 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat hij per direct overgaat tot het eenzijdig vaststellen van het re-integratieplan dat hij eiseres in concept heeft doen toekomen. Verweerder waarschuwt eiseres dat een voortdurende niet constructieve houding dan wel het niet nakomen van verplichtingen tijdens de re-integratie rechtspositionele gevolgen kan hebben en welke gevolgen dat zijn. Verweerder wijst ook op zijn bevoegdheid een disciplinaire straf op te leggen in geval van niet nakoming van verplichtingen.

Uit de brief van verweerder van 30 september 2015 volgt dat, om uitvoering te geven aan het plan, eiseres bij brief van 22 september 2015 is uitgenodigd voor het eerste drie-gesprek op maandag 28 september 2015 van 14.30 uur tot 15.30 uur.

Uit de brief volgt ook dat de raadsman van de uitnodiging op de hoogte is gebracht, hij verweerder telefonisch heeft meegedeeld niet in staat te zijn bij het gesprek aanwezig te zijn, hij eiseres zal adviseren daarbij wel aanwezig te zijn en geen onredelijke en/of onbillijke uitgangspunten in het re-integratieplan heeft kunnen ontdekken.

Verder staat er in de brief dat eiseres op 25 september 2015 telefonisch bij een medewerker van de receptie van de gemeente een bericht heeft achtergelaten de afspraak te annuleren, omdat zij iemand mee wil nemen naar het gesprek en dat ze verweerder een nieuwe datum voorstelt.

16. Onder verwijzing naar het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet naar behoren meewerkt aan haar re-integratietraject. Bij het primaire besluit 3 heeft verweerder daarom aan eiseres de disciplinaire maatregel in de vorm van een schriftelijke berisping opgelegd. Verweerder heeft toegelicht dat eiseres ondanks herhaald verzoek niet inhoudelijk gereageerd heeft op het conceptre-integratieplan en dat zij, nadat het re-integratieplan eenzijdig door verweerder was vastgesteld, niet is verschenen op het eerste drie-gesprek om haar re-integratiefase c.q. van Werk-Naar-Werktraject te bespreken.

Verweerder overweegt dat sprake is van plichtsverzuim en dat het verzuim aan eiseres is toe te rekenen. Volgens verweerder heeft eiseres voldoende gelegenheid gehad haar mening op het conceptplan te geven. Gelet op de hiervoor onder 5 vermelde feiten en omstandigheden acht verweerder het niet onredelijk dat hij het re-integratieplan eenzijdig heeft vastgesteld. Verweerder wijst er nog op dat het annuleren van het eerste drie-gesprek in strijd is met de afspraken in het plan. De maatregel is volgens verweerder ook niet onevenredig. Verweerder wijst in dit verband op de aard en de ernst van de gedragingen die hij eiseres verwijt en dat de opgelegde straf de lichtste maatregel is die hij kan opleggen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres geen feiten, omstandigheden of argumenten heeft aangedragen op grond waarvan de maatregel buitenproportioneel zou moeten worden beoordeeld. Verweerder heeft na heroverweging geen reden gezien anders te besluiten.

17. Eiseres stelt dat verweerder het re-integratieplan eenzijdig heeft vastgesteld zonder rekening te houden met haar wensen. Er is volgens eiseres geen sprake van afspraken die in het kader van de CAR/UWO met betrekking tot de re-integratie zijn gemaakt, maar van eenzijdig door verweerder opgelegde verplichtingen. Eiseres verwijst naar artikel 10d:10, derde lid, van de CAR/UWO en licht toe dat zij in voldoende mate voldoet aan de eisen die aan re-integratie worden gesteld.

18. De rechtbank heeft in deze procedure aan de hand van hetgeen eiseres tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd te beoordelen of verweerder eiseres terecht een disciplinaire maatregel in de vorm van een schriftelijke berisping heeft opgelegd.

