Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1518

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
5543650 AZ VERZ 16-236
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toekenning vergoeding wegens schending van de aanzegverplichting als bedoeld in art. 7:668 lid 3 BW en diverse overige (loongerelateerde) vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0202
AR 2017/973
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5543650 AZ VERZ 16-236

Beschikking van de kantonrechter van 20 februari 2017

MD

in de zaak van:

[verzoeker]

wonend te [woonplaats] [adres]

verzoekende partij

gemachtigde mr. E. Jacobson

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam] logistics transport b.v.

gevestigd en kantoor houdend te Hoensbroek

verwerende partij

vertegenwoordigd door haar directeur dhr. [naam directeur]

Partijen zullen hierna respectievelijk [verzoeker] en [verweerster] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een op 28 november 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- een brief van de gemachtigde van [verzoeker] dat op 17 januari 2017 ter griffie is ontvangen;

- een brief d.d. 17 januari 2017 die de griffier namens de kantonrechter aan [verweerster] (en in afschrift aan de gemachtigde van [verzoeker] ) heeft verzonden;

- de reactie per e-mailbericht van [verweerster] d.d. 19 januari 2017 onder overlegging van een ‘incorrecte concept loonstrook’ op grond waarvan op 13 december 2016 € 3.122,22 netto door [verweerster] aan [verzoeker] is uitbetaald en een ‘correcte definitieve loonstrook’ ten bedrage van € 2.587,73 netto;

- een e-mailbericht met bijlagen d.d. 24 januari 2017 van [verweerster] ;

- de mondelinge behandeling d.d. 24 januari 2017 en de tijdens die zitting door de griffier gekopieerde schriftelijke aantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] waarbij hij zijn verzoeken deels heeft verminderd en deels heeft vermeerderd en aan de hand van die aantekeningen nader heeft gespecificeerd;

- de brief van de gemachtigde van [verzoeker] d.d. 3 februari 2017 waarin hij heeft bericht dat er geen minnelijke regeling tot stand is gekomen en daarnaast nog kort de actuele vorderingen van [verzoeker] op [verweerster] heeft weergegeven.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2. De feiten

2.1.

[verzoeker] , geboren op 18 december 1962, is met ingang van 4 april 2016 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – namelijk voor de duur van zes maanden – bij [verweerster] in dienst getreden als ‘chauffeur D-2’ tegen een loon van laatstelijk € 1.978,40 bruto per vier weken, exclusief acht procent vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing.

2.2.

Op 30 september 2016 heeft [verzoeker] het volgende faxbericht aan [verweerster] gestuurd:

“Ende des Arbeitsverhältnisses

Sehr geehrter Herr [verweerster] ,

Der mit Ihnen geschlossene Arbeitsvertrag endet am 03.10.2016. An einer Fortführung des Arbeitsverhältnisses im Oktober 2016 habe ich kein Interesse mehr.

Ich wünsch Ihnen und Ihrer Familie für die Zukunft alles Gute.

Mit freundlichen Grüßen,

[handtekening [verzoeker] ]

[verzoeker] ”.

2.3.

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is van rechtswege op 3 oktober 2016 geëindigd.

2.4.

Op 13 december 2016 heeft [verweerster] een bedrag van € 3.122,22 netto aan [verzoeker] voldaan.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzocht – blijkens zijn verzoekschrift, de ter zitting door de griffier gekopieerde aantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker] en de reactie van zijn gemachtigde d.d. 3 februari 2017 – aanvankelijk om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van:

I. een vergoeding ten bedrage van € 2.143,27 bruto wegens schending van de aanzegverplichting als bedoeld in art. 7:668 lid 3 BW;

II. een bedrag van € 1.582,72 bruto inzake achterstallig loon over 12 september 2016 tot en met 3 oktober 2016;

III. een bedrag van € 684,37 bruto (€ 526,65 bruto plus € 157,72 bruto) inzake niet uitbetaalde vergoeding van overwerk;

IV. een bedrag van € 1.036,68 bruto inzake niet uitbetaalde vakantiebijslag;

V. een bedrag van € 199,82 bruto als vergoeding van niet genoten vakantiedagen;

VI. de maximale wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor onder I. tot en met V. genoemde bedragen;

VII. de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2016 tot de datum van volledige voldoening over de hiervoor onder I. tot en VI. genoemde bedragen;

VIII. een (on)kostenvergoeding ten bedrage van € 644,72 netto;

IX. de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 634,09 netto;

X. (vergoeding van) de proceskosten.

3.2.

Rekening houdend met de in rechtsoverweging 2.4. weergegeven betaling ten bedrage van € 3.122,22 netto, maakt [verzoeker] blijkens de reactie van zijn gemachtigde d.d.
3 februari 2017 thans nog aanspraak op € 4.520,57 bruto en € 634,09 netto, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

3.3.

De grondslagen van de vorderingen van [verzoeker] vloeien reeds voort uit de hiervoor weergegeven omschrijvingen.

3.4.

