Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1967

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2317u + AWB - 16 _ 3702u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Terugvordering + invordering. Vermogen (erfenis). Beslagvrije voet. Inlichtingenverplichting. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg van de erfenis het vermogen van eiseres ten tijde hier van belang het vrij te laten vermogen ruimschoots overschrijdt. Aangezien eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden heeft verweerder de beslagvrije voet terecht op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB/ROE 16/2317 en AWB/ROE 16/3702

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2017 in de zaken tussen

[eiseres] , te [eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H.M.G. Duijsters),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: H. Pluijmaeckers).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiseres meegedeeld een bedrag van € 54.854,11 (over de periode van 26 januari 2007 tot 8 oktober 2015) van haar terug te vorderen, aangezien was gebleken dat zij een bedrag van ongeveer € 78.000,- had ontvangen uit de nalatenschap.

Bij besluit van 16 juni 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 juli 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een betalingsregeling van € 25,- per maand afgewezen. Voorts heeft verweerder eiseres meegedeeld dat tot tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit wordt overgegaan, waarbij de beslagvrije voet op nihil wordt gesteld.

Bij besluit van 18 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[naam 1] en [naam 2]. De beroepen zijn gevoegd behandeld.

Overwegingen

1. Eiseres had ten tijde van belang een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van het overlijden van haar ouders in 2007 heeft verweerder eiseres bij besluit van 22 juni 2007 meegedeeld dat haar uitkering ongewijzigd wordt voortgezet, maar dat de aan haar verstrekte bijstand vanaf januari 2007 zo mogelijk wordt verhaald op haar aandeel in de nalatenschap. Eiseres dient verweerder op de hoogte te houden over de afhandeling van de nalatenschap. Haar uitkering is per 8 oktober 2015 beëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

2 Over de terugvordering (AWB 16/2317) overweegt de rechtbank het volgende.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door eiseres. Zij heeft niet terstond de finale afwikkeling van de nalatenschap gemeld en heeft evenmin meegewerkt aan het onderzoek hiernaar. Uit de door eiseres in bezwaar overgelegde stukken blijkt, volgens verweerder, dat het erfdeel van eiseres uit de verkoop van de woning € 90.477,19 bedraagt. Verweerder stelt dat ten tijde van de verdeling van de nalatenschap de vermogenspositie van eiseres het vrij te laten vermogen (€ 5.245,-) overschrijdt. Hierbij is rekening gehouden met een schuld op de peildatum, voor zover deze aannemelijk is gemaakt. Verder staat vast dat aan eiseres over de periode vanaf 7 januari 2007 tot 12 november 2015 € 55.482,71 (netto) aan bijstand is verstrekt.

4. Eiseres voert in beroep aan -kort samengevat- dat verweerder niet (meer) bevoegd was tot terugvordering van het vermeend onverschuldigd aan eiseres betaalde bedrag aan bijstand vanwege verjaring (5 jaar). Ten aanzien van haar aandeel in de nalatenschap stelt eiseres dat de belastingdienst heeft bevestigd dat aan haar een bedrag van € 76.809,- is uitbetaald. Verder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte niet alle schulden van haar (schuld aan schoonzoon van € 30.000,-) in mindering heeft gebracht op haar vermogen. Ook heeft verweerder zich geen rekenschap gegeven van het feit dat zij noodgedwongen uitgaven heeft moeten doen voor de vervanging en aanschaf van gebruiksgoederen/bezittingen (waaronder een ‘overkapping’ van € 10.000,-). Ten slotte stelt eiseres volledige openheid van zaken te hebben gegeven, zodat zij haar inlichtingenverplichting is nagekomen.

5 De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 58, tweede lid onder f , van de Participatiewet (Pw) kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand:

f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Ingevolge vaste jurisprudentie ligt aan voornoemde bepaling de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd.

Ingevolge artikel 31 van de Pw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 34 van de Pw wordt onder vermogen verstaan:

a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;

b. middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

6. Over de gestelde verjaring van de terugvordering overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2013:BY7958) wordt voor de verjaring aansluiting gezocht bij artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan.

Aangezien verweerder eerst op 15 januari 2016 heeft kunnen vaststellen dat de nalatenschap was afgehandeld (door de notaris), is de rechtbank van oordeel dat van verjaring in dit geval geen sprake kan zijn.

7. Over het vermogen (middelen) van eiseres overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens de gedingstukken (de brief van [notariskantoor]) is de woning (ouderlijk huis) aan de [adres] op 12 november 2015 verkocht en heeft de notaris een bedrag van

€ 90.477,19 - € 11.942,95 = € 78.534,24 overgemaakt naar de rekening van eiseres. Het bedrag van € 11.942,95 is bij het erfdeel van haar broer opgeteld. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat dit bedrag betrekking had op de advocaatkosten en kosten voor de woning, die door haar broer zijn betaald. Aangezien eiseres voormelde kosten ook heeft onderbouwd en verweerder in het primaire besluit I ook een bedrag van ongeveer € 78.000,- noemt, zal de rechtbank hierna van dit bedrag uitgaan.

8 Over de gestelde schulden van eiseres overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2013:1592) kan ter bepaling van de vermogenssituatie van een betrokkene (peildatum: 26 januari 2007 respectievelijk
26 mei 2007: data overlijden respectieve ouders) slechts rekening worden gehouden met een schuld voor zover deze aannemelijk is gemaakt en voor zover aan die schuld ook een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden.

Met betrekking tot de gestelde schuld over de periode van 2007 – 2015 van ongeveer

€ 30.000,- aan haar schoonzoon ([naam 3]), overweegt de rechtbank dat deze door de overgelegde verklaring onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiseres een ‘schuldbekentenis’ van 8 maart 2016 heeft overgelegd, waarin is vermeld dat [naam 3] eiseres over de periode van 2007 tot 2015 ongeveer € 30.000,- heeft geleend en dat deze schuld inmiddels is vereffend. Voornoemd bedrag is echter niet gespecificeerd en eiseres heeft verklaard deze schuld cash te hebben terugbetaald, hetgeen de rechtbank, zonder nader bewijs, niet aannemelijk acht.

9. Over de door eiseres aangeschafte gebruiksgoederen overweegt de rechtbank dat verweerder hier terecht geen rekening mee heeft gehouden, omdat onderhavige gebruiksgoederen zijn aangeschaft (ruim) na de peildatum.

10. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat het vermogen van eiseres als gevolg van de verkoop van de ouderlijke woning ten tijde hier van belang het vrij te laten vermogen ruimschoots overschrijdt.

11 Over de invordering (AWB 16/3702) overweegt de rechtbank het volgende.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt -kort weergegeven- dat eiseres geen duidelijke inzage heeft verschaft in haar financiële situatie. Eiseres heeft in december 2015

€ 50.000,- van haar rekening opgenomen en niet aannemelijk gemaakt waar dit geld gebleven is. Dit betekent dat het niet mogelijk is om vast te stellen over welke gelden eiseres beschikt en is het niet mogelijk om een aflossingsregeling met haar vast te stellen.

13. Eiseres voert in beroep aan -kort samengevat- dat zij de schuld aan haar schoonzoon van € 30.000 contant heeft vereffend. Eiseres stelt het bestaan van deze schuld door middel van een schuldbekentenis voldoende aannemelijk te hebben gemaakt. Verder stelt eiseres dat zij een overkapping aan de achterzijde van haar woning heeft laten aanbrengen ad € 10.000.-

14 De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 60 van de Pw is de persoon van wie kosten van bijstand worden teruggevorderd verplicht desgevraagd aan het college de inlichtingen te verstrekken die voor terugvordering op grond van deze paragraaf van belang zijn.

Zolang de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid niet of niet behoorlijk nakomt geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij invordering van kosten van bijstand.

15. Blijkens de door eiseres overgelegde bankafschriften heeft eiseres op 9 december 2015 € 40.000,- opgenomen en op 29 december 2015 in totaal € 10.000,-.

16. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wat er met het bedrag van in totaal € 50.000,- (cash) is gebeurd en als gevolg daarvan haar inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

17. Eiseres heeft gesteld een overkapping ter waarde van € 10.000 te hebben laten aanbrengen en hiervoor cash te hebben betaald. Aangezien hiervoor bewijzen ontbreken is niet komen vast te staan dat dit bedrag daadwerkelijk is betaald door eiseres.

18. Over de gestelde betaling van € 30.000,- aan haar schoonzoon verwijst de rechtbank naar hetgeen zij daarover heeft overwogen inzake te terugvordering. Ook van dit bedrag is, naar het oordeel van de rechtbank, niet komen vast te staan dat dit daadwerkelijk is betaald door eiseres.

19. Over de door eiseres aangeschafte gebruiksgoederen overweegt de rechtbank dat blijkens de gedingstukken de betalingen hiervoor hoofdzakelijk via bankbetalingen zijn gedaan en niet cash hebben plaatsgevonden.

20. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 60 van de Pw heeft geschonden en dat verweerder de beslagvrije voet bij de invordering terecht op nihil heeft gesteld.

21 De beroepen zijn ongegrond.

22 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.P. Letschert (voorzitter), en mr. E.P.J. Rutten en

mr. P.J.M. Bruijnzeels, leden, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 03 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.