Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1672

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-02-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
04 5561763
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert betaling van een openstaande factuur. Gedaagde wenst de factuur te verrekenen met de achtergebleven spullen die in de schuur staan die hij van eiser huurde. Eiser stemt niet in met verrekening. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande factuur alsmede tot het ophalen van de achtergebleven spullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/123

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5561763 \ CV EXPL 16-11485

Vonnis van de kantonrechter van 22 februari 2017

in de zaak van:

[X] , h.o.d.n. ROZENKWEKERIJ [X],

wonend [adres X] ,

[woonplaats X] , Limburg,

eisende partij,

gemachtigde Flanderijn en Verlaek Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[Y] , h.o.d.n. [Y] ROZEN,

wonend [adres Y] ,

[woonplaats Y] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [X] en [Y] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- De dagvaarding

- De conclusie van antwoord

- De oproepingsbrief waarbij een comparitie van partijen is gelast

- De comparitie van partijen d.d. 23 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[X] exploiteert een rozenkwekerij. [Y] handelt in rozen.

2.2.

[Y] huurde van [X] een schuur op het erf van [X] .

2.3.

[Y] heeft bij [X] in december 2015 een bestelling gedaan van 19 verschillende rassen rozen. Op 23 december 2015 stuurt [X] een factuur ten bedrage van € 5.147,44.

2.4.

Van voornoemde factuur is € 2.000,00 door [Y] voldaan.

2.5.

Op 26 april 2016 heeft [Y] een deel van zijn spullen die in de schuur die hij van [X] huurde, opgehaald. De overige spullen, bestaande uit ferro’s, stellages en rozen, zijn daar achtergebleven. Het restant van de factuur van 23 december 2015 is onbetaald gebleven.

2.6.

Tussen partijen is nadien gecorrespondeerd over de factuur van 23 december 2015 alsmede de spullen die nog in de schuur van [X] stonden. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

3 Het geschil

3.1.

[X] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de veroordeling van [Y] tot:
I. betaling van de hoofdsom van € 3.147,44, althans een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen bedrag;

II. het ophalen van de achtergelaten goederen conform de opgegeven lijst in de stal van [X] , binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [Y] hier niet aan voldoet met een maximum van € 5.000,00, althans een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen bedrag;

III. betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 23 januari 2016, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening;

IV. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 632,37, althans een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen bedrag;

V. betaling van de proces- en nakosten.

3.2.

[Y] heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt vast dat [Y] de juistheid van de factuur van

23 december 2015 en het daarvan nog openstaande bedrag van € 3.147,44 niet heeft betwist.

4.2.

[Y] heeft echter een beroep gedaan op verrekening. Ter onderbouwing van dit beroep stelt [Y] dat hij op 26 april 2016 op zeer onvriendelijke wijze door [X] van het perceel is gestuurd en hem was daarbij te verstaan gegeven niet meer terug te komen. Toen [Y] later op die dag zijn bezittingen, waaronder de ferro’s (een ijzeren stellage waarin pallets opgeslagen kunnen worden) wilde ophalen, waren die ferro’s door [X] achter slot en grendel gezet. De overige spullen, waaronder stellages en rozenplanten heeft [Y] niet kunnen ophalen omdat [X] hem de toegang tot de schuur had ontzegd. [Y] heeft [X] voorgesteld dat hij die spullen mag houden. De waarde van die spullen dient dan ook verrekend te worden met het nog openstaande deel van de factuur van 23 december 2015, aldus [Y] .

4.3.

De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op verrekening op grond van het bepaalde in artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden gepasseerd. Gelet op de stellingen van [X] bij dagvaarding en zoals herhaald tijdens de comparitie van partijen, moet het ervoor worden gehouden dat [X] geen interesse heeft in de door [Y] achtergelaten spullen. Reeds om die reden kan het door [Y] gedane beroep niet slagen.

4.4.

Ten aanzien van de stellingen van [Y] dat hij zijn spullen wel wilde ophalen, maar hem dit door [X] – mede vanwege de wijze waarop [Y] eerder van het perceel zou zijn gestuurd – onmogelijk is gemaakt, overweegt de kantonrechter dat die stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Nog daargelaten of [X] zich mogelijk op een voor [Y] agressieve manier heeft uitgelaten op 26 april 2016, ontslaat dit [Y] niet van de op hem rustende verplichting om als voormalig huurder van de schuur het gehuurde bij oplevering te ontruimen. [Y] heeft hiertoe ook ná 26 april 2016 meermaals de gelegenheid toe gehad, zo blijkt uit de namens [X] overgelegde correspondentie. Desondanks heeft [Y] ervoor gekozen dit niet te doen, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. Er bestaat in ieder geval geen verplichting aan de zijde van [X] om, zoals [Y] dit voorstelt, de spullen door [X] te laten afleveren op het door [Y] gewenste adres. Daarbij overweegt de kantonrechter nog dat niet valt in te zien waarom [Y] zich, indien hij inderdaad angst had voor [X] , niet heeft laten bijstaan door een derde teneinde zijn spullen uit de schuur te verkrijgen. Dit geldt zeker ten aan zien van de achtergebleven rozen. Niet blijkt dat [Y] daags na 26 april 2016 heeft gereclameerd over die rozen en een deugdelijke verklaring waarom hij zulks niet heeft gedaan, heeft [Y] naar het oordeel van de kantonrechter niet gegeven.

4.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter voorbij gaat aan het verrekeningsverweer van [Y] . De vordering van [X] ter zake het betalen van het restant van de factuur van 23 december 2015 ligt derhalve voor toewijzing gereed.

4.6.

[Y] zal daarnaast veroordeeld worden om zijn spullen, zoals opgesomd in productie 14 bij dagvaarding en waarvan de juistheid niet is betwist, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis bij [X] op te halen. De kantonrechter zal, bij wijze van stok achter de deur, hieraan een dwangsom verbinden van € 100,00 per dag dat [Y] in gebreke blijft om na ommekomst van voornoemde termijn aan voormelde vordering te voldoen. Aan de verbeurde dwangsommen wordt een maximum van € 1.000,00 verbonden.

4.7.

De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente ligt als onvoldoende gemotiveerd weersproken voor toewijzing gereed.

4.8.

[Y] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [X] worden tot op heden begroot op:
- dagvaarding € 87,41
- griffierecht € 223,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2,0 punt x € 200,00 tarief)

Totaal € 710,41

4.9.

De nakosten zullen worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [Y] om aan [X] te betalen € 3.147,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2016 tot aan de dag der voldoening,

5.2.

veroordeelt [Y] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de goederen als bedoeld in de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde lijst in de stal van [X] op te halen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [Y] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 1.000,00,

5.3.

veroordeelt [Y] in de buitengerechtelijke incassokosten ad € 632,37,

5.4.

veroordeelt [Y] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 710,41, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

5.5.

veroordeelt [Y] tot slot, onder de voorwaarde dat hij niet binnen twee weken na aanschrijving door [X] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 100,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: SM

coll: