Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1848

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
4781550 CV EXPL 16-1115
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2016:11616
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

risico-aansprakelijkheid voor gebrekkige opstal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 4781550 CV EXPL 16-1115

Vonnis van de kantonrechter van 1 maart 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

h.o.d.n. [bedrijfsnaam] ,

wonende te [woonplaats 1]

eisende partij,

gemachtigde DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAUDUIN MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Maastricht,

2. de vennootschap onder firma GINGER V.O.F.,

gevestigd te Maastricht,

3. [gedaagde sub 3] , vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats 1] ,

4. [gedaagde sub 4] , vennoot van gedaagde sub 2,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

gemachtigde mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat.

Eisende partij zal [eiseres] genoemd worden. Gedaagden twee tot en met vier zullen gezamenlijk Ginger c.s. genoemd worden en afzonderlijk Ginger, [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 augustus 2016 waarbij de kantonrechter Ginger c.s. een bewijsopdracht heeft gegeven

  • -

    de akte (specificatie facturen) van [eiseres]

  • -

    de akte houdende getuigenopgave en verhinderdata van Ginger c.s.

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 november 2016

  • -

    de andwoordakte en conclusie na enquête van Ginger c.s.

  • -

    de antwoordakte na enquête van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat op Ginger c.s. in beginsel de risico-aansprakelijkheid rust voor de door het gat in de afvoer bij [eiseres] veroorzaakte schade, maar dat dit niet zo is als het gat is veroorzaakt door [eiseres] zelf. De kantonrechter heeft daarom aan Ginger c.s. opgedragen te bewijzen dat het gat in de afvoer door [eiseres] zelf is veroorzaakt. Vervolgens zijn een drietal getuigen gehoord.

2.2.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik heb het lek gerepareerd. Over de oorzaak kan ik niets zeggen. De leiding is gemaakt van kunststof. Het kan zijn dat die was gescheurd bijvoorbeeld door werking van de panden of met iets is geraakt. Wat de oorzaak was in dit geval weet ik niet. De leiding bevond zich in de gemeenschappelijke muur, op een afstand van 20-30 centimeter vanuit [eiseres] en 2-3 centimeter vanuit Ginger.

(…) Normaliter gaat een leiding onbeperkt mee. Spontaan gaat niets stuk, maar schade kan ontstaan door de werking van het pand of de muren. Het zijn oude panden. Werkzaamheden zouden ook de oorzaak kunnen zijn. (…)”

2.3.

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Het gat is ontstaan omdat de riolering aan de zijde van Ginger niet kon expanderen. Het pvc is gaan werken en gescheurd in de mof. Pvc zet namelijk uit als er koud en warm water doorheen gaat en dat kon hier niet omdat de leiding zat opgesloten in stuc, pur en metselwerk. Ik heb dit geconstateerd na destructief onderzoek. Op zich is de leiding goed gemonteerd maar hij kon niet expanderen waardoor die is gescheurd. Het gaat niet om een spouwmuur maar om een steensmuur van 30 tot 35 centimeter. Aan de zijde van Ginger zat alleen stucwerk en dan de leiding. Vanuit [eiseres] moest 25 tot 30 centimeter worden weggekapt voordat de leiding zichtbaar was.

(…) Wij zijn steeds hoger gaan kappen en toen kwamen wij de leiding tegen, waar in de spie bij de mof een gat zat. De leiding is bij de mof gescheurd en dat is uiteindelijk een gat geworden. De pur rondom de leiding is vanuit Ginger gespoten. (…) Dit alles bevond zich 25 tot 30 centimeter in de muur. (…)”

2.4.

Getuige [getuige 3] heeft het volgende verklaard:

“Ik ben ter plaatse gegaan toen de muur en de leiding alweer waren hersteld. Ik heb mij enkel gebaseerd op de verklaringen van partijen en de foto’s. (…) Ik denk dat het gat is ontstaan door boren. Ik geloof niet dat het gat uit zichzelf is ontstaan. Aanstoten of iets dergelijks is niet mogelijk want de leiding bevond zich in de muur. Ik denk niet dat het gat is veroorzaakt door zetting van de panden of het expanderen van de leiding. Het is mijns inziens veel aannemelijker dat het gat is veroorzaakt door menselijk handelen. Zeker omdat de leiding er al zeker 10 tot 14 jaar zat en de panden al oud waren. Ik heb de afstand van [eiseres] naar de leiding niet kunnen meten, maar ik gok die op 10 tot 15 centimeter.

In het rapport heb ik geschreven dat het om een steensmuur zou gaan, maar ik denk eerder dat dit toch een spouwmuur was. Dit betekent dat de leiding zich bevond in een open ruimte zodat werking geen oorzaak kan zijn. Ik zou in dat geval ook eerder een scheur verwachten. Een scheur kan eventueel groter worden maar zal geen gat worden, zeker nu er geen druk op de leiding stond. Een leiding moet tegen een wisseling in temperatuur kunnen. Pvc zet net als ieder materiaal wat uit als de temperatuur veranderd.

Door krimpen en uitzetten kan een scheur ontstaan, maar deze kans is zeer klein. Dat dit de oorzaak is, is niet waarschijnlijk, zeker nu de lekkage zich pas na 10 jaar voordeed. (…)”

2.5.

Volgens Ginger c.s. is met de verklaringen van getuigen [getuige 3] en [getuige 1] bewezen dat het gat is veroorzaakt door [eiseres] zelf, namelijk door boren. Volgens [eiseres] is het bewijs hiervan niet geleverd.

2.6.

De kantonrechter oordeelt dat Ginger c.s. niet is geslaagd in het leveren van het bewijs voor de stelling dat het gat is veroorzaakt door [eiseres] zelf. Juist de twee getuigen die het gat zelf hebben gezien, verklaren immers dat er andere (mogelijke) oorzaken kunnen zijn. De kantonrechter hecht minder waarde aan de verklaring van [getuige 3] , die het gat immers niet zelf heeft gezien en zich baseert op verklaringen van partijen en foto’s. Overigens laat ook zijn verklaring de mogelijkheid open dat het gat niet is veroorzaakt door menselijk handelen. Hij acht dit weliswaar veel aannemelijker en de oorzaak van krimpen en uitzetten niet waarschijnlijk, maar hij sluit dit laatste niet uit. Hierbij is ook van belang dat hij deze conclusie mede lijkt te baseren op zijn aanname dat het niet om een steensmuur maar om een spouwmuur zou gaan, terwijl deze aanname blijkens de verklaring van [getuige 2] , die de steensmuur heeft weggekapt, onjuist is. Al met al blijft onduidelijk hoe het gat in de leiding is ontstaan. De oorzaak kan niet worden vastgesteld. Dit komt voor risico van Ginger c.s., op wie ingevolge artikel 150 Rv de bewijslast, en dus het bewijsrisico, rust. Dit betekent dat Ginger c.s. aansprakelijk is voor de door de lekkage bij [eiseres] veroorzaakte schade. De vraag is dan wat die schade inhoudt.

2.7.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis al geoordeeld dat [eiseres] geen recht heeft op vergoeding van de koopsom van de nieuwe RVS-wand, maar wel op de kosten voor het aanbrengen hiervan. Uit de factuur viel echter niet op te maken welk gedeelte van het factuurbedrag ziet op het aanbrengen zodat niet kan worden beoordeeld welk bedrag toewijsbaar is. De kantonrechter heeft [eiseres] daarom in staat gesteld dit alsnog te specificeren.

2.8.

[eiseres] heeft vervolgens een e-mail van dhr. [getuige 2] overgelegd waarin staat dat de richtprijs voor de beplating € 750,- zou bedragen, zodat het restantbedrag van de factuur (€ 554,38) ziet op de arbeidskosten/het aanbrengen van de RVS-plaat.

2.9.

Ginger c.s. heeft hiertegen het volgende ingebracht. Het is onduidelijk of dhr. [getuige 2] iets met Rousseau Bouw BV/Rousseau Metaalbouw van doen heeft. Het blijkt niet dat de e-mail inderdaad van hem afkomstig is. Het is onduidelijk of de RVS-plaat tegen de litigieuze muur is aangebracht. Onduidelijk is of met beplating de RVS-afwerking bedoeld is. Bij de € 750,- moet nog btw worden opgeteld, zodat hoogstens € 396,88 toegewezen kan worden.

2.10.

De kantonrechter zal een bedrag van € 396,88 toewijzen, nu dhr. [getuige 2] inderdaad schrijft dat de beplating € 750,- exclusief btw bedraagt. De e-mail is afkomstig van Metaalbouw Rousseau en de kantonrechter oordeelt het onaannemelijk dat het in die e‑mail gaat over iets anders dan de in het geding zijnde RVS-wand.

2.11.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis als geoordeeld dat Ginger c.s. geen recht heeft op “herstelkosten van condensafvoer koeling en daklekkages”, maar wel op “onderzoekskosten van condensafvoer koeling”. In de betreffende factuur waren deze posten echter niet uitgesplitst zodat niet kon worden beoordeeld welk bedrag toewijsbaar is. De kantonrechter heeft [eiseres] daarom in staat gesteld dit alsnog te specificeren.

2.12.

[eiseres] voert aan dat in ieder geval € 110,- aan materiaalkosten in mindering moet worden gebracht, maar dat het onderscheid in onderzoeks- en arbeidskosten niet meer te maken is omdat de betreffende aannemer niet meer bestaat. [eiseres] heeft de kantonrechter verzocht het bedrag in goede justitie te bepalen. De gebruikelijke tarieven bedragen ongeveer € 130,- per uur exclusief btw. Er is acht uur onderzoek verricht. Derhalve kan € 1.258,40 in ieder geval worden toegewezen, aldus [eiseres] . Volgens [eiseres] komt echter waarschijnlijk bijna de hele factuur, minus de materiaalkosten, voor vergoeding in aanmerking omdat het onwaarschijnlijk is dat het verwerken van amper € 110,- aan materiaal ± € 2.000,- zou kosten.

2.13.

Ginger c.s. heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Bij de curator had [eiseres] nog een specificatie kunnen verkrijgen. De factuur heeft geen betrekking op de onderhavige lekkage maar op problemen met de koeling en het dak. [eiseres] had een offerte over moeten leggen om te onderbouwen dat normaliter voor onderzoek een tarief van om en nabij de € 130,- in rekening wordt gebracht. Bovendien is onduidelijk waarom één werkdag zou moeten worden besteed aan dit onderzoek.

2.14.

De kantonrechter ziet geen reden terug te komen van haar oordeel dat de onderzoekskosten vergoed moeten worden. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek is verricht om te achterhalen waar het water in de keuken vandaan kwam. Op de betreffende factuur is € 225,- in rekening gebracht voor “onderzoek en herstellen condensafvoer koeling”, € 1.465,- voor “herstellen van daklekkages” en € 110,- voor “materialen”. De twee laatste posten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Alleen een deel van de eerste post ziet op onderzoekskosten. Op basis van hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, kan echter niet worden vastgesteld welk deel van deze post ziet op onderzoekskosten en welk deel op herstelkosten. Dat betekent dat de kantonrechter de kosten zal schatten overeenkomstig artikel 6:97 BW, en wel op de helft van het betreffende bedrag: € 112,50,- exclusief btw, oftewel € 136,13 inclusief btw. De kantonrechter zal dit laatste bedrag toewijzen.

2.15.

Verder heeft de kantonrechter in het tussenvonnis al beslist dat € 3.080,53 zal worden toegewezen en dat de overige schadeposten zullen worden afgewezen. In totaal ligt dus een bedrag van (€ 3.080,53 + 396,88 + € 136,13 =) € 3.613,54 voor toewijzing gereed, welk bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente. [eiseres] vordert de wettelijke rente vanaf datum verzuim. Dat is de datum dat zij de gevorderde schade heeft geleden, oftewel de betaaldata van de facturen. Deze zijn de kantonrechter onbekend, zodat de kantonrechter geen concrete datum zal bepalen, maar, zoals gevorderd, de wettelijke rente zal toewijzen vanaf “datum verzuim”.

2.16.

De kantonrechter zal de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toewijzen, omdat de vordering voldoet aan de wettelijke maatstaven voor verschuldigdheid hiervan.

2.17.

[eiseres] zal, als in de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van Bauduin, worden veroordeeld in de proceskosten van Bauduin, die tot vandaag worden begroot op (2 punten x tarief € 250,- / 4 gedaagden =) € 125,- aan salaris gemachtigde

2.18.

Ginger c.s. zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] . Deze worden begroot op:

dagvaarding: € 90,17

griffierecht: € 223,00

salaris gemachtigde: € 625,00 (2,5 x tarief € 250,-)

totaal € 938,17

2.19.

De kantonrechter zal de proceskosten die aan [eiseres] moeten worden betaald, overeenkomstig haar vordering, vermeerderen met de wettelijke rente.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt Ginger c.s. hoofdelijk, in die zin dat wanneer een van hen betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen € 4.441,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.613,54 vanaf datum verzuim tot aan de dag van algehele betaling,

3.2.

veroordeelt Ginger c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van [eiseres] , tot vandaag begroot op € 938,17, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na vandaag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag tot de dag van algehele betaling,

3.3.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van Bauduin, tot vandaag begroot op € 125,-,

3.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD