Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1275

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
5412224 CV 16-9558
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over ligging juridische grens; verjaring; bruikleenovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5412224 \ CV EXPL 16-9558

Vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017

in de zaak van:

1 [eiser sub 1] ,
wonend te [woonplaats eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],
wonend te [woonplaats eiser sub 2] ,

eisende partij,

rolgemachtigde Flanderijn & van Eck,

gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,
wonend te [woonplaats gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],
wonend te [woonplaats gedaagde sub 2] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. A.D.A. Quaedvlieg.

Partijen worden hierna genoemd [eisers] en [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de comparitie van 17 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] zijn sinds 1 oktober 1996 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres onroerende zaak 1] (het huidige perceel nummer [nr. X] ). [gedaagden] zijn sinds 15 maart 2004 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres onroerende zaak 2] (het huidige perceel nummer [nr. Y] ). Partijen zijn derhalve buren van elkaar. De erfgrens tussen de percelen loopt - vanaf de achtergevel van de woningen van partijen bezien - schuin af in de richting van het perceel van [eisers]

De kadastrale kaart ziet er als volgt uit:

[Afbeelding]

2.2.

Op 2 juni 2004 heeft een grensreconstructie door het Kadaster plaatsgevonden. Bij de aanwijzing waren (onder meer) beide partijen aanwezig en geen van partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de aangewezen kadastrale grenzen. Bij de reconstructie werd duidelijk dat de erfafscheiding tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] niet op de kadastrale grens was geplaatst, maar op het perceel van [eisers]

2.3.

De erfafscheiding werd - bezien van noordwest naar zuidoost - gevormd door achtereenvolgens een betonnen afscheiding, een houten schutting en een coniferenhaag.

2.4.

In 2010 hebben [eisers] de betonnen afscheiding (deels) verwijderd en vervolgens een houten schutting geplaatst die loodrecht op de achtergevel van de woning staat (hierna: de loodrecht geplaatste schutting). Deze loodrecht geplaatste schutting staat ten opzichte van de ‘oude’ betonnen afscheiding meer in de richting van het perceel van [gedaagden]

2.5.

Op 27 mei 2016 hebben [gedaagden] de door [eisers] in 2010 loodrecht geplaatste schutting verplaatst in de richting van het perceel van [eisers]
[gedaagden] hebben de schutting geplaatst tegen de resterende elementen van de ‘oude’ betonnen afscheiding.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen – samengevat – veroordeling van [gedaagden] :

I. tot betaling van een schadevergoeding van € 450,00;

II. het perceel van [eisers] tot aan de kadastrale grens te ontruimen, op straffe van een dwangsom;

III. de erfafscheiding volledig te (laten) herstellen naar de staat waarin deze verkeerde op 26 mei 2016, althans om een vergelijkbare nieuwe schutting op de kadastrale grens te plaatsen, op straffe van een dwangsom;

IV. in de proceskosten.

3.2.

[eisers] hebben aan hun vorderingen onder II en III ten grondslag gelegd dat [gedaagden] op 27 mei 2016 zonder instemming of enig ander recht de loodrecht geplaatste houten schutting hebben beschadigd en verplaatst. [gedaagden] hebben hiermee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] , hetgeen gekwalificeerd dient te worden als een onrechtmatige daad. Aan de vordering tot schadevergoeding van € 450,00 hebben [eisers] ten grondslag gelegd dat [gedaagden] op 27 mei 2016 de loodrecht geplaatste houten schutting hebben verzaagd en cobblestones op lompe wijze tegen de poort/gevel van [eisers] hebben gestort waardoor deze beschadigd zijn geraakt. Een aannemer heeft de schade begroot op het gevorderde bedrag.

3.3.

[gedaagden] voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn in geschil over de vraag, waar de juridische grens ligt tussen de percelen [nr. Y] en [nr. X] voor wat betreft het gedeelte van de erfgrens dat begint bij de achtergevel van de woningen van partijen en een lengte heeft van circa 6,5 meter.

4.2.

Uit de dagvaarding van [eisers] begrijpt de kantonrechter dat [eisers] zich op het standpunt stellen dat de juridische grens gelijk is aan de kadastrale grens.

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen hebben [eisers] echter ook betoogd dat de juridische grens ligt daar waar zij in 2010 de loodrecht geplaatste houten schutting hebben gezet, omdat [gedaagden] voor deze plaatsing zowel in 2004 als op het moment van plaatsing in 2010 toestemming hebben gegeven.


Tenslotte hebben [eisers] zich bij gelegenheid van de comparitie van partijen beroepen op een overeenkomst van bruikleen die zou zijn gesloten tussen de rechtsvoorgangers van partijen en die zou blijken uit een taxatierapport dat [eisers] in bezit hebben. Uit die bruikleenovereenkomst volgt volgens [eisers] dat de juridisch grens niet ligt op de plek van de ‘oude’ betonnen afscheiding, maar een stuk richting het perceel van [gedaagden]

4.3.

[gedaagden] hebben als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de juridische grens als gevolg van verkrijgende verjaring ligt daar waar de betonnen afscheiding tot 2010 heeft gestaan, zijnde tevens de plek waar [gedaagden] de houten schutting op 27 mei 2016 terug hebben geplaatst. [gedaagden] hebben gemotiveerd weersproken dat zij toestemming hebben gegeven voor de door [eisers] loodrecht geplaatste houten schutting.

4.4.

De kantonrechter zal eerst ingaan op de stelling van [eisers] dat zij van [gedaagden] toestemming hebben gekregen om de schutting te plaatsen op de plek waar zij die in 2010 hebben neergezet, omdat een dergelijke toestemming - zo deze komt vast te staan - het beroep van [gedaagden] op verkrijgende verjaring zou kunnen doorkruisen.

4.5.

[eisers] hebben naar voren gebracht dat tijdens de grensreconstructie in 2004 is vastgesteld dat de betonnen afscheiding niet op de kadastrale grens stond en dat partijen toen hebben gesproken over plaatsing van een stenen muur, loodrecht op de achtergevel van de woningen, nu een schuin lopende erfafscheiding voor geen van partijen erg praktisch is. [gedaagden] erkennen dat er is gesproken over het ‘rechttrekken’ van de erfafscheiding, maar weerspreken nadrukkelijk dat hierover ooit overeenstemming is bereikt.

Met [gedaagden] is de kantonrechter van oordeel dat op grond van een verkennend gesprek in 2004 geen toestemming voor het verplaatsen van de erfafscheiding kan worden aangenomen. Nu [eisers] verder niet concreet hebben gemaakt wat er precies zou zijn afgesproken, hebben zij niet voldaan aan de op hen rustende stelplicht en komt de kantonrechter tot de conclusie dat er in 2004 geen toestemming is verleend voor het verplaatsen van de erfafscheiding.

4.6.

Ook de door [eisers] gestelde toestemming in 2010 komt niet vast te staan.

De kantonrechter overweegt daartoe dat [gedaagde sub 2] (gedaagde sub 2) tijdens de comparitie van partijen heeft uiteengezet dat [gedaagden] in mei 2010 in financieel zwaar weer verkeerden en dat de bank executie en ontruiming van de woning had aangekondigd, hetgeen [gedaagden] aan [eisers] hadden laten weten. In de week voorafgaand aan de aangekondigde veiling van de woning is [eisers] eigenmachtig gestart met het grotendeels verwijderen van de betonnen afscheiding en het plaatsen van de loodrecht geplaatste houten schutting. [gedaagde sub 2] verbleef op dat moment niet in de woning en werd door [gedaagde sub 1] (gedaagde sub 1) op de hoogte gesteld van de werkzaamheden van [eisers] Daarop is [gedaagde sub 2] in geëmotioneerde toestand naar [eisers] gegaan om te protesteren tegen de verplaatsing van de erfafscheiding. De heer [eiser sub 1] heeft toen tegen [gedaagde sub 2] gezegd dat hij wel wilde wachten tot na de ontruiming, om [gedaagden] te ontzien, maar mevrouw [eiser sub 2] heeft toen te kennen gegeven dat het verplaatsen van de erfafscheiding niet kon wachten om discussie met de nieuwe buren te voorkomen, aldus het samengevatte relaas van [gedaagden]

4.7.

[gedaagden] hebben naar het oordeel van de kantonrechter concreet en consistent uiteengezet dat [gedaagden] geen toestemming voor het verplaatsen van de erfafscheiding hebben gegeven in 2010, terwijl de heer en mevrouw [eisers] tijdens de comparitie van partijen geen eensluidend verhaal hadden over de hiervoor vermelde gebeurtenissen.

Mevrouw [eiser sub 2] heeft meermaals (bloot) verklaard dat [gedaagden] tijdens het gesprek over de executie van de woning hebben gezegd dat [eisers] met het oog op het krijgen van nieuwe buren de erfafscheiding konden verplaatsen, terwijl de heer [eiser sub 1] heeft volhard in de enkele blote stelling dat [gedaagden] toestemming hebben gegeven. Ook nadat de kantonrechter de heer [eiser sub 1] nadrukkelijk heeft gevraagd specifieker te zijn in zijn antwoorden, heeft hij niet meer kunnen verklaren dan dat er toestemming was verleend zonder dit te concretiseren met plaats, datum of gelegenheid. Zelfs het antwoord op de vraag van de kantonrechter of [eisers] derden hebben ingeschakeld bij de plaatsing van de schutting of niet, bleef lange tijd onbeantwoord.

4.8.

De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat in het licht van het concrete en consistente betoog van [gedaagden] , [eisers] hun stelling dat [gedaagden] in 2010 toestemming hebben gegeven om de erfafscheiding te verplaatsen onvoldoende gemotiveerd hebben gehandhaafd, zodat deze stelling niet komt vast te staan.

4.9.

Ook de bruikleenovereenkomst waarnaar [eisers] verwijzen, wat daar verder ook van zij, kan hen niet baten. Gesteld noch gebleken is immers dat en hoe uit die overeenkomst rechten en verplichtingen voor [eisers] respectievelijk [gedaagden] voortvloeien en welke rechten en verplichtingen dat dan zouden zijn. Bruikleen is immers een persoonlijk recht dat niet zonder nadere overeenkomst kan zijn overgegaan op [eisers] en/of [gedaagden] De stelling dat sprake is van buikleen van een stuk grond wordt dan ook verworpen.

4.10.

Ten slotte resteert de vraag of de kadastrale grens tevens de juridische grens tussen de percelen van partijen is of dat het beroep van [gedaagden] op verkrijgende verjaring slaagt en zij daarmee rechthebbenden zijn geworden op de strook grond tussen de kadastrale grens en de plaats waar de betonnen afscheiding tot 2010 heeft gestaan.

4.11.

De kantonrechter overweegt dat voor het verkrijgen van de eigendom van de strook grond is vereist dat [gedaagden] en/of hun rechtsvoorganger(s) gedurende een periode van 20 jaar onafgebroken het ondubbelzinnige bezit van de strook grond hebben gehad. Tussen partijen staat vast dat in het voorjaar van 2010 de erfafscheiding is verplaatst. De verjaringstermijn van 20 jaar is dus voltooid als [gedaagden] en/of hun rechtsvoorganger in ieder geval vanaf begin 1990 onafgebroken het bezit van de strook grond hebben gehad.

4.12.

[gedaagden] hebben dienaangaande gesteld dat de betonnen afscheiding al vóór 1970 ter plaatse stond als erfafscheiding en zij hebben foto’s in het geding gebracht uit 1981 waarop de betonnen afscheiding is te zien. [eisers] hebben overigens bij dagvaarding erkend dat de betonnen afscheiding er in ieder geval in oktober 1996 - toen zij de woning verkregen - al stond en dat die afscheiding het voorkomen had daar al jaren zo te staan.

[eisers] hebben daarmee naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de litigieuze strook grond al ruim voor het jaar 1990 deel uitmaakte van de tuin van [gedaagden] en daarmee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid.

4.13.

Dit alles betekent dat de vorderingen van [eisers] met betrekking tot de erfgrens (vorderingen onder II en III) voor afwijzing gereed liggen. Dit geldt eveneens voor de gevorderde schadevergoeding van € 450,00, en wel reeds om de reden dat deze vordering in het geheel niet onderbouwd is.

4.14.

[eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot

op € 300,00 aan salaris gemachtigde (2 x tarief € 150,00).

4.15.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eisers] af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagden] gevallen en tot op heden begroot op € 300,00,

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: no/js

coll: