Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1303

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
5303763 cv 16-8137
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In rekening gebracht meerwerk voor installatiewerkzaamheden afgewezen. Niet alleen is niet komen vast te staan dat extra werkzaamheden op regiebasis zouden plaatsvinden, maar ook is niet gewaarschuwd voor hogere kosten ex artikel 7:755 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5303763 \ CV EXPL 16-8137

Vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INSTALLATIE- EN VERWARMINGSTECHNIEK [X] B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eisende partij,

gemachtigde mr. I. van Bekkum,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. A.F.Th.M. Heutink.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de comparitie van partijen op 12 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij heeft in opdracht en voor rekening van gedaagde partij diverse werkzaamheden verricht aan de levenspartner van gedaagde partij toebehorende woning aan het [adres woning] . De werkzaamheden betroffen onder meer het vervangen van de dakgoten en hemelwaterafvoer en het vervangen van dakbedekking van het balkon van de hiervoor genoemde woning. Ook heeft eisende partij diverse installatiewerkzaamheden verricht.

2.2.

Voor de werkzaamheden met betrekking tot de dakgoten en de hemelwaterafvoeren heeft eisende partij bij offerte van 16 december 2015, ref. 150864/15615, een bedrag van € 6.347,16 inclusief btw geoffreerd. Gedaagde partij is met die offerte akkoord gegaan.

2.3.

Met betrekking tot de installatiekosten heeft eisende partij een kostenraming ad € 5.598,71 afgegeven.

2.4.

Bij factuur van 28 januari 2016 is een bedrag van € 9.075,00 in rekening gebracht. Op deze factuur staat als omschrijving vermeld: 1e termijnfactuur installatiewerk. Deze factuur is betaald.

2.5.

Op 31 maart 2016 wordt een bedrag van € 7.458,03 in rekening gebracht. Als omschrijving staat vermeld: afrekeningen installatiewerkzaamheden.

2.6.

Bij factuur van 11 april 2016 is een bedrag van € 6.347,16 inclusief btw in rekening gebracht. Op die factuur wordt verwezen naar de offerte 150864/15615.

2.7.

Eveneens bij factuur van 11 april 2016 heeft eisende partij een bedrag van € 1.008,46 ter zake het vervangen van de dakbedekking aan gedaagde partij in rekening gebracht. Gedaagde partij heeft de betaling van die factuur opgeschort.

2.8.

Na dagvaarding heeft gedaagde partij nog een bedrag van € 5.112,56 aan eisende partij betaald. Eisende partij heeft ter comparitie haar vordering met dit bedrag verminderd.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat en na vermindering van eis – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 10.702,14, vermeerderd met rente en kosten.

Eisende partij vordert betaling van de openstaande facturen en stelt daartoe het volgende. Voor het meerwerk is door gedaagde partij opdracht gegeven en de extra werkzaamheden zijn telkens door de werknemers van eisende partij met gedaagde partij besproken. Gedaagde partij dient voor deze werkzaamheden te betalen. Ten aanzien van de opschorting van de factuur voor het vervangen van de dakbedekking is eisende partij van mening dat er te laat is geklaagd.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer. Het gefactureerde meerwerk, met uitzondering van het werk dat is overeengekomen en ook is betaald, is niet afgesproken en alle uitgevoerde werkzaamheden vallen onder de opdracht waarvoor de offerte en de raming is afgesproken. De werkzaamheden met betrekking tot het vervangen van de dakbedekking is ondeugdelijk uitgevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op het in rekening gebrachte meerwerk voor installatiewerkzaamheden. Geraamd is een bedrag van € 5.598,71, terwijl een bedrag van € 13.663,66 exclusief btw in rekening is gebracht. Eisende partij stelt daartoe het volgende. De heer [X] is voorafgaand aan het maken van de raming ter plaatse aanwezig geweest. Een dag voor de aanvang van de werkzaamheden is de heer [Y] van eisende partij aanwezig geweest en toen bleek dat er veel meer werkzaamheden nodig waren dan vooraf bekend was. Afgesproken is dat de extra werkzaamheden op regiebasis zouden plaatsvinden. Ook tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bleken er aanvullende werkzaamheden nodig, zoals onder meer het verhelpen van opgetreden lekkages, het verrichten van hak- en breekwerk, het in kaart brengen van het leidingwerk en aanleggen dan wel vastleggen van leidingwerk. De heer [Y] verklaart ter zitting dat hij dan wel de medewerkers van eisende partij niet gewaarschuwd hebben voor hogere kosten. Gedaagde partij is makelaar en er mag verondersteld worden dat hij op de hoogte is van extra kosten bij extra werkzaamheden.

4.2.

Gedaagde partij heeft daarentegen uitdrukkelijk betwist dat er opdracht is gegeven voor extra werkzaamheden, met uitzondering van de radiatoren in de hal en slaapkamer, de slaapkamer begane grond, de badkamer en het leveren van de fontein en monteren van de kraan. Ook is afgesproken dat er een zwaardere cv-ketel zou worden geïnstalleerd. De heer [X] heeft vooraf de woning geïnspecteerd en hij wist welke werkzaamheden nodig waren. Daarop is de offerte c.q. raming ook gebaseerd. De uitgevoerde werkzaamheden vallen allemaal onder de aanvankelijk gemaakte afspraken. Van meerwerk op regiebasis is geen sprake, aldus gedaagde partij.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 7:755 BW is een regeling over meerwerk opgenomen. De inhoud van dit artikel luidt als volgt:

In geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.

4.4.

Eisende partij beroept zich ter zake de extra werkzaamheden op de eerste plaats op de afspraak dat deze werkzaamheden op regiebasis zouden plaatsvinden. Gedaagde partij heeft dit betwist, en van een dergelijke afspraak is in deze procedure ook niet gebleken. In elk geval is deze afspraak niet vastgelegd. Eisende partij brengt weliswaar een schriftelijke verklaring van de heer [Y] in het geding, maar hier tegenover staat de betwisting van gedaagde partij. Aan deze stelling wordt daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing voorbijgegaan.

Verder staat vast dat niet is voldaan aan de inhoud van het hiervoor geciteerde wetsartikel. De heer [Y] heeft ter comparitie immers uitdrukkelijk verklaard dat gedaagde partij niet is gewaarschuwd voor prijsverhogingen. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat gedaagde partij de noodzaak tot kostenverhoging had moeten begrijpen. Het enkele feit dat gedaagde partij makelaar is, acht de kantonrechter in dat opzicht onvoldoende. Daarbij geldt ook nog dat eisende partij de werkzaamheden gedetailleerd heeft vastgelegd, zonder daarbij gedaagde partij enig inzicht daarin te verschaffen. Gedaagde partij heeft zich achteraf geconfronteerd gezien met een aanzienlijk hoger bedrag dan vooraf geoffreerd of geraamd, hetgeen onacceptabel is.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat de extra gefactureerde werkzaamheden worden afgewezen. Met uitzondering van de factuur d.d. april 2016 ad € 1.008,46 is een totaalbedrag van € 22.880,19 in rekening gebracht. Hierop is een bedrag van € 14.187,56 in mindering voldaan. Ter zitting heeft gedaagde partij verklaart dat hierin is begrepen het geoffreerde bedrag voor de dakgoten/afvoeren ad € 6.347,16, het geraamde bedrag van € 5.598,71 en het overeengekomen en akkoord bevonden meerwerk. Enkel het niet overeengekomen meerwerk is onbetaald gebleven. Dit is door eisende partij in onvoldoende mate weerlegd. Ten aanzien van bovengenoemde facturen is gedaagde partij dan ook niets meer aan eisende partij verschuldigd.

4.6.

Ten aanzien van de factuur van 11 april 2016 ad € 1.008,46 voert gedaagde partij aan de betaling te hebben opgeschort. Ter onderbouwing hiervan legt gedaagde partij een e-mail d.d. 31 mei 2016 over van “check mijn huis” waarin is verklaard dat de dakbedekking onvoldoende is gefixeerd waardoor er bobbels zijn ontstaan. Eisende partij stelt dat er te laat is geklaagd. Eerst in deze procedure is zij op de hoogte gesteld van het gestelde ondeugdelijke werk en zij verklaart zich bereid om alsnog tot herstel over te gaan, voor zover dit nodig mocht zijn.

De kantonrechter is met eisende partij van oordeel dat gedaagde partij te laat heeft geklaagd. Immers, ter zitting is gebleken dat eisende partij niet eerder dan in deze procedure (in de conclusie van antwoord d.d. 19 oktober 2016) van de klacht op de hoogte is gesteld. De e-mail van 31 mei 2016 van “check mijn huis” is niet aan eisende partij gezonden en evenmin is eisende partij op enige andere wijze gewezen op de gestelde tekortkoming. Gedaagde partij heeft derhalve niet binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 6:89 BW geklaagd. Het recht op opschorting en het recht om alsnog herstel te verlangen is hierdoor verloren gegaan.

Er is daarom sprake van een onterechte opschorting en het gevorderde bedrag van € 1.008,46 wordt toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente

4.7.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.

4.8.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen partij toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.9.

Hoewel de vordering van eisende partij grotendeels wordt afgewezen, zullen toch de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Gedaagde partij heeft immers pas na dagvaarding een substantieel deel van de vordering voldaan.

4.10.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.008,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van dat bedrag tot aan de voldoening,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: plg

coll: