Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1871

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
04 5315353 CV16-8196
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Snoeijen en Knoops doen al een aantal jaren zaken met elkaar. Snoeijen is, althans was, een loonwerkbedrijf en de bedrijfsvoering van Knoops is gericht op het afvoeren van mest en organische stoffen. Voor de afvoer wordt aan Knoops een vergoeding betaald door de producent van mest of andere organische stoffen. Snoeijen was een afnemer van Knoops. Knoops brengt digestaat, een afvalproduct van een vergistingsinstallatie, naar Snoeijen en laatstgenoemde zorgt ervoor dat dit afgevoerd wordt.

Een aantal facturen zijn niet betaald. De stellingen en het verweer zijn over en weer onvoldoende onderbouwd. Dit leidt tot zowel afwijzing als toewijzing van de diverse facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5315353 \ CV EXPL 16-8196

Vonnis van de kantonrechter van 1 maart 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] AGRO B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats X] ,

eisende partij,

gemachtigde Flanderijn en Verlaek Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[Y] , h.o.d.n. [Y] TRANSPORT WEERT,

wonend [adres Y] ,

[woonplaats Y] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. H.G.M. Hilkens.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] en [Y] doen al een aantal jaren zaken met elkaar. [X] is, althans was, een loonwerkbedrijf en de bedrijfsvoering van [Y] is gericht op het afvoeren van mest en organische stoffen. Voor de afvoer wordt aan [Y] een vergoeding betaald door de producent van mest of andere organische stoffen. [X] was een afnemer van [Y] . [Y] brengt digestaat, een afvalproduct van een vergistingsinstallatie, naar [X] en laatstgenoemde zorgt ervoor dat dit afgevoerd wordt.

2.2.

[Y] krijgt per vierkante meter betaald van de vergister en drie jaar geleden hebben partijen de afspraak gemaakt dat [X] € 2,25 per kubieke meter ter compensatie ontvangt. Later is dit € 2,50 geworden. Het aantal kubieke meters werd bepaald aan de hand

van de vrachtbonnen van het transport. Deze bonnen werden door [Y] aan [X] ter beschikking gesteld.

2.3.

[X] heeft de volgende facturen aan [Y] verzonden:

  • -

    9 maart 2016 € 4.872,00

  • -

    5 april 2016 € 470,64

  • -

    12 april 2016 € 745,18

  • -

    24 mei 2016 € 1.987,50.

Deze facturen met een totaalbedrag van € 8.075,32 zijn onbetaald gebleven.

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert – samengevat – veroordeling [Y] tot betaling van € 8.075,32 aan hoofdsom en € 778,77 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[Y] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. [Y] heeft niet betwist de facturen waarvan thans betaling wordt gevorderd, te hebben ontvangen. In rechte kan er daarom vanuit worden gegaan dat dit het geval is. Gesteld noch gebleken is dat [Y] op deugdelijke wijze heeft geprotesteerd tegen de facturen terstond na ontvangst daarvan. Kennelijk heeft [Y] eerst in het kader van deze procedure hiertegen verweer gevoerd. Voor zover enig verweer zou kunnen worden afgeleid uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp berichten, dan had het op de weg van [Y] gelegen om duidelijk aan te geven uit welk bericht een dergelijk protest blijkt, wat dat protest inhield en wanneer dit is gevoerd. Ook voor [X] geldt dat, indien hij ter onderbouwing van zijn vordering een beroep wenst te doen op de WhatsApp berichten hij duidelijk had moeten aangeven welke informatie in welk bericht staat vermeld en welk rechtsgevolg hij daaraan verbindt. Nu beide partijen hebben nagelaten hun stellingen op dit punt concreet te maken zal de kantonrechter het WhatsAppverkeer bij de beoordeling buiten beschouwing laten.

4.2.

[X] vordert betaling van de openstaande facturen. De facturen zullen hierna telkens afzonderlijk worden besproken.

4.2.1.

Factuur van 9 maart 2016 ad € 4.872,00

[Y] voert tegen voornoemde factuur aan dat naast de hoeveelheid mest à € 2,50 per m³ ook een bedrag van € 2.800,00 aan puthuur in rekening is gebracht. Voor het tijdelijk opslaan van de mest hebben partijen echter afgesproken dat een extra € 2,50 per m³ zou worden betaald, zodat in totaal € 5,00 per m³ verschuldigd zou zijn, inclusief het injecteren. Er is derhalve een bedrag van € 1.400,00 te veel in rekening gebracht, aldus [Y] .

[X] stelt dat [Y] naar aanleiding van de brief van 1 juni 2016 van de gemachtigde van [X] telefonisch contact heeft opgenomen en dat [Y] aangaf in de veronderstelling te verkeren dat hij de factuur al betaald had. Het bedrag van € 1.400,00 is nooit betwist.

