Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1906

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
03/659304-16 en 03/039959-15 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging doodslag en vernieling. Beroep op noodweer en noodweerexces verworpen. Mbt noodweerexces: de reeds bestaande kwaadheid van verdachte was doorslaggevend voor zijn handelen. Gedraging is dus niet het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 03/659304-16 en 03/039959-15 (TUL)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in FPK de Woenselse Poort te Eindhoven.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 februari 2017. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om – al dan niet met voorbedachten rade – [slachtoffer] te doden dan wel -al dan niet met voorbedachten rade- [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer] ;

feit 2: een ruit toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag alsmede de onder 2 ten laste gelegde vernieling wordt bewezenverklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – zoals vervat in de overgelegde pleitnota – dat verdachte dient te worden vrijgesproken van al het onder 1 ten laste gelegde, om de volgende redenen:

  • -

    er is geen bewijs voorhanden voor het toebrengen van het letsel met een mes, nu op basis van het dossier niet kan worden uitgesloten dat het letsel bij het slachtoffer is ontstaan door zijn eigen handelen, te weten door het intrappen van de ruit van een toegangsdeur;

  • -

    het bestanddeel “met voorbedachten rade” kan niet worden bewezenverklaard, nu verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en hij daardoor geen tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over zijn gedraging;

  • -

    er is geen sprake van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu niet blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van het zwaaien of slaan met een mes in zijn hand.

3.2

Het oordeel van de rechtbank 1

Het onder 1 ten laste gelegde:

Feitelijke gebeurtenissen

Getuige [getuige]2 verklaart – zakelijke weergegeven – dat zij een relatie met verdachte heeft gehad, die zij had beëindigd. Verdachte bleef echter contact zoeken en op 15 augustus 2016 verscheen verdachte in het café [naam café] te Venlo, waar zij aan het werk was. Verdachte werd na vijf à zes glazen bier emotioneel en wilde van [getuige] nog een laatste kans. Omstreeks 02.00 uur verliet verdachte het café. Omstreeks 02.10 uur verscheen [slachtoffer] in het café. Omstreeks 02.30 uur/02.40 uur hoorden [getuige] , [slachtoffer] en een andere aanwezige collega glasgerinkel aan de gevel van het café en zagen zij dat een ruitje in de voordeur van het café was gebarsten. Ook lag er een ronde kei of baksteen. Zij gingen er vanuit dat verdachte de vermoedelijke dader was. Op een gegeven moment belde [slachtoffer] naar verdachte en [getuige] hoorde hem zeggen: “als je een confrontatie wil, kom dan!”. Verdachte hing op. [slachtoffer] heeft nog een aantal keren naar verdachte gebeld. Op enig moment hoorde [getuige] verdachte via de telefoon tegen [slachtoffer] zeggen dat [slachtoffer] maar moest komen. Kort daarna ontving [slachtoffer] een app-bericht van verdachte waarin hij voorstelde dat [slachtoffer] naar restaurant [naam restaurant] moest komen. [getuige] en [slachtoffer] liepen vervolgens richting restaurant [naam restaurant] . [getuige] belde [naam] om te komen. Nadat [naam] verscheen, zijn zij gedriëen naar de woning van verdachte gelopen. [slachtoffer] belde aan. Verdachte verscheen op het balkon aan de voorzijde van zijn woning en schreeuwde naar hen: “Wat komen jullie doen?”. [slachtoffer] antwoordde: “Jij hebt mij toch uitgenodigd. Dan heb het lef om naar beneden te komen dan lossen wij het op” of woorden van gelijke strekking. Verdachte schreeuwde daarop iets terug en [slachtoffer] riep vervolgens ‘lafbek’. Hierop kwam verdachte naar beneden en opende de centrale voordeur. Meteen op dat moment pakte [slachtoffer] de deur met zijn linkerhand vast en sloeg met gebalde rechtervuist in de richting van verdachte. Beiden stonden in de deuropening minder dan een halve meter uit elkaar vandaan. [getuige] zag dat verdachte meteen hierop één of twee keer opzettelijk met zijn rechterarm in de richting van [slachtoffer] sloeg. [slachtoffer] maakte een stap naar achteren en toen zag [getuige] dat verdachte in zijn rechterhand een groot keukenmes vasthield. Hij hield dit mes omhoog met de punt van het lemmet omhoog gericht. Verdachte trok vervolgens de centrale deur dicht. Nadat zij weg waren gelopen, greep [slachtoffer] zijn linkerzij vast en [getuige] hoorde hem zeggen: “Oh, volgens mij ben ik gestoken”. [getuige] zag op zijn blouse, ter hoogte van zijn onderste linker ribben, een rode bloedvlek.

