Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1304

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
08-03-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1044u
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Ernstig plichtsverzuim. Eiser was werkzaam bij de politie. Hij registreerde ten onrechte gewerkte uren als zijnde weekenddiensten. Hiervoor ontving hij onregelmatigheidstoeslag. Deze onterecht geregistreerde uren werkten door in zijn onregelmatigheidstoeslag. Eiser heeft financieel voordeel gehad door zijn handelwijze. Het strafontslag is niet onevenredig. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 16/1044

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.J.W.M. Vonken),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten).

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser strafontslag verleend op grond van ernstig plichtsverzuim.

Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [B.] . Op verzoek van eiser is ter zitting als getuige verschenen en gehoord [R.] .

Overwegingen

1. Eiser was sinds 1 september 1976 in dienst bij de politie, laatstelijk werkzaam bij de recherche van de eenheid Limburg, district Parkstad, plaats van tewerkstelling (formeel) in Kerkrade. Vanaf 21 februari 2013 tot en met augustus 2014 was eiser feitelijk werkzaam als dossiervormer bij de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland (BRZN). De werkzaamheden dienden te worden verricht vanuit het politiebureau te Born. De in verband hiermee te maken reizen werden aangemerkt als dienstreizen en de (meertijd van) reisuren als diensttijd. Voor het woon-werkverkeer werd een dienstauto ter beschikking gesteld.

2. Per 15 augustus 2014 is eiser in aanmerking gebracht voor de seniorenregeling. Als gevolg van deze regeling kreeg eiser een garantiebedrag van € 190,79 maandelijks bij zijn salaris uitgekeerd.

Als grondslag voor dit bedrag werd gehanteerd de gemiddelde onregelmatigheidstoelage in het jaar voorafgaand aan het bereiken van de 55-jarige leeftijd. Eiser heeft aan [V.] , zijn leidinggevende in Kerkrade, en vervolgens aan [B.] , zijn leidinggevende bij de BRZN, gevraagd of hij in de weekenden mocht werken om zoveel mogelijk onregelmatigheid op te bouwen in verband met de seniorenregeling. Voor deze weekenddiensten geldt namelijk een toeslag per uur. [B.] verleende eiser toestemming dat hij om de week een weekenddienst mocht verrichten, ook omdat eiser dan in de weekenden in alle rust zijn werkzaamheden als dossiervormer kon verrichten.

3. De aanleiding om een onderzoek te starten naar de registratie van de diensttijd van eiser was een melding van [S.] , inspecteur van politie, als projectleider werkzaam bij het BRZN cluster te Born. [S.] constateerde dat eiser veel vakantie- en meeruren op het jaarwerkplan had staan. [S.] en [B.] konden deze meeruren niet verklaren, omdat eiser een normaal arbeidspatroon liet zien en gewoon verlof opnam. De overzichtslijst 2014 liet zien dat de verantwoording van de BVCM diensten niet strookte met de gemaakte afspraken met eiser. BVCM is het registratiesysteem waarin elke politieagent zijn daadwerkelijk gewerkte diensturen dient te verantwoorden. Achteraf vindt fiattering plaats door de leidinggevende. Eiser viel formeel nog onder Kerkrade en fiattering van de verantwoorde diensten in BVCM vond plaats door zijn leidinggevende in Kerkrade, terwijl de planning plaatsvond vanuit BRZN in Born. Na de constateringen van [S.] en [B.] is opdracht gegeven aan het bureau Veiligheid Integriteit & Klachten van de Eenheid Limburg voor het instellen van een oriënterend disciplinair onderzoek. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder op 17 april 2015 het voornemen heeft uitgebracht tot strafontslag. Tevens is eiser geschorst. Eiser is in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen en heeft van deze mogelijkheid op 4 mei 2015 gebruik gemaakt.

4. De zienswijze van eiser heeft geen verandering gebracht in het voornemen van verweerder. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser strafontslag verleend. Uit het primaire besluit volgt dat verweerder de volgende gedragingen van eiser – ieder afzonderlijk en temeer in onderlinge samenhang bezien – aanmerkt als ernstig plichtsverzuim. Het gaat om gedragingen in de periode van 27 oktober 2013 tot en met 17 augustus 2014. De vergoeding woon-werkverkeer heeft betrekking op een langere periode.

  • -

    Eiser heeft een aanzienlijk aantal uren als gewerkt verantwoord, die hij niet daadwerkelijk heeft gewerkt.

  • -

    Eiser heeft een aanzienlijk aantal uren verantwoord als gewerkt op zaterdagen, zondagen of feestdagen, waarop een extra inconveniëntenvergoeding van toepassing is. In plaats daarvan werkte eiser op doordeweekse dagen waarop geen extra inconveniëntenvergoeding van toepassing is.

  • -

    Eiser heeft geen melding gemaakt dat hij sinds februari 2013 gebruik maakte van een dienstauto voor woon- en werkverkeer, waardoor zijn vaste vergoeding woon-werkverkeer ten onrechte niet is beëindigd.

  • -

    Eiser heeft een aanzienlijk groter aantal weekenden als gewerkt verantwoord, dan hem op basis van de gemaakte afspraken was toegestaan.

Door deze handelwijze heeft eiser de dienst in aanzienlijke mate benadeeld. Het door eiser vertoonde gedrag acht verweerder voor een ambtenaar van de politie volstrekt onaanvaardbaar. Aan de integriteit en betrouwbaarheid van een politiefunctionaris worden zeer hoge eisen gesteld. Dat eiser een grote vrijheid genoot bij de uitvoering van zijn werkzaamheden betekent juist dat mag worden verwacht dat hij op een verantwoordelijke wijze met zijn vrijheid omgaat. Er is sprake van doorgaand gedrag, nu het gaat om een periode van ongeveer anderhalf jaar.

Tevens neemt verweerder in aanmerking dat twee leidinggevenden hem in een eerder stadium hebben aangesproken op de verplichting de dienstenmap bij BRZN op een nauwgezette manier in te vullen, welke waarschuwing eiser kennelijk in de wind heeft geslagen. Volgens verweerder is de enige gerechtvaardigde straf de zwaarste strafmaatregel. Met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) legt verweerder de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag op.

5. Eiser heeft een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 24 augustus 2015 (AWB/ROE 15/2398) afgewezen.

6. In bezwaar is verweerder geadviseerd door de bezwaaradviescommissie HRM (de commissie). Verweerder heeft het advies van de commissie in het bestreden besluit volledig overgenomen. Volgens de commissie blijkt dat eiser door zijn handelwijze het korps heeft benadeeld. Eiser had het behalen van financieel voordeel doelbewust voor ogen. Ook het niet melden van het ter beschikking stellen van een dienstauto heeft ertoe geleid dat eiser het korps heeft benadeeld, vanwege de ten onrechte ontvangen vergoeding voor het woon-werkverkeer.

7. Eiser voert in beroep aan dat het aantal uren, waarvan verweerder uitgaat, niet klopt. Weliswaar probeerde eiser zoveel mogelijk in het weekend te werken om in aanmerking te komen voor een zo hoog mogelijke seniorenvergoeding, maar hierover had eiser ook afspraken gemaakt met zijn leidinggevende. Als eiser de onderzoeksgegevens narekent, dan zou hij 59,5 uur te weinig hebben gewerkt (verweerder gaat uit van 73 uur) en 27 uur niet (verweerder gaat uit van 63 uur). Eiser heeft echter alle verantwoorde uren gewerkt en per saldo zelfs nog meer. Eiser werkte veel thuis en hij heeft de dienst op geen enkele wijze benadeeld. Uit de dienstenmap blijkt dat eiser meer weekenden werkte dan afgesproken, maar hierop is hij niet aangesproken. Op 26 april 2014 heeft eiser zijn werkwijze expliciet besproken met [S.] , die daarvan geen probleem maakte, aldus eiser. Als al een disciplinaire sanctie op zijn plaats is, dan had verweerder voor een andere, minder verstrekkende maatregel moeten kiezen. Zeker in het geval van eiser, gelet op zijn zeer lange, keurige staat van dienst, en nu het vanwege zijn leeftijd en eenzijdige werkervaring zeer lastig zal zijn om ander werk te vinden, had verweerder moeten volstaan met een minder vergaande maatregel. Gedurende het onderzoek heeft verweerder geen aanleiding gezien voor een schorsing of andere maatregel en dat maakt eens te meer dat het strafontslag buitenproportioneel is.

8. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

In artikel 77, eerste lid, van het Barp is een opsomming gegeven van de straffen die kunnen worden opgelegd. Een van de mogelijke straffen is ontslag (onderdeel j).

9. In de eerste plaats dient te worden beoordeeld welke feiten eiser heeft gepleegd en of deze feiten zijn te kwalificeren als plichtsverzuim. Bij de beoordeling of verweerder aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep van belang, dat in het ambtenarentuchtrecht niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997). Voor de constatering van plichtsverzuim is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een deugdelijk onderzoek heeft verricht naar de gedragingen van eiser. Verweerder heeft getuigen gehoord, een vergelijking gemaakt tussen de alarmregistraties en de urenverantwoording BVCM, gekeken naar de momenten waarop eiser inlogde op het politienetwerk, de telefoongegevens en de gegevens van de toegangspas vergeleken met de verantwoorde diensten en de dienstenmap van BRZN bekeken. De rechtbank stelt vast dat deze onderzoeksresultaten per dag zijn beschreven en de rechtbank is van oordeel dat dit een inzichtelijk document oplevert. Binnen de mogelijkheden die verweerder achteraf had, is alles in het werk gesteld om een zo volledig mogelijk overzicht te geven.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de overtuiging is verkregen dat eiser de hem verweten gedragingen heeft begaan. Eiser heeft toegegeven dat hij niet alle diensten overeenkomstig de werkelijk gemaakte diensten heeft geregistreerd in BVCM. Eiser heeft in een verhoor verklaard dat hij binnen de mogelijkheden van het team zoveel mogelijk weekenden heeft gewerkt, dat hij gewoon heeft geprobeerd om zoveel mogelijk onregelmatigheid te krijgen en dat hij nooit de intentie heeft gehad om de dienst te benadelen. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat hij door deze handelwijze de dienst niet heeft benadeeld. Door zijn manier van verantwoorden (in de weekenden), ontving hij immers een hogere onregelmatigheidstoeslag per uur, die tevens doorwerkte in zijn seniorenvergoeding. Het was juist de opzet van eiser om zoveel mogelijk onregelmatigheid te verkrijgen. Eisers stelling, zoals hij deze ook tijdens de behandeling ter zitting naar voren heeft gebracht, dat hij feitelijk nog meer uren werkte dan hij verantwoordde en dat als hij overeenkomstig de werkelijkheid had verantwoord, de dienst financieel slechter uit zou zijn dan nu het geval is, acht de rechtbank in de eerste plaats onvoldoende onderbouwd. In de tweede plaats doet dit niet af aan de onjuiste registratie in BVCM. Het had eiser volstrekt duidelijk moeten zijn dat hij enkel om het weekend mocht werken, ook omdat hij dan in alle rust aan zijn dossier kon werken. Dat was – door eiser onbetwist – de afspraak met [B.] en [V.] .

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in voldoende mate aangetoond dat eiser meer uren als gewerkt heeft verantwoord dan hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Het moet eiser worden toegegeven dat als op een dag, die is verantwoord als dienst, geen gebruik is gemaakt van de toegangspas of is ingelogd op het politienetwerk, dit niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat eiser niet heeft gewerkt. Ook als eisers berekening over het aantal uren wordt gevolgd, is nog steeds sprake van een substantieel aantal onterecht geregistreerde uren. Eisers stelling dat hij al deze uren thuis heeft gewerkt, volgt de rechtbank niet. Het staat vast dat verweerder in voorkomende gevallen thuiswerkplekken faciliteert. Het staat eveneens vast dat eiser geen thuiswerkplek had en evenmin toestemming had gekregen om thuis te werken. Het uitgangspunt, zoals [B.] dat heeft verwoord, dat thuiswerken vanwege het afbreukrisico en de privacy niet is toegestaan, heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt. Eisers stelling dat het hem expliciet had moeten worden verboden om thuis te werken, volgt de rechtbank niet, mede vanwege de mogelijkheid om een thuiswerkplek aan te vragen.

Als eiser graag thuis wilde werken, valt niet in te zien waarom hij geen thuiswerkplek aanvroeg. Desgevraagd tijdens de behandeling ter zitting kon eiser op deze vraag geen antwoord geven. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser de grote hoeveelheid uren die hij ter compensatie thuis had moeten werken, ook daadwerkelijk thuis heeft gewerkt. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij wel degelijk thuis heeft gewerkt, heeft eiser verklaringen van zijn zoon en van een collega ( [naam] ) overgelegd. Als al moet worden uitgegaan van de juistheid van deze verklaringen, dan volgt hieruit dát eiser ordners met dossierstukken mee naar huis nam en dat hij thuis vaker aan het lezen was, maar hieruit volgt niet hoeveel uren hij werkte. Reeds hierom zijn deze verklaringen onvoldoende. Daar komt bij dat [S.] , met wie eiser een kamer deelde, niet heeft gemerkt dat eiser ordners mee naar huis nam. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog.

13. In beroep heeft eiser getuigenverklaringen overgelegd, die politieagenten hebben afgelegd bij de rechter-commissaris in de strafzaak, gericht tegen eiser. Naar aanleiding van deze verklaringen zou de conclusie kunnen worden getrokken dat de registratie in BVCM vaker niet overeenkomstig de werkelijkheid is, om zo te verhullen dat sprake is van overtreding van de Arbeidstijdenwet. Wat hier ook van zij, de rechtbank acht dit niet van belang in de onderhavige zaak. De Arbeidstijdenwet speelt in de zaak van eiser immers geen enkele rol. Eiser heeft de (coulante) afspraak met zijn leidinggevenden kunnen maken dat hij om het weekend mocht werken. Juist vanwege het vertrouwen dat nodig is bij de uitvoering van een dergelijke afspraak – temeer omdat eiser de uren niet verantwoordde bij BRZN – mocht van eiser worden verwacht dat hij zich aan die afspraak hield en niet op eigen initiatief en zonder overleg diensten verschoof. Eisers stelling dat hij in de dienstenmap wel aangaf wat de werkelijk gewerkte diensten waren en dat zijn leidinggevenden hier eerder achter hadden kunnen komen, levert geen verontschuldiging op voor het geconstateerde plichtsverzuim. De dienstenmap werd gebruikt voor het plannen van diensten (vooraf) en er was geen aanleiding om deze map achteraf te bekijken. Daarbij komt dat eiser de dienstenmap niet altijd invulde. De stelling van eiser dat dit onnodig was, omdat sprake was van een vaste werkcyclus bevestigt juist dat de leidinggevenden het patroon van eiser niet konden vaststellen door raadpleging van de dienstenmap. Dat zijn formeel leidinggevende in Kerkrade de diensten accordeerde, zonder vragen te stellen, en eerder had kunnen en moeten ingrijpen, volgt de rechtbank niet. Eiser werkte immers feitelijk voor BRZN en het was in de praktijk niet mogelijk voor [V.] om de verantwoording echt inhoudelijk te controleren. De wijze van verantwoorden laat juist zien dat eiser een grote mate van vertrouwen genoot bij verweerder. Eiser heeft dit vertrouwen beschaamd.

14. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de ter zitting gehoorde getuige geen ander licht op de zaak heeft geworpen. Uit zijn verklaring volgt dat de getuige niet meer werkzaam is voor de politie en dat hij in het verleden als leidinggevende wel eens een verzoek heeft gehad om mee te werken aan het toestaan van het registreren van uren in het weekend in verband met de onregelmatigheidstoeslag, maar dat hij hieraan niet meewerkte. Hij weet “van horen zeggen” dat het misschien vier of vijf keer is gebeurd in alle jaren dat hij bij de politie werkte. Desgevraagd wilde de getuige geen concrete gevallen benoemen en wist hij niet te verklaren op welke momenten (in welk jaar) hij hierover heeft gehoord. De rechtbank heeft op zichzelf geen aanleiding om de verklaring van [R.] niet geloofwaardig te achten. De verklaring is echter dermate vaag, dat deze eiser niet kan baten. Ten aanzien van eiser is de verklaring bovendien niet relevant. Eiser had namelijk een afspraak met zijn leidinggevende en deze afspraak was voor beide partijen volstrekt helder. Eiser had geen toestemming om zijn diensten niet overeenkomstig de werkelijkheid te verantwoorden.

15. Het staat vast dat eiser een vaste vergoeding woon-werkverkeer ontving, terwijl hij hierop geen recht meer had vanwege de dienstauto die hem ter beschikking was gesteld. Strikt genomen kan dit worden aangemerkt als plichtsverzuim, omdat eiser had moeten melden dat hij deze vergoeding nog ontving. Aan de andere kant is het zeker niet uitgesloten dat het niet melden eerder een slordigheid van eiser is, dan bewuste opzet. Verweerder had ook eerder kunnen ingrijpen. Omdat deze gedraging naar het oordeel van de rechtbank niet het zwaartepunt is van het verwijt dat eiser kan worden gemaakt, gaat de rechtbank niet over tot een intensievere bespreking van dit onderdeel van de tenlastelegging.

16. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor besproken gedragingen ten aanzien van de onjuiste urenregistratie in BVCM, gelet op de aard en ernst, kunnen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Er is geen sprake van een eenmalige fout, maar van langdurig aangehouden gedrag. De onweersproken goede en langdurige staat van dienst van eiser betekent niet dat sprake is van een onevenredige maatregel. Juist nu eiser een grote mate van vertrouwen genoot bij de registratie van zijn uren en juist vanwege zijn lange dienstverband bij de politie had eiser zich moeten realiseren dat zijn handelen ten aanzien van de registratie plichtsverzuim opleverde. De omstandigheid dat het voor eiser zeer lastig is om een andere baan te vinden, gelet op zijn leeftijd en eenzijdige werkervaring, maakt het ontslag niet onevenredig. Dat verweerder gedurende het onderzoek geen maatregelen heeft genomen ten aanzien van eiser, betekent niet dat verweerder niet langer de maatregel van strafontslag kon nemen. Het onderzoek diende juist om de reikwijdte van het plichtsverzuim vast te stellen.

17. Ten slotte slaagt ook het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet. Hij stelt weliswaar dat in een geval waarbij eveneens sprake was van een onjuiste urenregistratie in BVCM, verweerder volstond met de inhouding van veertig verlofuren. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd uiteengezet dat de zaak in belangrijke opzichten verschilt van eisers zaak.

18. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), mr. E.P.J. Rutten en

mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 februari 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.