Voor zover [verweerster] verweer heeft gevoerd, wordt daarop hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Alhoewel de gemachtigde [verzoeker] zulks bij zijn bericht van 3 februari 2017 heeft bepleit, volgt uit de loonspecificaties van [verweerster] niet dat de betalingen van in totaal € 3.122,22 netto moeten worden toegerekend op de wijze zoals de gemachtigde van [verzoeker] in zijn bericht van 3 februari 2017 heeft gedaan. Hierna zal de kantonrechter achtereenvolgens beoordelen op welke posten [verzoeker] nog recht heeft, waarbij als laatste zal worden ingegaan op de vraag hoe de betaling van € 3.122,22 netto daarop in mindering dient te strekken.

Schending aanzegverplichting

4.2.

Vooropgesteld wordt dat [verzoeker] zijn verzoek tijdig ingediend heeft, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van
art. 7:668 lid 1 BW is ontstaan.

4.3.

Ingevolge art. 7:668 lid 1 onderdeel a BW moet de werkgever de werknemer schriftelijk uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Niet in geschil is dat [verweerster] deze aanzegverplichting niet is nagekomen. De directeur van [verweerster] heeft ter zitting ook toegegeven ‘fouten te hebben gemaakt’. Voor zover [verweerster] heeft willen betogen dat door het faxbericht van [verzoeker] op 30 september 2016 (hiervoor onder rechtsoverweging 2.2. weergegeven) die aanzegging overbodig was omdat [verzoeker] zelf geen verlenging van de arbeidsovereenkomst wenste, terwijl hij er voordien blijk van had gegeven wel nog voor [verweerster] te willen blijven werken, faalt dit betoog. Het is immers aan de werkgever om tijdig – dat wil zeggen uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst die zes maanden of langer heeft geduurd – zekerheid te bieden over al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerster] heeft ook niet aan [verzoeker] aangezegd dat de arbeidsovereenkomst wél zou worden voortgezet. Daarbij komt dat [verzoeker] ter zitting heeft gesteld dat hij met zijn faxbericht alleen maar het einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 3 oktober 2016 heeft willen bevestigen en dat hij niet tegen een eerdere datum dan 3 oktober 2016 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd.

4.4.

Uit art. 7:668 lid 3 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand, indien de werkgever de aanzegverplichting in het geheel niet nagekomen is. Nu onweersproken is dat het brutoloon van [verzoeker] per vier weken na omrekening € 2.143,27 bruto per maand bedraagt, is deze vergoeding op hierna te bepalen wijze toewijsbaar.

Overige vorderingen

4.5.

[verzoeker] maakt daarnaast onder meer aanspraak op:

a. a) een bedrag van € 1.582,72 bruto inzake achterstallig loon over 12 september 2016 tot en met 3 oktober 2016;

b) een bedrag van € 684,37 bruto (€ 526,65 bruto plus € 157,72 bruto) inzake niet uitbetaalde vergoeding van overwerk;

c) een bedrag van € 1.036,68 bruto inzake niet uitbetaalde vakantiebijslag;

d) een bedrag van € 199,82 bruto als vergoeding van niet genoten vakantiedagen.

4.6.

[verweerster] heeft de verschuldigdheid van de bedragen onder a), b) en c) niet weersproken, zodat deze bedragen op hierna te bepalen wijze worden toegewezen. Voor zover [verweerster] aan de hand van de volgens haar correcte loonspecificatie heeft willen bepleiten dat bij einde dienstverband nog slechts 2,01 vakantiedagen (en niet 12,01 dagen) openstonden, geldt dat dit pleidooi slaagt. Ter zitting heeft haar directeur namelijk onweersproken gesteld dat [verzoeker] gedurende laatste twee weken van de arbeidsovereenkomst nog tien dagen verlof heeft genoten, zodat nog maar 2,01 vakantiedagen resteerden die moesten worden uitbetaald. Daarom moet van 2,01 openstaande vakantiedagen bij einde dienstverband worden uitgegaan. Dit brengt mee dat een bedrag van € 199,82 als vergoeding van niet genoten vakantiedagen toewijsbaar is.

(On)kostenvergoeding

4.7.

De verschuldigdheid van deze (on)kostenvergoeding ten bedrage van € 644,72 netto is niet door [verweerster] betwist en zal derhalve op hierna te bepalen wijze worden toegewezen.

Wettelijke verhoging

4.8.

De wettelijke verhoging is volgens art. 7:625 BW verschuldigd indien de vertraagde voldoening van het loon aan de werkgever is toe te rekenen. Daarvan is in dit geval sprake, nu [verweerster] geen enkele omstandigheid heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

4.9.

De volgende vraag is over welke vorderingen die wettelijke verhoging verschuldigd is. [verzoeker] maakt geen aanspraak op wettelijke verhoging over de (netto) (on)kostenvergoeding. Dat de wettelijke verhoging verschuldigd is over het achterstallige loon ten bedrage van € 1.582,72 bruto, is evident. Datzelfde geldt voor de wettelijke verhoging over de niet uitbetaalde vergoeding van overwerk ten bedrage van € 684,37 bruto. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de wettelijke verhoging ook toewijsbaar over vakantiebijslag (ten bedrage van € 1.036,68) en over de vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen (ten bedrage van € 199,82). [verzoeker] maakt echter ook aanspraak op de wettelijke verhoging over de vergoeding wegens de schending van de aanzegverplichting, waarvan hiervoor is geoordeeld dat die vergoeding toewijsbaar is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden ingezien waarom over deze vergoeding (gelijk aan het bedrag van het loon voor een maand maar niet zonder meer als loon, want als tegenprestatie voor arbeid, aan te merken) wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging over de vergoeding wegens schending van de aanzegverplichting is mitsdien niet toewijsbaar.

4.10.

[verweerster] heeft niet op matiging van de wettelijke verhoging aangedrongen, laat staan op voldoende gemotiveerde wijze. De kantonrechter kan evenwel ook ambtshalve tot matiging van die wettelijke verhoging overgaan. Aangezien [verweerster] ter zitting desgevraagd geen reden voor de te late (loon)betalingen heeft gegeven en pas na herhaalde sommaties van de gemachtigde van [verzoeker] op 13 december 2016 een (deel-)betaling heeft verricht, is de maximale wettelijke verhoging van 50% toewijsbaar. Een optelsom van de in rechtsoverweging 4.5. genoemde bedragen levert een bedrag op van afgerond € 1.751,80 bruto (0,5 x € 3.503,59 bruto) aan toewijsbare maximale wettelijke verhoging.

Wettelijke rente

4.11.

De wettelijke rente wordt verschuldigd door het enkele betalingsverzuim [verweerster] en zal op hierna te bepalen wijze worden toegewezen. Onder de conclusie zal daarop nog nader worden ingegaan. Daarbij wordt nog opgemerkt dat cumulatie van wettelijke verhoging en wettelijke rente mogelijk is (aldus de Hoge Raad op 5 januari 1979, NJ 1979/207).

Buitengerechtelijke kosten

4.12.

[verzoeker] geeft geen of onvoldoende feitelijke onderbouwing aan zijn bewering dat hij voor vergoeding in aanmerking komende (en niet onder de te liquideren proceskosten te scharen) kosten ter incasso (voor verkrijging van voldoening buiten rechte) in de zin van art. 6:96 lid 2 aanhef en sub c BW heeft gemaakt. De drie overgelegde ‘sommaties’ zijn daarvoor zonder nadere toelichting een onvoldoende onderbouwing. De buitengerechtelijke kosten worden mitsdien geheel afgewezen. Dat [verweerster] deze kosten niet heeft weersproken, maakt dat niet anders.

Conclusie

4.13.

Voorgaande overwegingen leiden tot de navolgende optelsom:

- € 2.143,27 bruto inzake schending aanzegverplichting;

- € 1.582,72 bruto inzake achterstallig loon over 12 september tot en met 3 oktober 2016;

- € 684,37 bruto (€ 526,65 plus € 157,72) inzake niet uitbetaalde vergoeding overwerk;

- € 1.036,68 bruto inzake niet uitbetaalde vakantiebijslag;

- € 199,82 bruto als vergoeding van niet genoten vakantiedagen;

- € 1.751,80 bruto inzake maximale wettelijke verhoging

€ 7.398,66 bruto.

4.14.

Zoals hiervoor reeds meermaals is aangehaald, is op 13 december 2016 een bedrag van in totaal € 3.122,22 netto door [verweerster] aan [verzoeker] voldaan.

4.15.

Hierna zal [verweerster] worden veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van het netto- equivalent van € 7.369,66 bruto minus € 3.122,22 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente over het netto-equivalent van € 7.369,66 bruto vanaf 6 november 2016 (zijnde de negende dag na 28 oktober 2016, de datum waarop het verzuim is ingetreden) tot
13 december 2016 en over het netto-equivalent van € 7.369,66 bruto minus € 3.122,22 netto vanaf 13 december 2016 tot de datum van volledige voldoening.

4.16.

Daarnaast zal [verweerster] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 644,72 netto inzake onbetaald gelaten (on)kostenvergoeding. De wettelijke rente daarover is toewijsbaar vanaf 6 november 2016 tot de datum van volledige voldoening.

Proceskosten

4.17.

[verweerster] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te worden verwezen. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden tot op heden begroot op € 479,00 (zijnde € 79,00 aan griffierecht plus € 400,00 aan salaris gemachtigde).

5 De beslissing

De kantonrechter komt aldus tot het navolgende oordeel:

5.1.

[verweerster] wordt veroordeeld om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting het netto-equivalent van € 7.369,66 bruto minus € 3.122,22 netto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het netto-equivalent van € 7.369,66 bruto vanaf 6 november 2016 tot 13 december 2016 en over het netto-equivalent van € 7.369,66 bruto minus € 3.122,22 netto

vanaf 13 december 2016 tot de datum van volledige voldoening.

5.2.

[verweerster] wordt veroordeeld om aan [verzoeker] tegen bewijs van kwijting het bedrag van € 644,72 netto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

6 november 2016 tot de datum van volledige voldoening.

5.3.

[verweerster] wordt verder veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot de datum van deze beschikking bepaald op een bedrag van € 479,00.

5.4.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

5.5.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.