[slachtoffer] 3 verklaart in zijn aangifte – zakelijk weergegeven – dat hij op 16 augustus 2016 omstreeks 01.30 uur naar het café [naam café] is gegaan. Op enig moment hoorde hij een harde knal en zag dat de ruit van de voordeur/hoofdingang gesneuveld was. [slachtoffer] wist bijna zeker dat verdachte dit had gedaan. [slachtoffer] heeft verdachte gebeld. Toen [slachtoffer] verdachte aan de lijn kreeg, gaf deze aan dat [slachtoffer] maar naar de Maas moest komen en [getuige] moest meenemen. [getuige] heeft nog [naam] gebeld. Tijdens het What’sp app-gesprek met verdachte bleek dat hij niet naar de Maas was gekomen, maar nog gewoon thuis was. Vervolgens zijn zij met zijn drieën naar de woning van verdachte gelopen. Verdachte stond al op het balkon en zat te schreeuwen. [slachtoffer] hoorde diverse verwensingen richting [getuige] . [slachtoffer] riep: ”Jij wilde toch dat ik kwam, jij bent zo’n vent om een ruit stuk te gooien, kom dan ook maar naar buiten” of woorden van gelijke strekking. Verdachte kwam vervolgens naar beneden. Verdachte maakte de centrale toegangsdeur open. Op dat moment haalde [slachtoffer] uit met zijn tot vuist gebalde rechterhand. Hij zag dat verdachte ook uithaalde met zijn hand. [slachtoffer] werd geraakt aan zijn linkerzijde. [slachtoffer] stapte achteruit en kreeg nog een klap. Vervolgens gooide verdachte de deur dicht. [slachtoffer] was heel gefrustreerd en heeft vervolgens tegen de ruit getrapt. Daarna zijn zij weggelopen en zag [slachtoffer] ineens een rode vlek op zijn blouse. In het ziekenhuis bleek dat [slachtoffer] een steekwond in zijn linkerzij had.

In de medische verklaring staat dat bij aangever op 16 augustus 2016 een snijverwonding in de borstkas links is waargenomen. Onderliggend blijkt een klaplong.4

Uit de letselrapportage5 blijkt dat bij aangever onder andere een huidverwonding aan de linkerzijde onder de oksel is geconstateerd. Het letsel lijkt op een steek-/snijwond. De wond heeft een lengte van 2,5 centimeter, heeft gladde randen en gaat naar de rugzijde over in een rode huidkras van ongeveer één centimeter. Dat kan er op wijzen dat het scherpe voorwerp is ingestoken van rechtsboven naar linksonder. Gezien de gladde randen en de gladde scheiding van het dieper liggende onderhuidse weefsel lijkt het letsel toegebracht door een scherp, snijdend en relatief smal voorwerp. Het letsel kan goed passen bij een verwonding toegebracht door een mes met een beperkte lemmetbreedte, kleiner dan 2,5 centimeter. Omdat de bij steekverwondingen vaak zo kenmerkende zwaluwstaartlaesie niet aanwezig is, zou dit kunnen wijzen op een mes met een dun lemmet of op een mes met een tweesnijdend lemmet. Het is zeer veel waarschijnlijker dat het letsel dat de klaplong heeft veroorzaakt, toegebracht is met een mes zoals beschreven dan dat het letsel door een ander scherp voorwerp, zoals een glasscherf, zou zijn veroorzaakt.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 februari 2017 verklaard dat hij op 15 augustus 2016 naar het café [naam café] is gegaan om aan [getuige] duidelijkheid te vragen omtrent hun relatie. In de loop van de avond werd hij door [getuige] genegeerd en is hij naar huis gegaan. Omstreeks 01.00 uur of 01.30 uur is hij terug naar het café gegaan en zag hij [slachtoffer] in het café. Hij wist zeker dat [getuige] [slachtoffer] gevraagd had om te komen. Dat was de druppel die de emmer deed overlopen en uit pure frustratie heeft verdachte een steen door de ruit van het café gegooid. Daarna is hij naar huis gegaan en in bed gaan liggen. Vervolgens werd hij een paar keer gebeld door [slachtoffer] . [slachtoffer] was vrij agressief en wilde hem treffen. Verdachte was zelf ook gefrustreerd en heeft [slachtoffer] gevraagd om naar restaurant [naam restaurant] te komen, want hij wilde hem niet bij zich thuis hebben. De gekozen lokatie was bedoeld om [slachtoffer] af te leiden. Vervolgens werd er ineens aangebeld via de intercom. Verdachte is naar zijn balkon gelopen en zag drie personen beneden voor de deur staan, te weten: [getuige] , [slachtoffer] en [naam] . Het kwam erg bedreigend over en ze riepen dat hij naar beneden moest komen. [getuige] vroeg verdachte om naar beneden te komen om het uit te praten. Verdachte raakte in paniek en voelde zich bedreigd. Hij nam voor de zekerheid een mes mee naar beneden om hen op afstand te houden en te zorgen dat hij niet werd aangevallen. Hij had het mes vast in zijn rechterhand die hij langs zijn lichaam hield. Toen hij de deur opendeed, werd hij meteen aangevallen: [slachtoffer] greep verdachte bij zijn nek en sloeg hem. Verdachte heeft vervolgens een afwerende, zwaaiende beweging met zijn armen gemaakt, met het mes in zijn hand. Verdachte en [slachtoffer] stonden op dat moment dicht bij elkaar. Vervolgens heeft hij een paar stappen naar achteren gedaan en heeft hij het mes te voorschijn gehaald om [slachtoffer] op afstand te houden. Daarna heeft hij de deur dichtgemaakt.

In het proces-verbaal van bevindingen van 17 augustus 2016 staat dat verdachte tijdens zijn verhoor verklaarde dat het mes dat door hem werd gebruikt een vleesmes was uit een keukenlade.6

Overwegingen

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 augustus 2016 te Venlo met een mes in zijn hand een zwaaiende of slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van [slachtoffer] . Hoewel verdachte heeft verklaard niet te weten of hij het slachtoffer met het mes heeft geraakt, acht de rechtbank dit wel wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaring van aangever dat hij voelde dat hij in zijn linkerzijde werd geraakt en de naderhand bij hem geconstateerde steekwond in zijn bovenlichaam.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer dat het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan doordat hij door de ruit van de toegangsdeur heeft getrapt. Het dossier noch het onderzoek ter terechtzitting heeft enig aanknopingspunt opgeleverd dat zich dit alternatieve scenario heeft voltrokken. De rechtbank acht het allereerst onaannemelijk dat [slachtoffer] met een enkele trap door de ruit zowel een verwonding onder zijn oksel met een klaplong als gevolg, als een verwonding boven zijn bil heeft opgelopen. Bovendien ontbreken aanwijzingen, zoals bijvoorbeeld bloed op de glasscherven, die dit scenario ondersteunen. Voorts heeft de forensisch arts in de letselrapportage geconcludeerd dat het, gelet op de kenmerken van de verwonding in de borst, zeer veel waarschijnlijker is dat dit letsel is toegebracht met een mes dan dat het letsel door een ander scherp voorwerp, zoals een glasscherf, zou zijn veroorzaakt.

Dit brengt de rechtbank vervolgens bij de vraag welk strafbaar feit deze handeling oplevert.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich door het maken van een zwaaiende of slaande beweging met een keuken/vleesmes richting het bovenlichaam van het slachtoffer

- terwijl deze zich vlak voor hem bevond en waarbij verdachte het slachtoffer daadwerkelijk heeft geraakt met het mes - blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] dodelijk zou verwonden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het steken met een keuken/vleesmes in iemands bovenlichaam, gelet op de aanwezigheid van vitale organen, een aanmerkelijke kans op dodelijke verwondingen van die persoon tot gevolg kan hebben.

Anders dan de raadsman is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging: het door verdachte maken van een zwaaiende of slaande beweging met het mes. Bij het vaststellen van de aard van de gedraging wordt tevens het door die gedraging ontstane letsel bij het slachtoffer in ogenschouw genomen, te weten een steekverwonding die een klaplong heeft veroorzaakt. Hieruit volgt dat verdachte de naar ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans op het overlijden van [slachtoffer] willens en wetens heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft derhalve gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat verdachte van dit onderdeel onder 1 primair dient te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 16 augustus 2016 te Venlo heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door met een mes een zwaaiende of slaande beweging richting het bovenlichaam van [slachtoffer] te maken ten gevolge waarvan hij een steekwond in zijn bovenlichaam heeft opgelopen.

