Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12879

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
5760931 CV EXPL 17-1924
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2018:374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Draagplicht schulden na echtscheiding. Verknocht? Tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5760931 CV EXPL 17-1924

Vonnis van de kantonrechter van 26 juli 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.P.F. Rober,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J.G.M. Daemen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de rolbeschikking waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de brief van 30 mei 2017 van mr. Rober met bijlagen

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap goederen.

2.2.

Op 19 december 2012 is bij tussenbeschikking de echtscheiding, die op 5 maart 2012 was verzocht, tussen hen uitgesproken.

2.3.

Deze beschikking is op 17 januari 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Bij eindbeschikking van 23 oktober 2013 is vervolgens onder andere de verdeling van de gemeenschap bevolen ten overstaan van een notaris.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van € 3.850,-, vermeerderd met rente vanaf 29 juni 2016, € 25,- per maand en € 350,-.

3.2.

[eiseres] voert hiertoe het volgende aan. Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort een schuld aan de belasting in hoofdsom groot € 7.699,- (productie A), die door [eiseres] integraal is afgelost (productie C). [gedaagde] moet op grond van artikel 6:10 BW hiervan de helft, te weten € 3.850,-, vergoeden. Daarnaast hebben partijen nog een gemeenschappelijke schuld in verband met een PGB-uitkering die achteraf niet correct bleek. [eiseres] betaalt hierop € 25,- per maand af; [gedaagde] hoort dit te betalen. Hij moet ook de helft van het bedrag dat [eiseres] al heeft ingelost (€ 700,- / 2 = € 350,-) betalen. Volgens [eiseres] hebben partijen afgesproken dat [eiseres] de schuld van de belastingdienst voor haar rekening zou nemen en [gedaagde] de schuld aan het PGB-zorgkantoor, maar is die afspraak niet meer geldig omdat [gedaagde] zich hieraan niet heeft gehouden.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Notaris

4.1.

[gedaagde] heeft zijn primaire verweer, dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat partijen niet bij de notaris zijn geweest, ter comparitie ingetrokken. De kantonrechter zal hierop derhalve verder niet ingaan.

Afspraak ter zake schulden

4.2.

[gedaagde] heeft betwist dat de afspraak is gemaakt dat hij de ene en [eiseres] de andere schuld zou dragen.

4.3.

Gelet op de betwisting van [gedaagde] en het feit dat [eiseres] heeft aangegeven dat er geen getuigen van de afspraak zijn, kan deze niet in rechte worden vastgesteld. De afspraak blijkt in ieder geval niet uit het App-verkeer tussen partijen, zoals [eiseres] heeft aangevoerd. Dit betekent dat partijen door de belastingdienst en het PGB-zorgkantoor voor zover het gemeenschapsschulden betreft voor het geheel kan worden aangesproken, en dat in de interne verhouding ieder in beginsel voor de helft draagplichtig is.

Schuld belastingdienst

4.4.

De kantonrechter haalt uit de stukken in het dossier de volgende gegevens met betrekking tot de verschillende beschikkingen waarvan [eiseres] de helft vordert. De kantonrechter hanteert in het schema ten aanzien van het openstaande bedrag de vroegste datum waarover gegevens te vinden zijn in het dossier.

Beschikking

Dagtekening

Aanslagbedrag

Openstaand

D.d.

Kindgebondenbudget 2010 (1566.47.503.T.00.0034)

22 juni 2012

€ 1.321,-

€ 1.265,-

27 augustus 2012

huurtoeslag 2010 (1566.47.503.T.06.4002)

24 augustus 2012

€ 2.337,-

€ 2.141,-

5 november 2012

zorgtoeslag 2010 (1566.47.503.T.06.4003)

24 augustus 2012

€ 326,-

€ 286,-

5 november 2012

kindgebondenbudget 2011 (1566.47.503.T.10.0024)

3 juli 2012

€ 1.387,-

€ 1.329,-

27 augustus 2012

huurtoeslag 2011 (1566.47.503.T.10.2002)

3 augustus 2011

€ 2.328,-

€ 695,-

5 november 2012

Totalen:

€ 7.699,-

€ 5.716,-

4.5.

Uit bovenstaande schema blijkt dat [eiseres] kennelijk geen (invorderings)rente of andere kosten vordert van [gedaagde] . Zij vordert immers enkel de helft van € 7.699,-, zijnde het totaal van de aanslagbedragen. De verweren van [gedaagde] die op de verschuldigdheid van rente en/of kosten zien, worden daarom verworpen.

4.6.

Volgens [gedaagde] zou het verschil tussen de na de peildatum openstaande bedragen en de aanslagbedragen kunnen zijn betaald voor de peildatum, in welk geval dat deel van de schuld dus niet meer bestond op de peildatum en hij hieraan dus niet alsnog de helft hoeft bij te dragen. Volgens [eiseres] heeft zij in de huwelijkse periode alleen afgelost op de huurtoeslag 2011, te weten € 582,- en heeft zij op de overige aanslagen niet eens kúnnen aflossen voor de peildatum, omdat die alle dateren van na de peildatum.

4.7.

Volgens [gedaagde] is dit wel mogelijk, wellicht via voorlopige aanslagen of iets dergelijks.

4.8.

De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat [eiseres] heeft afgelost op aanslagen voor de dagtekening hiervan. In dat geval zou hiermee immers rekening zijn gehouden bij vaststelling van het terug te betalen bedrag. Dit betekent dat in ieder geval de aanslagbedragen van het kindgebondenbudget 2010 en 2011, de huurtoeslag 2010 en de zorgtoeslag 2011 zijn betaald na de peildatum. Van de huurtoeslag 2011 is in ieder geval 695,- betaald na de peildatum. Partijen zijn hiervoor (€ 6.066,-) ieder voor de helft draagplichtig.

4.9.

De vraag is dan wanneer hetgeen voor 5 november 2012 is afgelost ter zake de huurtoeslag 2011, te weten (2.328,- minus € 695,- =) € 1.633,-, is betaald. [eiseres] stelt wel dat van dit bedrag slechts € 582,- voor de peildatum is betaald, maar zij heeft dit niet onderbouwd, wat gelet op het verweer van [gedaagde] wel had gemoeten. In rechte kan daarom niet vastgesteld dat de € 1.633,- na de peildatum is betaald. Voor het overige (€ 6.066,- / 2 = € 3.033,-) kan de vordering in beginsel worden toegewezen, tenminste voor zover de bedragen zijn voldaan met privégelden van [eiseres] .

4.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het er op lijkt dat een deel van de schuld is ingelost middels verrekeningen met teruggaves van de belastingdienst aan [eiseres] die zien op de huwelijkse periode. De helft van deze teruggaves komt [gedaagde] toe, maar hiermee is geen rekening gehouden. Volgens [eiseres] moet, indien rekening moet worden gehouden met teruggaves aan haar, ook rekening worden gehouden met hetgeen [gedaagde] heeft teruggekregen van de belastingdienst.

4.11.

De kantonrechter gaat met dit laatste niet mee, nu er geen (begin van) bewijs is dat [gedaagde] over de huwelijkse periode teruggaves heeft ontvangen van de belastingdienst na de peildatum.

4.12.

Uit het dossier blijkt het volgende ten aanzien van verrekeningen.

Beschikking

Verrekend bedrag

Verrekende post

1

Huurtoeslag 2010

€ 1.958,-

Huurtoeslag 2016

2

Zorgtoeslag 2010

€ 286,-

Huurtoeslag 2016

3

Huurtoeslag 2009

€ 134,-

Zorgtoeslag 2016

4

?

€ 15,-

Huurtoeslag 2013

5

1566.47.503.T.1100024

€ 307,-

ZVW 1566.47.503.W.30.03.4

6

Kindgebonden budget 2010

€ 414,-

IB 1566.47.503.H.30.01

7

1566.47.503.T1100024

€ 563,-

IB 1566.47.503.H.30.01

8

Kindgebonden budget 2010

€ 105,-

IB 2012

9

Kindgebonden budget 2011

€ 14,-

IB 2012

10

Zorgtoeslag 2011

€ 63,-

IB 2012

11

Zorgtoeslag 2012

€ 80,-

IB 2012

12

Kindgebondenbudget 2010

€ 76,-

Zorgtoeslag 2012

13

?

€ 79,-

IB 2014

14

Huurtoeslag 2010

1566.47.503.T.0.01042

€ 64,16

Huurtoeslag 2010

1566.47.503.T.0.01042

15

Huurtoeslag 2010

1566.47.503.T.0.01042

€ 35,84

Huurtoeslag 2010

1566.41.503.T.0.64002

4.13.

Ten aanzien van nummers 3, 4, 5, 7, 11, 13, 14 en 15 is verrekend met andere aanslagen dan waar deze procedure over gaat of is onduidelijk of is verrekend met aanslagen waar deze procedure over gaat. Deze verrekeningen laat de kantonrechter derhalve buiten beschouwing. Ten aanzien van nummers 5, 6, 7 en 12 is onduidelijk of is verrekend met bedragen die aan [eiseres] in privé toekomen of aan de inmiddels ontbonden gemeenschap. Van de overige verrekeningen (€ 2.560,-) is duidelijk dat de gemeenschapsschuld is voldaan met bedragen die [eiseres] in privé toekwamen. [gedaagde] moet van dit bedrag dus de helft aan [eiseres] vergoeden. In zoverre zal de vordering dus in ieder geval worden toegewezen bij eindvonnis.

4.14.

Blijft over de vraag waarmee de overige (€ 7.699,- minus € 2.560,- =) € 5.139,- is betaald. [eiseres] zal zich hierover bij akte nog dienen uit te laten.