19. De rechtbank acht hierbij de volgende vaste rechtspraak van de Raad van belang.

Voor een disciplinaire bestraffing van een ambtenaar is vereist dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt. Voorts moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim (zie de uitspraak van de Raad van 10 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0392).

20. De rechtbank is gebleken dat eiseres niet inhoudelijk gereageerd heeft op het conceptre-integratieplan, terwijl zij daarvoor voldoende tijd en gelegenheid van verweerder heeft gekregen. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat het voor eiseres niet mogelijk was binnen de gegeven termijn, die voldoende ruim was, met een gedegen reactie te komen eventueel met behulp van een ander dan haar raadsman. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet naar behoren heeft meegewerkt aan haar re-integratie. De omstandigheid dat eiseres naar zij stelt voldoet aan de eisen die in artikel 10d:10, derde lid, van de CAR/UWO staan opgesomd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder werpt haar immers niet tegen dat zij niet voldoet aan deze eisen over verlof voor activiteiten die zijn neergelegd in het re-integratieplan, scholing, het opstellen van een arbeidsmarktprofiel en sollicitatieactiviteiten.

De rechtbank is ook gebleken dat eiseres het eerste drie-gesprek eenzijdig geannuleerd heeft, in strijd met de afspraken daarover in het re-integratieplan. Eiseres bestrijdt niet de afspraak eenzijdig te hebben geannuleerd. Eiseres bestrijdt kennelijk dat zij aan de verplichtingen in het plan was gehouden, omdat zij niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van het plan en dat sprake is van plichtsverzuim. Het betoog slaagt evenwel niet. De rechtbank is gebleken dat verweerder eiseres ruim de gelegenheid heeft gegeven op het conceptplan te worden gehoord. Verweerder heeft eiseres daarmee betrokken bij de totstandkoming van het plan en pas daarna het plan vastgesteld. Gelet op de wijze waarop eiseres heeft gehandeld, de rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 15, heeft zij het aan zichzelf te wijten dat zij geen bijdrage aan het plan heeft geleverd of kunnen leveren. Verweerder heeft eiseres er nog op gewezen dat hij haar aan het plan dat toen nog een concept was zou houden als een inhoudelijke reactie van haar kant uitbleef en heeft dat, gelet op de gang van zaken, ook kunnen doen.

Eiseres had naar behoren aan haar re-integratie dienen mee te werken en zich te houden aan de afspraken in het re-integratieplan. De rechtbank is niet gebleken dat het verzuim deze verplichtingen na te komen eiseres niet is toe te rekenen. De rechtbank heeft ook geen grond te oordelen dat de schriftelijke berisping die verweerder eiseres heeft opgelegd en de lichtste maatregel is die verweerder ter zake plichtsverzuim kan opleggen onevenredig is in verhouding met het verzuim waaraan eiseres zich schuldig heeft gemaakt.

Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen heeft verweerder eiseres terecht een disciplinaire maatregel in de vorm van een schriftelijke berisping opgelegd.

21. In aanvulling op al hetgeen eiseres heeft aangevoerd heeft zij nog overgelegd het besluit van verweerder van 14 mei 2012, het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften dat verweerder bij dat besluit is gevolgd en het verslag van de hoorzitting die aan het advies vooraf is gegaan. Uit deze stukken volgt dat verweerder het verzenden van het hiervoor meermaals vermelde e-mailbericht niet als plichtsverzuim aanmerkt.

De rechtbank overweegt dat de bestreden besluiten grond vinden in het handelen en het gedrag van eiseres van ná het e-mailincident in 2011. De omstandigheid dat het e-mailincident door verweerder niet als plichtverzuim is aangemerkt geeft de rechtbank dan ook evenmin grond de bestreden besluiten te vernietigen.

22. Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen zijn de beroepen ongegrond. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E.A. Willemsen (voorzitter), mr. K.M.P. Jacobs en

mr. P.J. Voncken leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.