Het onder 2 ten laste gelegde:

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte bij de politie en ter terechtzitting het feit heeft bekend en zijn raadsman geen bewijsverweer heeft gevoerd, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte;7

- de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie8 en ter terechtzitting van

16 februari 2017.

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 16 augustus 2016 schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een ruit.

3.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

op 16 augustus 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes een zwaaiende of slaande beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] een steekwond in zijn bovenlichaam heeft opgelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 16 augustus 2016 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een ruit toebehorende aan [benadeelde 2] heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde primair een beroep gedaan op noodweer en de rechtbank verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf. Het feit dat verdachte zich derhalve willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer valt te verwachten of dat verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer van een mes heeft voorzien, maakt niet dat sprake is van culpa in causa en hem geen beroep op noodweer zou toekomen. De raadsman heeft daartoe verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:864). Voorts is van belang dat verdachte op zichzelf niet disproportioneel heeft gehandeld, nu van het steken met het mes niets is gebleken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij enkel met zijn arm heeft gezwaaid om te zich te verdedigen en om af te weren. Terwijl bovendien geldt dat verdachte zich niet aan de aanranding kon onttrekken, nu hij midden in de nacht bij zijn woning werd opgezocht en de aanrander uit was op een confrontatie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt nu hij zelf de situatie heeft uitgelokt door een steen door de ruit te gooien alsmede nu hij – blijkens de inhoud van de What’s app-berichten – [slachtoffer] ook zelf constant heeft uitgedaagd. Voorts waren er voldoende alternatieven om hetgeen gebeurd is te voorkomen.

Het oordeel van de rechtbank

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op zichzelf sprake was van een noodweersituatie. Verdachte werd immers midden in de nacht bij zijn woning opgezocht door [slachtoffer] in gezelschap van [getuige] en [naam] , die de confrontatie met verdachte wilden aangaan. De klap die [slachtoffer] vervolgens onmiddellijk na het openen van de deur aan verdachte heeft uitgedeeld, levert een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding op, waartegen verdachte zich zou mogen verdedigen. Het beroep op noodweer treft echter geen doel, omdat het maken van de zwaaiende of slaande beweging met het mes ter verdediging niet noodzakelijk en disproportioneel was en niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Voor de rechtbank staat geenszins vast dat verdachte onder de onderhavige omstandigheden op die wijze moest handelen aangezien andere reacties meer voor de hand lagen en ook mogelijk waren. Zo had verdachte kunnen weglopen of enkel een klap (zonder mes) terug kunnen geven. Door de zwaaiende/slaande beweging met het mes - die door de rechtbank wordt aangemerkt als een poging tot doodslag - heeft verdachte de door de subsidiariteit en proportionaliteit aan zijn handelen te stellen grenzen uit het oog verloren.

Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

4.2

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces, aangezien verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de schrik alsmede de boosheid als gevolg van de vuistslag die aan hem werd uitgedeeld.

Van noodweerexces is sprake wanneer de (niet noodzakelijk en disproportionele) handelwijze van een verdachte het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Aannemelijk moet zijn dat de hevige gemoedsbeweging door de aanranding is veroorzaakt en dat die gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor het handelen van de verdachte.

De rechtbank acht, gelet op de verklaring van verdachte en gelet op de inhoud van de door verdachte gestuurde What’s app-berichten, niet aannemelijk geworden dat de aanranding van doorslaggevende betekenis is geweest voor het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging. Uit de verklaring van verdachte komt naar voren dat hij door de gebeurtenissen van die bewuste avond kwaad en gefrustreerd was. Het zien van [getuige] en [slachtoffer] samen in het café, was volgens verdachte de druppel die de emmer deed overlopen en onder meer tot gevolg had dat verdachte uit pure frustratie een steen door de ruit heeft gegooid. Hoewel [slachtoffer] vervolgens degene was die als eerste (telefonisch) contact met verdachte opnam en de confrontatie wilde aangaan, leidt de rechtbank uit de grote hoeveelheid door verdachte verstuurde What’s-app berichten af dat vervolgens bij verdachte zijn frustratie over [getuige] en [slachtoffer] alleen maar verder opliep. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten tijde van de vechtpartij reeds bestaande kwaadheid en frustratie van verdachte jegens [slachtoffer] en [getuige] doorslaggevend is geweest voor de beweging met het mes en niet de gestelde paniek en angst die door het handelen van [slachtoffer] was veroorzaakt. Zijn hevige gemoedsbeweging is met andere woorden terug te voeren op een eerder bestaande emotie.

Het beroep op noodweerexces kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen.

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het reclasseringsadvies van 7 februari 2017.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft met een mes een zwaaiende of slaande beweging gemaakt naar het slachtoffer. Daarbij heeft hij het slachtoffer daadwerkelijk geraakt. Hij heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat daardoor een klaplong heeft opgelopen.

De rechtbank heeft voorts het aandeel van het slachtoffer in de confrontatie in aanmerking genomen.

De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte tevens mee dat hij blijkens het strafblad eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. Verdachte liep nota bene in de proeftijd van een wegens huiselijk geweld opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Blijkbaar heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan.

Dit alles rechtvaardigt oplegging van een vrijheidsbenemende straf.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging wel in strafmatigende zin rekening met de rapportage van psycholoog D. Breuker d.d. 8 januari 2017. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van cocaïne afhankelijkheid (in remissie door de detentie) alsmede van cannabis- en alcoholmisbruik. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met vooral borderline en vermijdende trekken. Deze problematiek bestond evenzo ten tijde van het ten laste gelegde en was van dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden. Het advies van de deskundige is om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Bij de strafoplegging is tevens rekening gehouden met het reclasseringsadvies d.d. 7 februari 2017, waaruit blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico. Behandeling in een forensische behandelsetting met een klinische start, gevolgd door een ambulant traject, wordt door de psycholoog en de reclassering noodzakelijk geacht om het recidiverisico te verminderen.

De rechtbank neemt de bovengenoemde conclusies en de adviezen van de deskundige en de reclassering over en maakt deze tot de hare.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde strafmodaliteit, te weten een deels onvoorwaardelijke en een deels voor-waardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar, passend is en een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Nu de rechtbank tot een zelfde bewezenverklaring komt als de officier van justitie en zij van oordeel is dat de officier van justitie reeds in voldoende mate rekening heeft gehouden met de bovengenoemde omstandigheden alsmede met het belang van het continueren van de reeds ingezette behandeling van de FPK de Woenselse Poort, zal de rechtbank zich ook aansluiten bij de gevorderde duur van de gevangenisstraf, te weten: 20 maanden waarvan 15 maanden voorwaardelijk. Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in voornoemd reclasseringsadvies opleggen, met uitzondering van het contactverbod omdat uit het verhandelde ter terechtzitting de noodzaak daartoe niet is gebleken.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.040,38 ter zake van het feit 1. De vordering bestaat uit € 740,38 aan materiële schade en € 2.300,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde materiele en immateriële schade redelijk en geheel voor toewijzing vatbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar met uitzondering van de post ‘colbert’, nu deze post onvoldoende is onderbouwd en er geen sprake is van enig causaal verband met het ten laste gelegde.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering, gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij en het daarnaar te verrichten nader onderzoek, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van dit deel van de vordering dient te leiden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een percentage van vijfentwintig procent, nu de aangehaalde casus uit de Smartengeldgids niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak alsmede gelet op de mate van eigen schuld van de benadeelde.

Het oordeel van de rechtbank

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 primair ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de beoordeling van de vordering van een benadeelde partij in het strafproces dient de rechtbank zowel de van toepassing zijnde strafrechtelijke, als civielrechtelijke toetsingscriteria te betrekken. De civielrechtelijke toetsingscriteria brengen mee dat posten die door de verdachte worden betwist niet zonder meer voor toewijzing vatbaar zijn. Posten die niet zijn betwist zijn wel voor toewijzing vatbaar, mits deze de rechtbank niet uitzonderlijk voorkomen.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging de volgende materiële posten niet heeft betwist:

  • -

    eigen risico zorg ad € 371,44;

  • -

    broek ad € 139,95;

  • -

    overhemd ad € 69,99;

Deze posten van in totaal € 581,38 komen de rechtbank niet uitzonderlijk voor, zodat de rechtbank deze posten zal toewijzen.

De post ‘colbert’ ad € 159,- heeft de verdediging wel betwist. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot deze gevorderde schade het causaal verband met de handelingen van verdachte ontbreekt en zal de rechtbank de vordering met betrekking tot dit onderdeel afwijzen.

De rechtbank zal de materiële schade daarom vaststellen op een totaalbedrag van € 581,38.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat hiervoor in ieder geval plaats is in geval van fysiek letsel. Het fysieke letsel dat het slachtoffer in het onderhavige geval heeft opgelopen betreft een steekwond in zijn borst, die heeft geleid tot een blijvend litteken. Uit de vordering van [slachtoffer] ter zake van de immateriële schade blijkt dat deze is gebaseerd op de klachten ten gevolge van zowel de steekwond in zijn borst als een wond boven zijn bil. Nu met betrekking tot laatstgenoemde verwonding het causaal verband met het ten laste gelegde ontbreekt en er naar het oordeel van de rechtbank eveneens sprake is van enige mate van eigen schuld van de zijde van de benadeelde partij, zal de rechtbank het gevorderde schadebedrag matigen. De rechtbank acht een vergoeding van € 1.000,- op zijn plaats. Voor het overige deel van de immateriële schade acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering.

Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat te betalen een bedrag van in totaal € 1.581,18 (zijnde € 581,38 + € 1.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] B.V.

De benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. vordert een schadevergoeding van € 494,38 aan materiële schade ter zake van feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de gevorderde geheel voor toewijzing vatbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door de verdediging niet is weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 494,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat te betalen een bedrag van € 494,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 16 augustus 2016 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 9 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

8 Het beslag

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen mes (830692), dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemd voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien met behulp van dat voorwerp het feit is begaan, terwijl dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met het algemeen belang.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

Verdachte is bij vonnis van de politierechter van deze rechtbank d.d. 12 mei 2015 met parketnummer 03/039959-15 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 26 mei 2015.

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben verzocht de proeftijd met één jaar te verlengen.

De rechtbank is van oordeel dat nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten - in beginsel de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de veroordeelde bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf voor toewijzing vatbaar is. De rechtbank zal echter verlenging van de proeftijd met één jaar gelasten, nu zij het van belang acht dat de reeds ingezette klinische behandeling van verdachte bij de Woenselse Poort niet wordt doorkruist.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.3 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd:

  • -

    zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt voorts de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis telefonisch melden bij de heer [naam reclasseringsmedewerker] van de Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041501. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  2. veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich op te laten nemen in FPK de Woenselse Poort of een soortgelijke intramurale instelling voor maximaal de duur van 1 jaar, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven. Voorts dient veroordeelde zijn medewerking te verlenen aan een daaropvolgend ambulant behandeltraject, indien de reclassering dat noodzakelijk acht;

  3. veroordeelde wordt verboden om drugs en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarden zal ondersteund worden door middel van urinecontroles;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.581,18 (bestaande uit € 581,18 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 16 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de overige materiele schade af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van overige immateriële schade;

  • -

    veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij van € 1.581,18, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalings-verplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 16 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] B.V. toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen

€ 494,38, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 16 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

  • -

    legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij van € 494,38, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 16 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;

Beslag

- onttrekt aan het verkeer het mes (830692);

Vordering tot tenuitvoerlegging 03/0399-15

- verlengt de proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. A.K. Kleine, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 maart 2017.

Mr. A.K. Kleine is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 augustus 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende, zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van, althans tegen/in, het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] een steekwond in zijn (boven)lichaam heeft opgelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2016 te Venlo aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in het (boven)lichaam en/of een klaplong heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende, zwaaiende en/of slaande bewegingen te maken in de richting van, althans tegen/in, het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] ;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 augustus 2016 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes stekende, zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van, althans tegen/in, het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer] een steekwond in zijn (boven)lichaam heeft opgelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 16 augustus 2016 in de gemeente Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, Basisteam Venlo/Beesel, proces-verbaalnummer PL2300-201650453, gesloten d.d. 24 oktober 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 132.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2016, pagina 35-38.

3 Proces-verbaal van aangifte d.d. 17 augustus 2016, pagina 108-110.

4 Geschrift inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 13 september 2016, pagina 58.

5 Geschift zijnde een letselrapportage opgesteld door forensisch arts J. van Gastel, d.d.30 augustus 2016, pagina 55-56.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2016, pagina 50.

7 Proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2016, pagina 95-96.

8 Processen-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2016, pagina 47.