Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1658

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-02-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1576
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voldoet over de maand augustus 2015 niet aan de voorwaarden voor een WGA-loonaanvullingsduitkering als gevolg van het feit dat hij in die maand een vakantie heeft genoten waarover door zijn werkgever geen loon is betaald omdat in de desbetreffende branche destijds een afwijkend systeem van storting in en uitkering door een vakantiefonds werd gehanteerd. Het in die vorm betaalde loon wordt niet toegerekend aan de vakantieperiode(s) waarvoor het is bestemd. In vergelijking met werknemers in bedrijfstakken waarin een zodanig systeem niet bestaat, is er sprake van een door eiser niet te beïnvloeden nadelige uitkomst, die bovendien niet is te rijmen met de strekking van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA. Voor zover er al geen reden is om toepassing te geven aan de bevoegdheid van het zevende lid van artikel 4:1 van het AIB om het loon toe te rekenen aan de dag waarop het betrekking heeft, is dat naar het oordeel van de rechtbank in elk geval grond om te oordelen dat er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in de hardheidsclausule van het elfde lid van die bepaling. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. Herroeping bip, toekenning aan eiser over de maand augustus 2015 van een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1576

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder

(gemachtigde: mr. R.M.C. Vangangelt).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende],

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode mei 2015 tot en met 31 oktober 2015 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 6 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de hiervoor genoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt op grond van de Wet WIA een uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Daarnaast heeft eiser inkomen uit arbeid in loondienst. Nadat de uitkering als voorschot is uitbetaald over de periode 1 mei 2015 tot en met 31 oktober 2015, heeft verweerder bij het primaire besluit het recht op uitkering over die periode definitief vastgesteld. Over de maanden mei, juni, juli, september en oktober 2015 voldoet eiser aan de zogenoemde inkomenseis, waardoor hij recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Over de maand augustus 2015 voldoet eiser volgens verweerder echter niet aan de inkomenseis, waardoor hem over die maand een WGA-vervolguitkering wordt toegekend.

2. Eiser is het niet eens met het vastgestelde recht op uitkering over de maand augustus 2015. Volgens eiser had ook over die maand een WGA-loonaanvullingsuitkering moeten zijn toegekend. De reden waarom het inkomen over die maand lager was, heeft te maken met het feit dat eiser in die maand vakantie heeft genoten en hij over de vakantiedagen geen salaris heeft ontvangen. De werkgever reserveert namelijk per loonperiode een bepaald bedrag voor deze niet doorbetaalde vakantiedagen en de vakantietoeslag; het gereserveerde bedrag wordt jaarlijks in de maand mei aan eiser uitbetaald. Deze bijdrage aan het zogenaamde Vakantiefonds wordt periodiek bij het salaris geteld en over het totaalbedrag wordt loonheffing ingehouden. Nu de bijtelling Vakantiefonds door verweerder niet wordt toegerekend aan de periode waarover daadwerkelijk verlof is genoten, zoals in de maand augustus 2015, is het salaris over de betreffende periode lager en wordt niet aan de inkomenseis voldaan. Eiser voelt zich hierdoor benadeeld ten opzichte van werknemers die wel hun loon krijgen doorbetaald als ze vakantie hebben.

3 De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Ten tijde voor dit geding van belang (augustus 2015) was het volgende wettelijk kader van toepassing.

In artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover van belang, bepaald dat, indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken, de WGA-uitkering bestaat uit:

a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen inkomenseis geldt; of

b. een vervolguitkering.

In het vijfde lid van dat artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Deze algemene maatregel van bestuur is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

De hoofdstukken 3 en 4 van het AIB zijn van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in – voor zover hier van belang – de Wet WIA.

In artikel 3:2, eerste lid, aanhef en onder b, van het AIB is bepaald dat onder inkomen uit arbeid wordt verstaan het loon bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de loonbelasting 1964 (…).

Artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB, zoals dat van toepassing was ten tijde hier van belang, bepaalt dat het inkomen voor de toepassing van de WIA wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand.

Ingevolge het derde lid van dat artikel wordt bij de toepassing van het eerste lid het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.

Ingevolge het zevende lid kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak worden toegerekend aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.

In het elfde lid is bepaald dat indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat het UWV het inkomen op een andere wijze bepaalt.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser over de maand augustus 2015 een aanzienlijk lagere uitkering heeft ontvangen dan over de maanden daarvóór en daarna, nu hem over die maand een WGA-vervolguitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA is toegekend. Dat eiser (enkel) over die maand niet aan de voorwaarden voor een loonaanvullingsduitkering in de zin van genoemde bepaling voldoet is het gevolg van het feit dat hij in die maand een vakantie heeft genoten waarover door zijn werkgever geen loon is betaald omdat in de desbetreffende branche destijds een afwijkend systeem van storting in en uitkering door een vakantiefonds werd gehanteerd. In dat systeem werden voor de toepassing van het AIB de bijdragen aan het vakantiefonds tot het loon gerekend. Daarvan werd (kennelijk) door de werkgever opgave gedaan in de periodes waarin de desbetreffende bedragen werden gereserveerd, zodat dit loon ingevolge artikel 4:1, derde lid, van het AIB geacht wordt te zijn genoten in het desbetreffende aangiftetijdvak. Het in die vorm betaalde loon wordt derhalve niet toegerekend aan de vakantieperiode(s) waarvoor het is bestemd. Aan werknemers in bedrijfstakken waarin zodanig systeem niet bestaat, moet daarentegen tijdens vakanties loon worden doorbetaald en kan zich dus niet de situatie voordoen waarmee eiser is geconfronteerd. In vergelijking met die werknemers is er sprake van een door eiser niet te beïnvloeden nadelige uitkomst, die bovendien niet is te rijmen met de strekking van de inkomenseis als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA. Daarmee wordt immers beoogd de gedeeltelijk arbeidsongeschikte een positieve prikkel te geven om zijn resterende verdiencapaciteit te benutten. De door de gemachtigde van eiser gepresenteerde herberekening, waarbij de afgedragen bijdragen aan het vakantiefonds worden toegerekend aan de dagen waarop daadwerkelijk vakantie is genoten, laat zien dat het uitvoerbaar is om tot een toerekening van die bijdragen te komen die leidt tot een resultaat dat wel vergelijkbaar is met dat van gedeeltelijk arbeidsongeschikten die in andere bedrijfstakken werkzaam zijn. Uit de voorhanden gegevens blijkt niet dat die nadere toerekening in een geval als dat van eiser tot gevolg heeft dat over andere periodes dan die in geding een herberekening van het recht op WIA-uitkering dient plaats te vinden. Eiser voldoet (ook) dan (nog steeds) aan de inkomenseis. Ook van andere bezwarende consequenties van bedoelde nadere toerekening is de rechtbank niet gebleken. Voor zover het vorenstaande al geen reden vormt om toepassing te geven aan de bevoegdheid van het zevende lid van artikel 4:1 van het AIB om het loon toe te rekenen aan de dag waarop het betrekking heeft, is dat naar het oordeel van de rechtbank in elk geval grond om te oordelen dat er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in de hardheidsclausule van het elfde lid van die bepaling.

6. Namens verweerder is er ter zitting op gewezen dat in de Nota van Toelichting (Staatsblad 2010, 869) bij de bepaling een ander onderwerp als voorbeeld van een kennelijk onredelijk resultaat is genoemd, namelijk dat daaraan gedacht kan worden indien de uitkeringsgerechtigde tevens een inkomensafhankelijke buitenlandse uitkering ontvangt. Dat leidt echter niet tot een ander oordeel, nu in de tekst van de bepaling geen beperking is opgenomen wat betreft de situaties waarvoor de hardheidsclausule wel of niet bedoeld is. Ook in de door verweerder ter zitting ingeroepen uitspraak ECLI:NL:CRVB:2015:3993 ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. De Centrale Raad van Beroep heeft in die zaak geoordeeld dat de stelling van de appellant dat de toerekening in zijn geval onbillijk uitpakt, onvoldoende is om af te wijken van het uitgangspunt dat betalingen worden toegerekend aan de periode waarin zij zijn gedaan. In het voorliggende geval heeft eiser echter uitvoerig gemotiveerd waarom hij de uitkomst gezien de omstandigheden van zijn geval kennelijk onredelijk acht en kan de rechtbank zich daarin vinden.

7. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet vervolgens - mede om tot een definitieve beëindiging van het geschil te komen en gelet op het belang van eiser om duidelijkheid te verkrijgen in zijn zaak - aanleiding om zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierbij tekent de rechtbank aan dat zij beseft dat zowel de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:1, zevende lid, van het AIB als de hardheidsclausule van het elfde lid van die bepaling verweerder een discretionaire ruimte geven. Nu niet in geschil is dat een herberekening als door de gemachtigde gepresenteerd ertoe leidt dat eiser geacht moet worden over de maand augustus 2015 wel aan de inkomenseis te hebben voldaan, houdt de rechtbank het er echter voor dat zijn oordeel niet tot een andere uitkomst kan leiden dan dat aan eiser over de maand augustus 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering moet worden toegekend.

8. Op de voet van artikel 7:11, tweede lid, van de Awb herroept de rechtbank het primaire besluit, voor zover daarbij is beslist dat eiser over de maand augustus 2015 geen recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, maar op een WGA-vervolguitkering, en neemt daarvoor in de plaats een nieuw besluit, inhoudend dat aan eiser over de maand augustus 2015 een WGA-loonaanvullingsuitkering wordt toegekend. Het is aan verweerder om feitelijke uitvoering te geven aan die toekenning.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10 Ten aanzien van de proceskosten overweegt de rechtbank het volgende.

11. Een vergoeding van kosten van beroep kan op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarvan is volgens vaste rechtspraak sprake indien het verlenen van rechtsbijstand voor de rechtsbijstandverlener een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte, taakuitoefening. Incidenteel verleende rechtsbijstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. Noch uit de door de gemachtigde van eiser als bijlage bij het proceskostenformulier gevoegde factuur noch overigens blijkt dat in het onderhavige geval sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in vorenbedoelde zin. De door de gemachtigde in dat kader opgevoerde kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

12. Tevens is verzocht om vergoeding van de door eiser gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen de reiskosten op basis van het openbaar vervoer, tweede klasse, van eiser voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn begroot op € 10,02 (uitgaande van een (retour)reis per bus tussen Meijel en Roermond). De reiskosten van eisers gemachtigde, niet zijnde professioneel rechtsbijstandsverlener in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskostenbestuursrecht, komen niet tevens voor vergoeding in aanmerking (zie in dit verband de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 februari 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF3855).

13. Daarnaast heeft eiser verzocht om vergoeding van de verletkosten. Hij heeft verzocht 7,5 uur tijdsverzuim aan verletkosten te vergoeden. De rechtbank acht het opgegeven aantal uren verlet voor het bijwonen van de zitting redelijk, gelet op de uitleg dat hij na afloop van de zitting in de ochtend niet meer voor een halve dag werk kan worden ingepland door zijn werkgever. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt voor een partij of een belanghebbende in verband met gemaakte verletkosten een tarief vastgesteld dat afhankelijk van de omstandigheden ligt tussen € 7,- en € 80,- per uur. De rechtbank stelt de vergoeding daarom vast op het door eiser op het proceskostenformulier geduide tarief van € 10,25 per uur. Aan verletkosten komt dus een bedrag van € 76,88 voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, voor zover daarbij is beslist dat eiser over de maand augustus 2015 geen recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, maar op een WGA-vervolguitkering;

  • -

    kent aan eiser over de maand augustus 2015 een WGA‑loonaanvullingsuitkering toe;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 86,90.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.A.M. Bocken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

23 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 februari 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.