Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1743

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
C/03/232096 / KG ZA 17-84
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil, openbare verkoop woning door hypotheekhouder.

Hypotheekhouder heeft in redelijkheid tot de uitoefening van het recht van parate executie kunnen komen. Er is al lange tijd sprake van een betalingsachterstand die ondanks toezeggingen door de hypotheekgever niet wordt ingelopen en alleen maar groter wordt. Verder heeft de hypotheekgever niet aannemelijk gemaakt dat het realistisch is dat de volledige achterstand en de veilingkosten binnen drie maanden kunnen worden voldaan. Hypotheekgever heeft de door hem verwachte inkomsten op korte termijn onvoldoende onderbouwd en hard gemaakt. Een onderhandse verkoop van de woning is nu geen reële optie meer. Hypotheekgever is niet ingegaan op eerdere voorstellen voor een volmacht onderhandse verkoop. De omstandigheden dat de woning is belast met een tweede hypotheek en een executoriaal beslag, en de aanmerkelijke kans dat de woning is verhuurd door hypotheekgever, werken belemmerend bij een onderhandse verkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

zaaknummer / rolnummer: C/03/232096 / KG ZA 17-84

Vonnis in kort geding van 20 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. P.T.H. Janssen,

tegen

De naamloze vennootschap VOLKSBANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.E.G. Murris en mr. M.R. Fidder.

Partijen zullen hierna [eiser] en Volksbank N.V. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de door Volksbank N.V. ingezonden producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Volksbank N.V.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft op de zitting van 20 februari 2017 een mondelinge uitspraak gedaan en de vordering van [eiser] afgewezen. In dit vonnis wordt de uitspraak nader gemotiveerd en uitspraak gedaan over de kosten.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft eind december 2005 een hypothecaire geldlening voor een bedrag van € 320.000,-- gesloten met de WestlandUtrecht Hypotheekbank. De (toen nog te bouwen) woning aan [de woning] (hierna “de woning”) is door [eiser] aan WestlandUtrecht Hypotheekbank in hypotheek gegeven. Op deze overeenkomst van hypothecaire geldlening zijn de algemene voorwaarden van 4 december 1991 (hierna Reglement) van toepassing verklaard.

2.2.

Volksbank N.V. is de rechtsopvolgster van de WestlandUtrecht Hypotheekbank. WestlandUtrecht Hypotheekbank en haar rechtsopvolgers zullen hierna allemaal worden aangeduid met Volksbank N.V.

2.3.

In verband met een op 14 mei 2012 gelegd beslag op de woning, heeft Volksbank N.V. bij brief van 17 oktober 2012 betaling opgeëist van de op dat moment bestaande achterstand van € 4.132,83, de administratiekosten ter hoogte van € 500,-- en de hoofdsom van € 320.000,--.

2.4.

Bij brief van 25 oktober 2013 heeft Volksbank N.V. de veiling van de woning aangekondigd.

2.5.

Bij brief van 17 december 2014 heeft de stichting Hulp 4 You (hierna de Stichting) namens [eiser] een betalingsvoorstel tegen finale kwijting gedaan. Dit betalingsvoorstel heeft Volksbank N.V. niet geaccepteerd.

2.6.

Het voorstel van de Stichting bij brief van 5 maart 2015, om gedurende twee jaar de achterstand volledig in te lossen, heeft Volksbank N.V. geaccepteerd.

2.7.

In verband met een oplopende achterstand in de betalingen en het niet nakomen door [eiser] van toezeggingen, heeft Volksbank N.V. in juli 2016 het traject van verkoop van de woning in gang gezet. Bij brief van 11 juli 2016 heeft zij [eiser] de mogelijkheid geboden om de woning via volmacht te verkopen.

2.8.

In augustus heeft Volksbank N.V. aan [eiser] gevraagd om medewerking te verlenen aan een taxatie van de woning. Omdat [eiser] niet aanwezig was bij de gemaakte afspraak, heeft de taxateur volstaan met een geveltaxatie.

2.9.

Bij brief van 26 oktober 2016 heeft Volksbank N.V. aan [eiser] bericht dat de achterstand in de betaling van de hypothecaire lening per die datum € 32.403,92 bedraagt en de totale schuld van € 352.403,92 opgeëist.

2.10.

Bij brief van 25 november 2016 heeft de notaris aan [eiser] medegedeeld dat hij van Volksbank N.V. opdracht heeft gekregen om de openbare verkoop van de woning in gang te zetten. Daarbij heeft de notaris verder laten weten dat de executieveiling is vastgesteld op 21 februari 2017.

2.11.

Bij exploot van de deurwaarder van 5 december 2016 heeft Volksbank N.V. de hiervoor bedoelde openbare verkoop van de woning aan [eiser] laten aanzeggen.

2.12.

Op 16 februari 2017 heeft [eiser] aan Volksbank N.V. het voorstel gedaan om ter voorkoming van de executieveiling de achterstand in de betaling van de hypothecaire lening en de veilingkosten binnen drie maanden te voldoen. Volksbank N.V. heeft dit voorstel niet geaccepteerd.

2.13.

Naast de 1e hypotheek van Volksbank N.V. is de woning nog belast met een 2e hypotheek ten name van ABN Amro Bank N.V. voor een bedrag van € 100.000,--, een 3e hypotheek ten name van B.M.H. Instruments (HK) Company Limited voor een bedrag van € 500.000,-- en een executoriaal beslag ten name van Enexis BV voor een bedrag van € 6.047,--.

2.14.

De achterstand bedraagt per 16 februari 2017 € 37.251,36. Volksbank N.V.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad bevel aan Volksbank N.V. om de executieveiling te staken en gestaakt te houden gedurende een termijn van ten minste drie maanden om [eiser] in de gelegenheid te stellen de achterstand in de hypotheekbetalingen in te lossen dan wel een hogere verkoopopbrengst te genereren, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,-- wanneer Volksbank N.V. met de voldoening aan het bevel in gebreke blijft, met veroordeling van Volksbank N.V. in de kosten van de procedure.

3.2.

Volksbank N.V. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de openbare veiling van de woning op 21 februari 2017 is een voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde gegeven.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een hypotheekhouder op grond van het bepaalde in artikel 3:268 lid 1 BW het recht van parate executie heeft en daarmee bevoegd is om het verbonden goed ten overstaan van een bevoegde notaris te verkopen, indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. In beginsel kan van een hypotheekhouder niet worden verlangd dat hij niet paraat executeert, terwijl van verzuim sprake is. Voor een verbod of schorsing van de executie door een hypotheekhouder kan evenwel plaats zijn indien de hypotheekhouder misbruik van bevoegdheid maakt door tot executie over te gaan. Daarvan kan sprake zijn indien de executant, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening (dan wel voortzetting) van de executie en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

4.3.

[eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat in zijn geval sprake is van de hiervoor bedoelde onevenredigheid in de belangen. In dat verband heeft [eiser] met name gewezen op de omstandigheid dat hij op korte termijn voldoende inkomsten zal ontvangen om de achterstand en de executiekosten binnen een termijn van drie maanden volledig te kunnen voldoen. Als bron van die inkomsten heeft hij zijn eigen bedrijf, salaris als financieel directeur bij Van Dutch Marine Holdings en een aanspraak op commissiegeld uit een investering in zonne-energie genoemd. [eiser] stelt ook belang te hebben bij het behoud van de woning als woonruimte omdat hij niet over de financiële middelen beschikt om een andere woning te kopen en niet op korte termijn over een huurwoning kan beschikken. Verder zal een executieveiling volgens [eiser] leiden tot een enorme restschuld omdat de executiewaarde van € 135.000,-- is gebaseerd op een geveltaxatie en de woning door renovatie in een betere staat verkeert dan te zien is op de voor de veiling gebruikte foto’s uit 2013/2014. Een executieverkoop is dus niet in het belang van een van partijen. Een onderhandse verkoop zal volgens [eiser] een veel hogere opbrengst voor de woning genereren zodat die weg de voorkeur verdient boven een exectutieverkoop.

4.4.

Volksbank N.V. heeft de door [eiser] gestelde disproportionaliteit gemotiveerd weersproken en haar belang bij uitvoering van de openbare verkoop toegelicht.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat Volksbank N.V. misbruik maakt van haar bevoegdheid. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.

4.6.

Vanaf 2012 heeft [eiser] voortdurend een achterstand in de betaling aan Volksbank N.V. gehad. De regelmatig door hem aan Volksbank N.V. gedane toezeggingen over het inlopen van de achterstand hebben wel geleid tot het niet doorzetten van een executietraject maar zijn niet dan wel in beperkte mate uitgevoerd. In ieder geval hebben die toezeggingen nooit geleid tot het volledig inlopen van de achterstand. De achterstand is sinds 2016 alleen maar verder opgelopen tot een bedrag van € 37.251,36 per 16 februari 2017 omdat ook lopende termijnen niet worden voldaan.

4.7.

Met Volksbank N.V. is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gestelde te verwachten inkomsten onvoldoende hard zijn en onvoldoende zijn onderbouwd. Aan de door [eiser] overgelegde “Heads of Agreement” van 26 januari 2017 kan niet worden ontleend dat [eiser] een salaris zal ontvangen van € 250.000,-- en een onkostenvergoeding van € 100.000,--. [eiser] is geen partij bij die overeenkomst. De overeenkomst is niet door alle partijen ondertekend en uit die overeenkomst volgt dat de deze vóór 15 februari 2017 moet worden ondertekend om effect te hebben. [eiser] heeft ter zitting weliswaar betoogd dat de overeenkomst deze week nog zal worden getekend, maar daarvan geen enkele onderbouwing gegeven.

4.8.

Volksbank N.V. heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de door [eiser] overgelegde financiële stukken van Nedfact ICF B.V. laten zien dat deze onderneming van [eiser] tot 2017 nog geen winst heeft gemaakt. Voor de stelling van [eiser] dat 2017 het keerpunt vormt in de winstgevendheid van de onderneming is geen verdere onderbouwing gegeven.

4.9.

Met Volksbank N.V. constateert de voorzieningenrechter dat [eiser] de door hem gestelde inkomsten uit de investering in zonne-energie in het geheel niet met stukken heeft onderbouwd. Ook deze inkomsten zijn niet aannemelijk gemaakt.

4.10.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat toezegging van [eiser] dat de achterstand en de veilingkosten binnen drie maanden kunnen worden voldaan, realistisch is. Volksbank N.V. heeft de door [eiser] gestelde betalingsmogelijkheden, mede gelet op haar belang bij het beperken van verdere achterstand en de kosten, de lange periode dat zij met executie heeft gewacht en de niet realistisch gebleken eerder gedane toezeggingen van [eiser] met betrekking tot het volledig inlopen van de achterstand, dan ook in redelijkheid als onvoldoende mogen aanmerken. Dit geldt temeer nu Volksbank N.V. onbetwist heeft gesteld dat zij niet beschikt over een ingevuld en onderbouwd inkomsten en uitgavenformulier, zodat niet duidelijk is welke andere verplichtingen [eiser] nog heeft.

4.11.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de door [eiser] voorgestelde onderhandse verkoop van de woning Volksbank N.V. in redelijkheid niet hoeven weerhouden van de openbare veiling van de woning. Volksbank N.V. heeft gemotiveerd gesteld dat onderhandse verkoop geen reële optie meer is. [eiser] is niet ingegaan op eerdere voorstellen van Volksbank N.V. om een volmacht voor onderhandse verkoop te verlenen. Verder heeft Volksbank N.V. ter zitting gemotiveerd betoogd dat nog twee hypotheken en een executoriaal beslag rusten op de woning en dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de woning wordt verhuurd, omdat een ander dan [eiser] op het adres staat ingeschreven. Deze omstandigheden zullen bij een onderhandse verkoop belemmerend werken, mede omdat het verhuurbeding bij onderhandse verkoop niet tegen huurders kan worden ingeroepen. Verder heeft Volksbank N.V. erop gewezen dat bij een openbare verkoop doorgaans een prijs wordt gerealiseerd ter grootte van 95% van de marktwaarde zodat een onderhandse verkoop niet of nauwelijks tot een hogere opbrengst zal leiden.

Het enkele gegeven dat een openbare verkoop van de woning een aanmerkelijke restschuld tot gevolg zal hebben, heeft in ieder geval niet tot gevolg dat Volksbank N.V. geen gebruik zou mogen maken van haar recht van parate executie.

4.12.

Het door [eiser] gestelde belang bij woonruimte heeft Volksbank N.V. naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet van openbare verkoop van de woning hoeven weerhouden. [eiser] had gezien de lange periode van achterstand al geruime tijd rekening moeten houden met de openbare verkoop van de woning. Verder volgt uit de stukken en hetgeen hiervoor over de huurder is overwogen, dat de woning nauwelijks door hemzelf wordt bewoond.

4.13.

De door [eiser] ter zitting aangehaalde jurisprudentie van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam d.d. 13 mei 2013, de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijsel van 30 januari 2015 en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 september 2015, ziet op omstandigheden die niet helemaal vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak en vormen daarom onvoldoende onderbouwing voor het gestelde misbruik van recht.

4.14.

Het voorgaande betekent dat geen, althans onvoldoende grond bestaat voor oordeel dat Volksbank N.V. misbruik maakt van haar bevoegdheid om de woning openbaar te veilen. De vordering tot het staken van de openbare verkoop wordt daarom afgewezen.

4.15.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Volksbank N.V. worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Volksbank N.V. tot op heden begroot op € 1.434,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2017.1

1 type: CB coll: