Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1851

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 739u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag, Vaststellingsovereenkomst, Nadere regeling, Wilsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/739

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 maart 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.C. Delahaye),

en

het Dagelijks bestuur Kredietbank Limburg, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser eervol ontslag verleend per 1 juli 2016 conform het bepaalde in artikel 8:1 van de CAR/UWO.

Bij besluit van 29 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] .

Overwegingen

1. Op 23 juni 2005 is eiser benoemd in de functie van secretaris/algemeen directeur bij de Kredietbank Limburg. Voorheen – sinds 8 oktober 2001 – was eiser werkzaam bij de rechtsvoorgangers van deze instelling in een vergelijkbare functie. In verband met een arbeidshandicap (RSI) heeft verweerder rekening gehouden met een beperkte beschikbaarheid. De formele arbeidsduur bedraagt 36 uur per week, maar er wordt uitgegaan van een gemiddelde beschikbaarheid van drie dagen per week.

2. Partijen hebben op 6 mei 2011 een vaststellingsovereenkomst getekend. De aanleiding voor deze vaststellingsovereenkomst, zo is opgenomen in de overeenkomst zelf, is dat eiser vanwege zijn gezondheidsprognose de continuïteit bij de dagelijkse leiding van verweerder in de weg lijkt te staan. Eiser legt per 1 juli 2011 zijn functie als algemeen directeur neer. Na deze datum wordt eiser voor een periode van vijf jaar benoemd in de functie van economisch adviseur in algemene dienst. Eiser zal uiterlijk 1 juli 2016 verzoeken om zijn aanstelling te beëindigen, zodat er per deze datum niets meer aan hem verschuldigd zal zijn en hij geen rechten zal doen gelden op een werkloosheids- of andere arbeidsinkomsten-vervangende uitkering. Het verzoek om beëindiging van de aanstelling vormt een onlosmakelijk onderdeel van de overeenkomst en is bijgevoegd. Eiser heeft eveneens op 6 mei 2011 het verzoek om ontslag ondertekend en ingediend.

3. Bij brief van 20 oktober 2014 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder laten weten dat eiser wenst terug te komen op zijn ontslagverzoek vanwege de vernietigbaarheid van de overeenkomst.

4. Voorafgaand aan de onderhavige procedure hebben partijen een civiele procedure gevoerd, geïnitieerd door eiser. Inzet van deze procedure was dat hij ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het indienen van het ontslagverzoek zodanig psychisch verward was, dat sprake is van een wilsgebrek. Eerst is een voorlopig deskundigenbericht aangevraagd door eiser. Dit verzoek is door de burgerlijke rechter toegewezen. De deskundige M.M.M.G. Debije, psychiater-psychotherapeut, heeft bericht over de geestestoestand van eiser ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst. Vervolgens heeft eiser verweerder gedagvaard met als doel een verklaring voor recht te verkrijgen dat de vaststellingsovereenkomst nietig, dan wel vernietigbaar is vanwege een wilsgebrek. De burgerlijke rechter heeft bij vonnis van 1 juli 2015 eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat niet de civiele rechter, maar de bestuursrechter bevoegd is.

5. Verweerder heeft eiser bij het primaire besluit eervol ontslag op eigen verzoek verleend. Volgens verweerder zijn partijen gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Het verzoek om eervol ontslag maakt daarvan onderdeel uit. Eiser is gebonden aan de gemaakte afspraken. Er is niet gebleken van een wilsgebrek. Bij het deskundigenbericht van Debije zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen. Het deskundigenbericht biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een wilsgebrek. Ook het feitelijke handelen van eiser laat juist zien dat hij goed wist waarmee hij bezig was. Na ondertekening van de overeenkomst heeft hij feitelijk gehandeld zoals afgesproken. Eerst geruime tijd na ondertekening van de overeenkomst komt eiser hierop terug. Hij benoemt dan alleen de passages uit de vaststellingsovereenkomst die negatief voor hem uitpakken. De bezwarencommissie van Kredietbank Limburg heeft uitgebreid geadviseerd over het bezwaar van eiser. Verweerder heeft dit advies geheel overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard.

6. In beroep betoogt eiser dat ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst en het indienen van het verzoek om ontslag sprake was van wilsontbreken, dan wel een wilsgebrek. In december 2010 hadden partijen een mondelinge overeenkomst gesloten, die qua inhoud nagenoeg gelijk was aan de thans schriftelijk gesloten overeenkomst. In april 2011 had eiser al verklaard zich niet meer gebonden te voelen aan de mondelinge overeenkomst van december. Dat eiser dan toch een gelijkluidende overeenkomst sluit, had voor verweerder een indicatie moeten zijn dat hij de strekking van zijn handelen niet kon overzien. Eiser had geen rechtskundige bijstand en de overeenkomst is zeer nadelig voor hem. Hij doet immers afstand van zijn recht op een uitkering, terwijl hij vanwege zijn gezondheidssituatie nagenoeg geen kansen heeft op de arbeidsmarkt. Al vrij snel na het ondertekenen van de overeenkomst geeft eiser in e-mails aan zich niet langer gebonden te achten aan de vaststellingsovereenkomst. Op 20 oktober 2014 heeft hij uitdrukkelijk zijn ontslagverzoek ingetrokken. Eiser heeft – in een civiele procedure – verzocht om een voorlopig deskundigenbericht. De door de rechtbank benoemde deskundige Debije concludeert dat eiser onder invloed van een geestelijke stoornis de overeenkomst heeft getekend. Bij eiser was sprake van: een bipolaire-II stoornis, een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en dwangmatige kenmerken, van alcohol- en benzodiazepine misbruik, hevige stress, spanningen en druk en hij gebruikte een groot aantal medicamenten. De gezondheidssituatie van eiser was bekend bij verweerder en verweerder had eiser nooit mogen dwingen de overeenkomst te ondertekenen, aldus eiser.

7. De rechtbank is van oordeel dat – anders dan verweerder primair betoogt – eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Verweerder stelt met juistheid dat eiser in mei 2015 aan de rechtbank in het kader van de civiele procedure heeft laten weten te stoppen met de zaak en zich bij de situatie neer te leggen. Dit betekent echter niet dat eiser reeds hierom geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Het staat eiser vrij om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het ontslagbesluit. Dit primaire standpunt van verweerder volgt de rechtbank dan ook niet.

8. De rechtbank overweegt verder als volgt. Het ontslag heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 8:1 van de CAR/UWO. Ingevolge artikel 8:1 van de CAR/UWO wordt, indien de ambtenaar ontslag verzoekt, hem dit eervol verleend. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is voor een ontslag op eigen verzoek vereist dat een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting van de betrokken ambtenaar ter zake van dat ontslag aanwezig is (CRvB 13 mei 2004, TAR 2004/163). Afspraken tussen partijen over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband worden volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:173) aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Aan zo’n ontslagregeling zijn partijen gebonden op grond van het beginsel van de rechtszekerheid, dat niet alleen voor het bestuursorgaan geldt, maar ook voor de ambtenaar. Dit kan onder meer anders zijn als sprake is van wilsgebreken of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd.

9. In beginsel mag een werkgever erop vertrouwen dat een werknemer door ondertekening van een vaststellingsovereenkomst instemt dat zijn dienstverband op basis van de afspraken in deze overeenkomst zal worden beëindigd. De werkgever moet zich er wel van vergewissen of met een redelijke mate van zekerheid vaststaat dat de werknemer beseft dat zijn instemming wordt gevraagd met beëindiging van het dienstverband en of hij de mogelijke consequenties van zijn instemming voor zijn rechtspositie overziet. Dat betekent dat van een werkgever mag worden verwacht dat die zijn werknemer omtrent diens rechtspositie volledige en juiste informatie verschaft.

10. Het ontslagverzoek is op 6 mei 2011 ondertekend door eiser. Hiermee is in beginsel sprake van een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting. Voorafgaand aan de ondertekening hebben partijen diverse malen overleg gevoerd. De inhoud van de overeenkomst komt vrijwel volledig uit de koker van eiser. Hij heeft per e-mail van

5 december 2010 diverse scenario’s geschetst aan verweerder en één van deze scenario’s heeft zijn weerslag gekregen in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank acht van belang dat eiser niet “zomaar” een werknemer was bij verweerder. Als directeur/secretaris bekleedde hij de hoogste positie. In zijn e-mail van 22 december 2010 stelt eiser: “Fijn dat we elkaar toch weer naderen. Ik vind het prima om de vaststellingsovereenkomst te laten opmaken, met inachtneming van mijn geuite bezwaartjes. Maar je zult begrijpen dat ik deze, vooraleer ik kan tekenen, aan een jurist moet voorleggen.” Ook uit andere correspondentie mocht verweerder afleiden dat eiser juridische bijstand genoot. In de e-mail van 31 maart 2011 schrijft eiser het eens te zijn met de inhoud van de overeenkomst en dat zijn voorgestelde wijzigingen “overwegend van hoedanigheidsaard zijn.” Vervolgens vindt een gesprek plaats tussen eiser en verweerder en tijdens dit gesprek geeft eiser aan zich niet langer gebonden te voelen aan de afspraken, zoals die op dat moment zijn gemaakt. Hierop stuurt verweerder een brief dat, als eiser niet meewerkt aan een minnelijk traject, tot een einde van de arbeidsovereenkomst via de rechter zal worden gekomen. Dan geeft eiser per

e-mail van 21 april 2011 aan dat hij zich alsnog gebonden acht aan de afspraken van december. Al het e-mail-verkeer overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich als werkgever er in voldoende mate van heeft vergewist dat eiser beseft dat zijn instemming is gevraagd met beëindiging van het dienstverband. In beginsel is eiser dus gebonden aan de ontslagregeling. Dit is alleen anders als sprake is van wilsgebreken of als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hiervan sprake is.

11. Eiser stelt dat sprake is van een wilsgebrek. De meest geëigende manier om dit te beoordelen is medische informatie op of omstreeks de datum van ondertekening van de overeenkomst. De rechtbank stelt vast dat de beschikbare medische informatie geen steun biedt voor eisers stelling. Op het moment van ondertekening was eiser niet in behandeling vanwege psychische klachten. Vervolgens bezoekt eiser op 7 juni 2011 de huisarts, maar dit was niet vanwege psychische klachten, maar voor lichamelijke klachten, zo volgt uit het huisartsenjournaal. Er is dus geen medische informatie voorhanden op of omstreeks 6 mei 2011, waaruit naar voren komt dat bij eiser sprake was van (acute) psychische problematiek, waardoor hij niet in staat zou zijn om zijn wil te bepalen.

12. Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een wilsgebrek verwijst eiser met name naar het deskundigenbericht van Debije. Het is vaste jurisprudentie van de CRvB (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:2688) dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In dat verband is relevant of het uitgebrachte rapport blijk geeft van een zorgvuldige onderzoek en inzichtelijk en consistent is. Hoewel Debije niet door de bestuursrechter is benoemd, acht de rechtbank deze rechtsregel van toepassing. Ook Debije is als onafhankelijke deskundige ingeschakeld door de rechtbank. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of de motivering van Debije overtuigend voorkomt.

13. Debije antwoordt op de vraag of ten tijde van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst sprake was van een tijdelijke of blijvende stoornis van het geestvermogen: “Ja: bij betrokkene is sprake van combinatie van een biplaire-II stoornis, alcohol- en benzodiazepine-misbruik/afhankelijkheid bij een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en dwangmatige kenmerken; al deze problemen speelden op genoemd moment.” Op de vraag of deze stoornis in de weg heeft gestaan aan het maken van een redelijke waardering van de bij deze rechtshandeling betrokken belangen antwoordt Debije: “Een bipolaire stoornis gaat gepaard, zowel in de depressieve als de hypomane episodes van betrokkene, met oordeels- en kritiekstoornissen. Het algemeen advies is dan ook om tijdens deze actieve periodes van de stoornis geen belangrijke beslissingen te nemen en deze uit te stellen totdat er zich weer een goede en stabiele periode aandient. Dergelijke periodes hebben zich in de periode in geding bij betrokkene niet of nauwelijks voorgedaan.” Volgens de deskundige is de ondertekening van de overeenkomst niet conform de wil van eiser. Hierover concludeert Debije: “Enerzijds is deze overeenkomst tot stand gekomen onder invloed van de bovengenoemde factoren, anderzijds voelde hij zich zwaar onder druk staan en vreesde hij voor zijn gezondheid door het vooruitzicht van een eindeloze procedure, indien hij niet zou tekenen.”

14. De conclusies van Debije zijn stellig. Desondanks komt de motivering van Debije de rechtbank niet overtuigend voor. Debije is de eerste arts die bij eiser een bipolaire-II stoornis vaststelt. Debije maakt echter niet inzichtelijk hoe hij tot deze diagnose komt. Zeker nu nog niet eerder een arts/psychiater een dergelijke diagnose heeft gesteld, mag van Debije een solide onderbouwing worden verwacht. Debije schetst wel een algemeen beeld van een bipolaire stoornis, maar laat na te schetsen hoe de situatie van eiser in dit algemene beeld past. Debije stelt dat in de periode tussen september 2010 en 6 mei 2011 niet of nauwelijks sprake is van een goede of stabiele periode. Het is echter onduidelijk waarop Debije, vier jaar na dato, deze conclusie baseert. Hij stelt verder ‘niet of nauwelijks’, waarbij ‘nauwelijks’ enige ruimte laat. Het is de rechtbank niet duidelijk waaruit blijkt dat eiser op

6 mei 2011 en de periode daaraan voorafgaand onder invloed was van een geestelijke stoornis. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, is geen medische informatie voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat eiser zich toen onder behandeling van een psychiater of een andere arts heeft gesteld vanwege psychische problematiek. In januari 2011 was sprake van een ziekenhuisopname vanwege psychische klachten, maar de deskundige heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom dit nog relevant is ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst. Verder stelt de rechtbank vast dat enkele aspecten die Debije in zijn rapportage aanneemt als feiten, enkel berusten op de verklaring van eiser. De rechtbank noemt als voorbeelden de gestelde alcoholverslaving en het afbellen van de afspraak door eiser, omdat hij niet kon autorijden vanwege trillende handen. Er is een zeer uitgebreid dossier voorhanden, maar de rechtbank kan verder geen onderbouwing vinden voor deze, door eiser gepresenteerde feiten. Gelet op al deze redenen komt de motivering van Debije de rechtbank niet overtuigend voor.

15. Een verdere bevestiging voor dit oordeel vindt de rechtbank in de rapportage, opgesteld door J.W. Peterse, psychiater. Dit betreft een door verweerder ingeschakelde deskundige. Peterse benoemt dat Debije teveel gewicht heeft toegekend aan het klachtverhaal van eiser en onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het feit dat de medische gegevens op onderdelen duidelijk andere informatie verschaffen, die conflicteren met het verhaal van eiser. Peterse is het niet eens met de onderbouwing van de door Debije gestelde diagnose bipolaire II stoornis. Verder overweegt Peterse dat uit de medische gegevens niet het beeld naar voren komt van continu alcohol- en benzodiazepinemisbruik en Peterse mist een kritische overweging over het feit dat eiser gedurende een groot deel van de periode in staat is geweest tot scherpe, kritische correspondentie met de werkgever, niet passende bij een beperkende geestesstoornis. Peterse licht deze punten op uitgebreide – en naar het oordeel van de rechtbank – overtuigende wijze toe.

16. De rechtbank concludeert dat het rapport van Debije niet kan dienen ter onderbouwing van eisers stelling dat ten tijde van het ondertekenen van de overeenkomst sprake was van een wilsgebrek.

17. Voor de stelling van eiser dat sprake is van een wilsgebrek ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vindt de rechtbank evenmin aanknopingspunten in de overige gedingstukken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat aanleiding bestaat te oordelen dat eiser – vanwege een wilsgebrek – niet gebonden is aan de afspraken, gemaakt in de vaststellingsovereenkomst.

18. Eiser heeft verder betoogd dat de vaststellingsovereenkomst zeer nadelig voor hem uitpakt en dat volledige nakoming van de afspraken niet van hem kan worden gevergd. Vanwege zijn beperkingen heeft hij nauwelijks kansen op de arbeidsmarkt. In de overeenkomst doet eiser afstand van zijn recht op uitkering. Verweerder stelt dat met de overeenkomst in feite vijf jaar wachtgeld wordt uitbetaald, hetgeen meer is dan de rechten die eiser had opgebouwd in het kader van de Werkloosheidswet (WW). Dat eiser niet in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, komt omdat hij arbeidsgeschikt is. Wel zal eiser dan genoegen moeten nemen met een lager loon. Volgens verweerder is de overeenkomst niet nadelig voor eiser.

19. De rechtbank is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst overwegend positieve aspecten voor eiser bevat. Positief voor eiser is dat hij nog vijf jaar in dienst bleef bij verweerder, terwijl eiser nagenoeg geen werkzaamheden hoefde te verrichten. Feitelijk was dus sprake van een wachtgelduitkering voor de duur van vijf jaar. Zeker gelet op eisers toenmalige plannen om te emigreren, is de overeenkomst in zijn geheel te kwalificeren als positief. Eiser stelt nu dat hij helemaal niet van plan was om te emigreren naar Bali, maar dat dit feitelijk uit de koker van de heer [naam 2], die namens verweerder de onderhandelingen voerde, kwam. Eiser heeft zich naar eigen zeggen laten meeslepen door [naam 2]. De rechtbank stelt vast dat de gedingstukken deze stelling van eiser niet onderbouwen. Het is juist eiser die in zijn e-mails zijn plannen om te emigreren benoemt. Kennelijk zijn deze plannen veranderd en is eiser in Nederland gebleven. Ook in dat geval kan de rechtbank niet concluderen dat de overeenkomst overwegend nadelig is voor eiser. Hij heeft immers gedurende vijf jaar loon ontvangen en dat is aanzienlijk meer dan de door eiser opgebouwde WW-rechten. In de overeenkomst is weliswaar afgesproken dat “hij geen rechten zal doen gelden op werkloosheids- of andere arbeidsinkomsten-vervangende uitkeringen”, maar het staat voor de rechtbank allerminst vast dat hiermee ook een WIA of WAO-uitkering is bedoeld. Als eiser hiervoor thans niet in aanmerking komt, wordt dit niet veroorzaakt door de vaststellingsovereenkomst, maar omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet voor een dergelijke uitkering. Eiser was tot 1 juli 2016 in dienst bij verweerder. Indien eiser daadwerkelijk niet in staat was om zijn arbeid (als economisch adviseur) te verrichten, dan had hij zich ziek moeten melden (zolang hij ziek was). Dat eiser op dit moment spijt heeft van de gesloten overeenkomst is onvoldoende om te kunnen concluderen dat nakoming niet langer van hem kan worden gevergd. Dat eiser het gevoel heeft dat deze overeenkomst op dit moment nadelig voor hem uitpakt, betekent niet dat de overeenkomst – objectief bezien – ten tijde van het sluiten daadwerkelijk negatief was voor eiser. Eisers verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2004:AP1232 kan de rechtbank niet plaatsen. In dat specifieke geval werd iemand voor de duur van één jaar in tijdelijke dienst gesteld, terwijl hij – bij ontslag – recht zou hebben gehad op wachtgeld. Eiser daarentegen is voor de duur van vijf jaar in dienst gebleven bij verweerder, hetgeen veel langer is dan de periode waarop hij recht op werkloosheidsuitkering zou hebben gehad ingevolge de WW.

20. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Zelfs al zou eiser worden gevolgd in zijn betoog dat sprake is van een wilsgebrek, dan dient vervolgens – ingevolge de wilsvertrouwensleer – beoordeeld te worden of bij verweerder het gerechtvaardigde vertrouwen bestond, dat eiser middels ondertekening van de overeenkomst uiting had gegeven aan zijn wil. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt niet op de hoogte te zijn geweest van de psychiatrische voorgeschiedenis van eiser. Wel was verweerder bekend met de lichamelijke klachten van eiser. Nu de inhoud van de vaststellingsovereenkomst vrijwel geheel is gedicteerd door eiser, hij in de periode voor 6 mei 2011 diverse gedetailleerde

e-mails heeft gestuurd over de overeenkomst en eiser gedurende enkele jaren overeenkomstig de afspraken in de overeenkomst heeft gehandeld, mocht verweerder erop vertrouwen dat eiser ook zelf tot een einde van het dienstverband wilde komen. Eiser heeft weliswaar na 6 mei 2011 gecorrespondeerd over de overeenkomst, maar deze e-mails hadden juist betrekking op nakoming van de overeenkomst door verweerder. Eerst bij schrijven van zijn gemachtigde van 20 oktober 2014 roept eiser de vernietigbaarheid van de overeenkomst in.

21. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 8:1 van de CAR/UWO is voldaan. Er is sprake van een vaststellingsovereenkomst waaraan eiser is gebonden.

22. Het beroep is ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. T.E.A. Willemsen en mr. P.J. Voncken, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 01 maart 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.