Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12876

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
03/702034-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart toelaatbaar de door de Oekraïense autoriteiten verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne ter strafvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTbANK Limburg

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702034-17

Tegenspraak

Uitspraak op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Limburg van 3 augustus 2017 met betrekking tot

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens verdachte] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530 te Roermond,

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

De opgeëiste persoon wordt bijgestaan door mr. E.M. Steller, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1 De vordering van de officier van justitie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 3 augustus 2017, ter griffie van deze rechtbank ingekomen op 8 augustus 2017, strekt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot de uitlevering van de opgeëiste persoon, afkomstig van de Oekraïense autoriteiten, in behandeling zal nemen. Voorts houdt de vordering in dat de rechtbank ter zitting over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon zal beslissen.

2 De procesgang

De rechtbank heeft op 1 september 2017 de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord ter openbare zitting. Het onderzoek heeft plaatsgehad met bijstand van een tolk in de Russische taal. De officier van justitie, de opgeëiste persoon en de raadsman hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.

3 Het verzoek tot uitlevering en de overgelegde stukken

3.1

Het verzoek tot uitlevering

Op 23 juni 2017 is de opgeëiste persoon aangehouden, omdat hij stond gesignaleerd in verband met een strafrechtelijk onderzoek in Oekraïne. Vervolgens is op dezelfde dag zijn inverzekeringstelling bevolen. Daarna heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie, nog steeds op 23 juni 2017, de bewaring tegen de opgeëiste persoon bevolen voor een termijn van twintig dagen. Hiertoe heeft de rechter-commissaris overwogen dat er gegronde redenen bestonden voor de verwachting dat ten aanzien van de opgeëiste persoon op korte termijn door de Oekraïense autoriteiten een voor inwilliging vatbaar verzoek tot uitlevering zou worden gedaan.

Bij brief van 28 juni 2017 heeft de officier van justitie de Minister van Veiligheid en Justitie verzocht te bevorderen dat het originele uitleveringsverzoek hem/haar ten spoedigste bereikt.

Op 11 juli 2017 heeft de officier van justitie op grond van artikel 22 van de Uitleveringswet bevolen dat de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt voortgezet tot het tijdstip waarop de rechtbank beslist over de gevangenhouding.

Bij brief van 12 juli 2017 heeft de ambassade van Oekraïne het Ministerie van Veiligheid en Justitie van Nederland het uitleveringsverzoek van het openbaar ministerie van Oekraïne
d.d. 6 juli 2017, alsmede een vertaling in de Engelse taal, toegezonden. Dit verzoek strekt tot de uitlevering aan Oekraïne van de opgeëiste persoon teneinde hem strafrechtelijk te vervolgen. Bij het verzoek zijn de stukken overgelegd die volgens de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering zijn vereist.

Uit het uitleveringsverzoek blijkt dat ten aanzien van de opgeëiste persoon op 3 september 2012 een opsporingsverzoek is uitgevaardigd en dat de rechtbank van het district Kovpakivskyi van de stad en de regio Soemy op 25 januari 2017 aan de opgeëiste persoon een vrijheidsbenemende maatregel heeft opgelegd in de vorm van voorlopige hechtenis.

De opgeëiste persoon wordt verdacht van het plegen van een overval met als doel toe-eigening van andermans eigendom, gepaard gaande met geweld dat gevaar vormt voor het leven en de gezondheid van de overvallen persoon, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak.

Bij brief van 14 juli 2017 is het originele uitleveringsverzoek namens de Minister van Veiligheid en Justitie verzonden aan de officier van justitie te Limburg. In deze brief, die op 17 juli 2017 is ingekomen bij het Internationaal Rechtshulp Centrum Limburg, is de officier van justitie verzocht het verzoek in behandeling te nemen.

Uit de door Oekraïne overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon zijn oorspronkelijke naam, te weten [oorspronkelijke naam] , officieel heeft laten wijzigen in [verdachte] .

3.2

De door de verzoekende staat overgelegde stukken

Het uitleveringsverzoek is vergezeld van en/of in het uitleveringsverzoek is het volgende opgenomen:

  • -

    de vereiste uiteenzetting van het feit waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;

  • -

    de vereiste tekst van de toepasselijke rechtsvoorschriften;

  • -

    de vereiste gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de identiteit van de opgeëiste persoon;

  • -

    een ‘bevel tot aanhangig maken en in behandeling nemen van een strafzaak en tot samenvoegen van strafzaken’ d.d. 25 augustus 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    een ‘bevel tot opsporing van een verdachte’ d.d. 3 september 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    een ‘bevel tot herkwalificatie van een misdrijf’ d.d. 15 november 2012 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    een ‘kennisgeving van verdenking’ d.d. 18 februari 2013 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 25 januari 2017 tot het opleggen aan de opgeëiste persoon van een vrijheidsbenemende maatregel in de vorm van voorlopige hechtenis;

  • -

    een ‘besluit omtrent toelichting persoonsgegevens van de verdachte’ d.d. 27 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    een ‘verzoek tot uitlevering ter fine strafvervolging aan Oekraïne’ d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek;

  • -

    een ‘verklaring omtrent strafrechtelijke procedure nummer 12013200440000563 inzake bewijs van schuld van de dader’ d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon;

  • -

    een verklaring omtrent de verjaringstermijn d.d. 29 juni 2017 van een onderzoeksambtenaar van het Bureau Onderzoek met betrekking tot de opgeëiste persoon.

4 De standpunten van de officier van justitie en de opgeëiste persoon

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte uitlevering toelaatbaar moet worden geacht. Ter zitting heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 26, lid 2, van de Uitleveringswet een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd.

4.2

Het standpunt van de opgeëiste persoon

Primair heeft de raadsman van de opgeëiste persoon verzocht om aanhouding van de zaak. Subsidiair heeft hij verzocht de uitlevering niet toelaatbaar te verklaren. De aangevoerde gronden hiervoor komen verderop in deze uitspraak aan bod.

5 De beoordeling van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering

5.1

De identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia, zoals hierboven genoemd, juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft.

5.2

De genoegzaamheid van de stukken

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 18 van de Uitleveringswet, is het verzoek schriftelijk gedaan en gericht aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is het verzoek conform deze bepalingen vergezeld van de vereiste stukken. Deze stukken zijn hierboven genoemd onder het kopje ‘De door de verzoekende staat overgelegde stukken’. Uit de stukken volgt dat er tegen de opgeëiste persoon een verdenking bestaat dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het op 9 augustus 2012 te Soemy (Oekraïne) plegen van een overval met als doel toe-eigening van andermans eigendom, gepaard gaande met geweld dat gevaar vormt voor het leven en de gezondheid van de overvallen persoon, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak.

Het is in de uitleveringsprocedure niet aan de rechter om te toetsen of er voldoende onderbouwing is voor die verdenking. De rechtbank kan wel beoordelen - en doet dat ook - dat deze stukken genoegzaam zijn.

5.3

De dubbele strafbaarheid en de strafbedreiging

Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a van de Uitleveringswet kan uitlevering alleen worden toegestaan ten behoeve van een door de autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling niet aan uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat en overweegt hiertoe het volgende.

De opgeëiste persoon wordt in de verzoekende staat verdacht van - kort gezegd - een roofoverval, gepleegd door een groep personen op basis van een tevoren gemaakte afspraak. Naar Oekraïens recht staat op dit feit een vrijheidsstraf voor de duur van zeven tot tien jaren. Naar Nederlands recht is dit feit strafbaar gesteld onder artikel 312, leden 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht (diefstal in vereniging met geweld). Voor dit feit kan een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren worden opgelegd.

5.4

Ne bis in idem

Op grond van artikel 9, leden 2 en 3, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 9, lid 1, aanhef en onder a, b, c en d van de Uitleveringswet wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan - kort gezegd - de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd, dan wel is vervolgd en hernieuwde vervolging naar Nederlands recht is uitgesloten.

Door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsman is niet aangevoerd dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarnaast is het de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze bepaling niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.

5.5

Verjaring

Op grond van artikel 9, lid 1, aanhef en onder e van de Uitleveringswet wordt uitlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht wegens verjaring geen vervolging meer kan plaatshebben. Artikel 10 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan voor een feit dat is verjaard volgens het recht van de aangezochte of de verzoekende staat.

De rechtbank stelt vast dat deze bepalingen niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staan, nu noch naar Nederlands recht noch naar Oekraïens recht sprake is van verjaring.

5.6

Vervolging wegens een politiek delict

Op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering en artikel 11 van de Uitleveringswet wordt uitlevering niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.

Door de opgeëiste persoon en/of zijn raadsman is niet aangevoerd dat van een dergelijke situatie sprake is. Daarnaast is het de rechtbank ook anderszins niet gebleken dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze bepaling niet aan de uitlevering van de opgeëiste persoon in de weg staat.

5.7

Onschuldverweer

Artikel 28, lid 2, van de Uitleveringswet bepaalt dat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar verklaart, als zij bevindt dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. In dit verband bepaalt artikel 26, lid 3, van de Uitleveringswet dat de rechtbank de bewering van de opgeëiste persoon onderzoekt, als deze inhoudt dat hij onverwijld - dat wil zeggen: zonder diepgaand onderzoek, vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Deze enkele bewering leidt er niet toe dat de rechtbank tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld of dat de opgeëiste persoon het feit niet kan hebben begaan. (vergelijk: HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698 en HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF6988).

Bovendien hoeft de rechtbank met een beroep op een rechtvaardigingsgrond alleen in zeer beperkte mate rekening te houden. Een dergelijke strafuitsluitingsgrond kan de strafbaarheid van het feit alleen wegnemen als deze rechtstreeks voortvloeit uit de stukken die de verzoekende staat heeft overgelegd of als zij anderszins, zonder diepgaand onderzoek, door de rechtbank als vaststaand kan worden aangenomen. (vergelijk: HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO4719) Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

5.8

Dreigende schending van fundamentele mensenrechten

Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting een beroep gedaan op dreigende schending van mensenrechten. Hiertoe is onder meer het volgende aangevoerd.

  1. Hoewel Oekraïne in het uitleveringsverzoek heeft gegarandeerd dat de functionarissen van de diplomatieke vertegenwoordiging of de consulaire instantie van Nederland in Oekraïne de mogelijkheid zullen krijgen om de opgeëiste persoon tijdens zijn detentie te bezoeken, is deze garantie onvoldoende. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft immers een negatief reisadvies afgegeven voor bepaalde delen van Oekraïne. Op het moment dat de opgeëiste persoon in die delen van Oekraïne in detentie verblijft, zal consulaire bijstand niet mogelijk zijn. De raadsman heeft verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde aan Oekraïne de garantie te vragen dat de opgeëiste persoon niet zal worden gedetineerd in die gebieden waarvoor het Ministerie van Buitenlandse zaken van Nederland een negatief reisadvies heeft afgegeven. Zonder deze garanties zou de uitlevering geweigerd moeten worden, aldus de raadsman.

  2. Hoewel Oekraïne in het uitleveringsverzoek het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces heeft gegarandeerd, blijkt uit de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken dat zijn schuld aan het tenlastegelegde misdrijf voor de Oekraïense autoriteiten al is bewezen. In het ‘verzoek tot uitlevering ter fine strafvervolging aan Oekraïne’ d.d. 29 juni 2017 is immers vermeld: ‘De schuld van [verdachte] ( [oorspronkelijke naam] ) aan het hem tenlastegelegde misdrijf is volledig bewezen door middel van de in de loop van de strafrechtelijke procedure vergaarde bewijzen.’
    De raadsman heeft verzocht het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde bij de Oekraïense autoriteiten na te vragen wat wordt bedoeld met de ‘strafrechtelijke procedure’, nu deze woorden erop lijken te duiden dat de strafvervolging al is afgerond. Daarnaast heeft de raadsman verzocht bij de Oekraïense autoriteiten na te vragen hoe de woorden over de schuld van de opgeëiste persoon dienen te worden geduid. Zonder deze toelichting zou de uitlevering niet mogelijk zijn, aldus de raadsman.

Ter zitting heeft de rechtbank deze aanhoudingsverzoeken van de raadsman gemotiveerd afgewezen. In het verlengde hiervan zal de rechtbank de verweren, strekkende tot het niet toelaatbaar verklaren van het uitleveringsverzoek, verwerpen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, onder meer overwogen:

‘3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (…). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken - gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet - het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren.

(…)

3.6.

Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.

A. (…)

B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6, eerste lid, EVRM en/of art. 14, eerste lid, IVBPR.

(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan

(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens

(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.

In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve - kort gezegd - de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM onderscheidenlijk art. 14, eerste lid, IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. (…)’

Naar het oordeel van de rechtbank is door of namens de opgeëiste persoon niet een voldoende onderbouwd verweer gevoerd inhoudende dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM en/of artikel 14 IVBPR toekomend recht.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de kans bestaat dat Oekraïne niet kan voldoen aan de garantie dat de functionarissen van de diplomatieke vertegenwoordiging of de consulaire instantie van Nederland in Oekraïne de mogelijkheid zullen krijgen om de opgeëiste persoon tijdens diens detentie te bezoeken, omdat voor bepaalde delen van Oekraïne door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse zaken een negatief reisadvies is afgegeven, overweegt de rechtbank dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat Oekraïne personen zal detineren in delen van het land waarin de Oekraïense autoriteiten zelf in feite geen zeggenschap hebben.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces niet is gegarandeerd, omdat er in Oekraïne al een strafvervolging zou hebben plaatsgehad, dan wel omdat de Oekraïense rechterlijke instanties al overtuigd zouden zijn van de schuld van de opgeëiste persoon aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, overweegt de rechtbank het volgende. In het uitleveringsverzoek en de bijgevoegde stukken wordt een onderscheid gemaakt tussen het vooronderzoek, de berechting en de vrijheidsbeneming. Daarnaast blijkt uit de stukken uitdrukkelijk dat de uitlevering wordt verzocht voor de vervolging van de opgeëiste persoon. Het is geenszins aannemelijk geworden - het is louter speculatief - dat er al een strafrechtelijke procedure tegen de opgeëiste persoon heeft plaatsgehad. Het is evenmin aannemelijk geworden dat de rechterlijke instanties van Oekraïne zich al hebben uitgelaten over de schuld van de opgeëiste persoon. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de uitlatingen over de schuld van de opgeëiste persoon zijn gedaan door een onderzoeksambtenaar.

Gelet op het vorenstaande kunnen de namens de opgeëiste persoon gedane verweren niet tot de conclusie leiden dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard.

5.9

Conclusie

Gelet op vorenstaande overwegingen en het feit dat ook overigens niet is gebleken van een beletstel voor de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering, zal de rechtbank de uitlevering aan Oekraïne van de opgeëiste persoon ter strafvervolging toelaatbaar achten voor het feit, zoals omschreven in het uitleveringsverzoek.

6 Het advies inzake uitlevering aan de Minister van Veiligheid en Justitie

Op grond van artikel 30, tweede lid, van de Uitleveringswet adviseert de rechtbank, indien zij de uitlevering toelaatbaar verklaart, de Minister van Veiligheid en Justitie omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft, zoals hierboven is weergegeven, zijn twijfels geuit over de garantie van consulaire bijstand. Hoewel de rechtbank de uitlevering op juridische gronden toelaatbaar acht en zij kennis heeft genomen van de door Oekraïne gegeven garanties in het uitleveringsverzoek, zal de rechtbank - mede gelet op de huidige politieke situatie in Oekraïne - de Minister adviseren om niettemin bij de Oekraïense autoriteiten extra aandacht te vragen voor de garantie van consulaire bijstand.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij meent dat het in Oekraïne mogelijk is om verklaringen te ‘kopen’ en dat dit ook is gebeurd in het strafrechtelijk onderzoek waarin hij als verdachte is aangemerkt. De rechtbank zal de Minister adviseren om hiervoor de nodige aandacht te vragen bij de Oekraïense autoriteiten.

Ten slotte heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat de consulaire dienst van Georgië hem heeft toegezegd om actie te ondernemen teneinde te bezien of de mogelijkheid bestaat dat Georgië de strafvervolging tegen hem overneemt van Oekraïne. De rechtbank zal de Minister adviseren hiernaar navraag te doen bij de autoriteiten van Georgië. De rechtbank is van oordeel dat het wenselijk kan zijn dat de strafvervolging door Georgië wordt overgenomen en de opgeëiste persoon mede gelet op de in Oekraïne geldende minimumstraf, een eventuele vrijheidsstraf kan ondergaan in zijn land van herkomst.

7 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen

Ten aanzien van deze beslissing zijn de volgende verdrags- en wetsartikelen van toepassing:

  • -

    de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering;

  • -

    de artikelen 2, 5, 18, 25, 26 en 28 van de Uitleveringswet;

  • -

    artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart toelaatbaar de door de Oekraïense autoriteiten verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon aan Oekraïne ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals vermeld in het uitleveringsverzoek.

Deze uitspraak is gegeven door mr. C.M.W. Nobis, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 september 2017.

Buiten staat

Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.