De kantonrechter is van oordeel dat [X] het verweer van [Y] betreffende de vergoeding voor de puthuur niet heeft weerlegd. Gelet op dit verweer had het op de weg van [X] gelegen zijn vordering op dit punt deugdelijk te onderbouwen. Dit heeft [X] echter nagelaten. De stelling dat [Y] het bedrag van € 1.400,00 niet eerder heeft betwist, brengt niet met zich dat [Y] in deze procedure hiertegen geen verweer mag voeren.

De factuur van 9 maart 2016 wordt derhalve tot een bedrag van € 3.472,00 toegewezen.

4.2.2.

Factuur van 5 april 2016 ad € 470,64

[Y] voert aan dat het hem niet duidelijk is op welke leverancier de nota betrekking heeft. Op of omstreeks 5 april 2016 heeft [Y] geen mest aan [X] geleverd. [X] heeft ook niet aangetoond dat hij een hoeveelheid van 177 m³ heeft geïnjecteerd.

[X] stelt dat de omschrijving op de factuur op verzoek van [Y] zo heeft plaatsgevonden. De nota’s die bij productie 6 bij dagvaarding met dezelfde omschrijving zijn wel betaald.

De kantonrechter is van oordeel dat [X] ten aanzien van deze factuur zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Gelet op het verweer van [Y] had het ook ten aanzien van deze factuur op de weg gelegen zijn vordering nader te onderbouwen. Zo toont [X] in het geheel niet aan dat hij de in rekening gebrachte werkzaamheden heeft verricht. Dat [Y] eerdere facturen met eenzelfde omschrijving wel heeft betaald, is geen onderbouwing voor de onderhavige factuur. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

4.2.3.

De factuur van 12 april 2016 ad € 745,18

De kantonrechter constateert dat partijen dezelfde stellingen innemen als tegen de factuur van 5 april 2016. Ook ten aanzien van deze factuur is de kantonrechter daarom van oordeel dat [X] zijn vordering in onvoldoende mate heeft onderbouwd zodat deze wordt afgewezen.

4.2.4.

De factuur van 24 mei 2016 ad € 1.987,50

Ten aanzien van deze factuur voert [Y] aan dat tussen partijen de afspraak bestond dat [X] geen kosten in rekening zou brengen bij de agrariërs aan wie hij het digistaat doorleverde. In strijd daarmee heeft [X] een vergoeding gevraagd aan en gekregen van de agrariërs. [X] is daarom al betaald voor zijn werkzaamheden, zodat [Y] geen vergoeding hoeft te geven.

[X] heeft het bestaan van de door [Y] gestelde afspraak betwist.

De kantonrechter verwerpt het verweer van [Y] en overweegt daartoe het volgende. [Y] heeft het bestaan van de door hem gestelde afspraak betreffende het niet in rekening brengen van een vergoeding aan de agrariërs niet aangetoond. Bovendien hebben partijen afspraken gemaakt over het vergoeden van het verwerken/afvoeren van digistaat tegen € 2,50 per m³. [Y] heeft niet betwist dat [X] 750 m³ digistaat heeft uitgereden bij [A] , [B] en [C] . [Y] is daarom gehouden voor die werkzaamheden te betalen. Of en zo [X] van de agrariërs eveneens een vergoeding ontvangt, acht de kantonrechter niet relevant. [Y] is gewoon gehouden de verplichting voortvloeiende uit de verbintenis met [X] na te komen. Het gevorderde bedrag ad € 1.987,50 wordt toegewezen.

4.3.

Vast staat dat [Y] de factuur van 22 maart 2016 heeft betaald. [Y] stelt dat dit abusievelijk is gebeurd en dat deze verrekend dient te worden. Het verrekeningsverweer is echter onvoldoende onderbouwd, zodat dit gepasseerd wordt.

4.4.

Over de toe te wijzen bedragen zal de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim, zijnde 15 juni 2016, worden toegewezen.

4.5.

[X] vordert verder een bedrag van € 778,77 aan incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [X] voldoende heeft aangetoond dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die toewijzing van incassokosten rechtvaardigen. Gelet op de toe te wijzen hoofdsom zal een bedrag van € 649,98 aan incassokosten worden toegewezen.

4.6.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.7.

[Y] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 79,35

  • -

    griffierecht 471,00

  • -

    salaris gemachtigde 500,00 ( 2 x tarief € 250,00)

totaal € 1.050,35

4.8.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [Y] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 6.109,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

veroordeelt [Y] in de proceskosten aan de zijde van [X] gevallen en tot op heden begroot op € 1.050,35,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: no