Schuld PGB-zorgkantoor

4.15.

[gedaagde] heeft het volgende verweer gevoerd. [eiseres] heeft het gehele PGB-beheer gedaan, dus zij moet eerst aangeven waaraan het teruggevorderde deel van de verstrekte gelden is gebleven. [eiseres] heeft deze gelden bovendien frauduleus verworven, dus het is de vraag of de schuld gemeenschappelijk dan wel verknocht is. [gedaagde] is hoe dan ook niet aansprakelijk voor de rente en kosten, omdat [eiseres] deze kosten had kunnen voorkomen door de betalingsregeling op juiste wijze na te komen. Nergens blijkt dat [gedaagde] daadwerkelijk € 700,- heeft voldaan en het is onzeker of zij in de toekomst de € 25,- per maand wel zal voldoen, eveneens redenen waarom haar vordering moet worden afgewezen. Overigens zou [gedaagde] nooit meer dan de helft van € 25,- hoeven bij te dragen.

4.16.

[eiseres] heeft voorafgaand aan de comparitie de aanvragen PGB, toekenningsbeslissingen PGB, jaarafsluitingen PGB, verantwoordingen PGB en informatie met betrekking tot de betalingsregeling ingebracht.

4.17.

Volgens [eiseres] hield [gedaagde] zich actief bezig met de administratie, waaronder de alle zaken omtrent het PGB. Vanwege het feit dat er minder aan zorg was besteed dan voorzien, moesten bedragen worden terugbetaald. Deze gelden waren echter reeds besteed aan huishoudelijke zaken en door [gedaagde] van de rekening gepind. De bewijslast van de stelling dat de schuld aan [eiseres] verknocht zou zijn, ligt bij [gedaagde] . Aldus [eiseres] .

4.18.

Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] met geld geschoven en heeft [gedaagde] hiervan geen profijt gehad. Het is aan [eiseres] om duidelijk te maken waar de gelden naartoe zijn gegaan en waarom ze niet zijn terugbetaald. Aldus [gedaagde] .

4.19.

Tussen partijen staat vast dat de bedragen die zijn teruggevorderd zien op de huwelijkse periode. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een gemeenschapsschuld waarvoor ieder voor de helft draagplichtig is. [gedaagde] beroept zich erop dat sprake is van verknochtheid en op grond van artikel 150 Rv rust op hem de bewijslast van deze stelling. Hij heeft zijn stelling niet onderbouwd, zodat, gelet op de betwisting van [eiseres] , niet in rechte kan worden vastgesteld dat de gelden op frauduleuze wijze zijn verkegen dan wel dat de gelden door [eiseres] op zodanige wijze zijn besteed dat zij in de interne verhouding alleen draagplichtig zou zijn voor deze schuld. [gedaagde] dient daarom zijn helft van de schuld te dragen, inclusief rente en kosten want hiervan kan niet worden gezegd dat ze [eiseres] persoonlijk betreffen. Deze kosten zijn immers mede het gevolg van [gedaagde] nalatigheid om (in ieder geval) zijn deel van de schuld te betalen.

4.20.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] in het verleden € 700,- heeft afbetaald aan de schuld. Middels een overzicht heeft zij aangetoond in ieder geval 21 x € 25,- te hebben betaald. Echter, uit artikel 6:10 lid 2 BW volgt dat een hoofdelijk schuldenaar de mede-schuldenaren alleen kan aanspreken wanneer die meer heeft voldaan dan zijn aandeel in de schuld. Kortom, [eiseres] kan [gedaagde] pas aanspreken als zij meer dan 50% van de schuld heeft voldaan, wat niet het geval is. Immers was de PGB-schuld niet betaalbaar in termijnen. In dat geval zou de schuldenaar die een termijn voldeed, het aandeel van de medeschuldenaar in die termijn kunnen terugeisen. In dit geval geldt dit niet. Weliswaar wordt de schuld door [eiseres] op dit moment in termijnen terugbetaald, maar dit is een regeling die zij zelfstandig heeft getroffen met [naam] . Het staat het PGB-zorgkantoor/ [naam] vrij om [gedaagde] , nu het een gemeenschapsschuld betreft, alsnog voor het geheel aan te spreken, of met hem ook een betalingsregeling aan te gaan. De vorderingen met betrekking tot de PGB-schuld zullen dan ook worden afgewezen. Wel geldt dus dat [gedaagde] voor deze schuld, inclusief bijkomende kosten, voor de helft draagplichtig is. De kantonrechter zal dit zo bepalen bij eindvonnis.

4.21.

Gelet op de door [eiseres] te nemen akte, houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 23 augustus 2017 voor akte aan de zijde van [eiseres] waarin zij zich dient uit te laten over hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.14,

5.2.

bepaalt dat de zaak vervolgens vier weken later op de rol zal komen voor antwoordakte aan de zijde van [gedaagde] ,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.

type: GD