Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12744

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
29-12-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
AWB-16_1858u
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat ze binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2018/34 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

zaaknummer: AWB 16/1858

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 december 2017 in de zaken tussen

[bedrijfsnaam 1] , gevestigd te [plaatsnaam] , eiseres

(gemachtigde: mr. T.I.P. Jeltema),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (thans de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat), verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 15.334,-.

Bij besluit van 25 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard en primaire besluit gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2017.

Voor eiseres zijn haar bestuurders, [naam 1] en [naam 2] , ter zitting verschenen. Zij hebben zich laten bijstaan door gemachtigde van eiseres.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de gebruiksruimte die eiseres in 2013 had en de hoeveelheid meststoffen die zij in dat jaar op haar land heeft gebruikt. In het kader van dat onderzoek heeft verweerder eiseres om informatie gevraagd.

2. Mede aan de hand van de van eiseres verkregen informatie, heeft verweerder gecontroleerd of eiseres de wet- en regelgeving van het Mestbeleid naleeft. Verweerder heeft de begin- en eindvoorraad, productie, afvoer en aanvoer van dierlijke mest vastgesteld en aan de hand daarvan berekend hoeveel fosfaat eiseres moet hebben gebruikt en of zij daarmee binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven.

3. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden en daarop zijn voornemen, eiseres een bestuurlijke boete op te leggen van

€ 12.232,-, aan haar kenbaar gemaakt. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat eiseres niet voor fosfaatverrekening in aanmerking komt, omdat zij niet voldoet aan de daarvoor geldende eis, dat de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm niet groter mag zijn is dan

20 kilogram fosfaat per hectare bouwland.

4. Verweerder is daarna gebleken dat op 11 april 2013 op een perceel dat eiseres in gebruik had, nog vier vrachten dierlijke meststoffen zijn gelost die niet op naam van eiseres stonden, maar op de namen: [naam 3, 4 en 5] . Verweerder heeft deze vrachten bij de reeds vastgestelde aanvoer dierlijke mest opgeteld. Verweerder is tot de conclusie gekomen dat eiseres de fosfaatgebruiksnorm hierdoor verder heeft overschreden. Verweerder heeft eiseres op grond daarvan zijn nieuwe voornemen kenbaar gemaakt een bestuurlijke boete op te leggen van € 15.378,-.

5. Eiseres heeft tegen beide voornemens een zienswijze ingediend, maar deze hebben verweerder niet op een ander standpunt gebracht. Eiseres heeft verweerder er niet van kunnen overtuigen dat ze binnen de voor haar geldende fosfaatgebruiksnorm is gebleven. Daarom heeft verweerder eiseres bij het primaire besluit een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 15.378,- wegens handelen in strijd me het verbod meststoffen in of op de bodem te brengen. Verweerder heeft de hoogte van de boete vastgesteld op grond van de overschrijding van de voor eiseres geldende fosfaatgebruiksnorm. Verweerder heeft na heroverweging niet anders beslist.

6. Verweerder is er van uitgegaan dat de vier op 11 april 2013 aangevoerde vrachten mest op de namen: [naam 3, 4 en 5] , op de percelen van eiseres zijn aangewend. Verweerder baseert zich op GPS-gegevens waaruit blijkt dat de vrachten op percelen van eiseres zijn gelost en de bevestiging van [naam 1] tijdens de hoorzitting, dat de mest op percelen van eiseres is uitgereden.

7. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de door eiseres opgegeven eindvoorraad dierlijke mest. Verweerder vindt niet aannemelijk dat eisers die voorraad, bestaande uit de laatste vracht die op 17 april 2013 bij haar bedrijf is aangevoerd en de twee vrachten die zij op 11 juni 2013 heeft gekregen, in voorraad had. Verweerder gaat er daarom vanuit dat eiseres ook deze mest heeft aangewend.

7.1

Verweerder acht onaannemelijk dat de laatste vracht van 17 april 2013 in een container is gelost om te voorkomen dat de fosfaatgebruiksnorm wordt overtreden, omdat eiseres de andere vrachten van die dag -met eenzelfde fosfaatgehalte- wel heeft aangewend.

7.2

Verweerder acht ook onaannemelijk dat eiseres op 11 juni 2013 nog twee vrachten heeft laten aanvoeren en deze vrachten, ook om overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm te voorkomen, in een container heeft laten lossen. Eiseres had volgens verweerder op

11 juni 2013 kunnen weten dat de fosfaatgebruiksnorm al overschreden was, omdat alle analyses van eerder aangevoerde mest toen al bekend waren.

7.3

Verweerder vindt het argument, dat de mest op 11 juni 2013 is opgeslagen om overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm te voorkomen, ook tegenstrijdig met de verklaring van [naam 1] , dat de mest toen in verband met een miscommunicatie met de vervoerder -in plaats van in de mestput- in een container is gelost. Verweerder vindt deze verklaring ook ongeloofwaardig, omdat [naam 1] , die bij de tweede lossing aanwezig was, had kunnen aangeven dat de tweede vracht naar de mestput moest worden gereden.

7.4

Verweerder ziet ook geen grond om aan te nemen dat mest vanuit containers met eigen vervoer naar de mestput is gebracht en vervolgens is opgeslagen.

8. Eiseres stelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mest niet naar de mestput en in opslag is gegaan. Zij wijst erop dat zij over een mestput beschikt -met een capaciteit van 233 m3- die groot genoeg is om de opgegeven mestvoorraad in op te slaan. Zij beschikt ook over containers en geschikt materiaal om mest in containers op te slaan en mest met eigen vervoer te transporteren naar de opslaglocatie. Zij wijst op de informatie die zij na de hoorzitting nog aan verweerder heeft gestuurd ter onderbouwing van de opgegeven mestvoorraad. De informatie betreft foto’s van containers en de bouwtekening van de rundveestal waarin de mestput ligt.

9. Eiseres betwist dat zij ten tijde van de aanvoer dierlijke meststoffen op 17 april en

11 juni 2013 wist dat ze -voor dat jaar- al te veel fosfaat in de bodem had gebracht. Zij stelt juist accuraat te hebben gehandeld door de mest in een container te laten lossen, nadat bleek dat de fosfaatgebruiksnorm zou worden overschreden, de mest vervolgens op te slaan in de mestput en fosfaatverrekening aan te vragen. Zij wijst op de verklaring van

[naam 6] van [bedrijfsnaam 2] van 2 april 2015, waarin [naam 6] verklaart de op 11 juni 2013 aangevoerde mest in een mestcontainer te hebben gelost.

10. Eiseres heeft verder een berekening gemaakt op grond waarvan ze concludeert, dat zij -met fosfaatverrekening- binnen de fosfaatgebruiksnorm is gebleven.

11. Eiseres is het er overigens niet mee eens dat zij moet bewijzen dat zij de aangevoerde mest niet in of op de bodem heeft gebracht.

12. De rechtbank overweegt als volgt.

13. Artikel 7 van de Msw houdt een algeheel verbod in voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Als in strijd met het verbod wordt gehandeld, is dat volgens artikel 51 van de Msw een overtreding en mag verweerder de overtreder daarvoor een bestuurlijke boete opleggen. Alleen als binnen de gebruiksnormen wordt gebleven, geldt op grond van artikel 8 van de Msw een ontheffing van dat verbod en is van een overtreding geen sprake.

14. Volgens vaste rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) moet verweerder aantonen dat de overtreding is begaan. Dit betekent dat verweerder de aanwezigheid van mest (door aanvoer of eigen productie) moet aantonen. Als verweerder dat heeft gedaan mag worden aangenomen dat de mest in of op de grond van de betreffende landbouwer is gebracht. Het is dan aan de landbouwer om aannemelijk te maken dat de mest niet in of op zijn grond is gebracht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van

7 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:355) als één van de vele uitspraken waarin het CBb uitlegt wie wat moet bewijzen.

15. De rechtbank stelt vast dat over de in 2013 bij het bedrijf van eiseres aangevoerde en geproduceerde dierlijke mest tussen partijen geen geschil bestaat. Wat betreft de voormelde vier vrachten van 11 april 2013 op de namen: [naam 3, 4 en 5] , hebben de bestuurders van eiseres ter zitting nog eens bevestigd dat de vrachten bij het bedrijf van eiseres zijn aangevoerd.

16. Gelet op de voormelde vaste rechtspraak, mag verweerder dan aannemen dat eiseres de aangevoerde en geproduceerde mest in of op de bodem heeft gebracht, tenzij eiseres

-anders dan zij meent- aannemelijk maakt dat zij dat niet heeft gedaan.

17. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft te oordelen, dat het standpunt van verweerder, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december 2013 de door haar opgegeven mestvoorraad nog in voorraad had en dus niet heeft aangewend, een onjuist standpunt is.

Dat eiseres opslagruimte heeft, wil immers nog niet zeggen dat zij daarvan ook gebruik heeft gemaakt. Dat [naam 6] heeft verklaard dat hij de twee vrachten mest, die hij op 11 juni 2013 bij het bedrijf van eiseres heeft aangeleverd, in een container heeft gelost, betekent niet dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat de mest niet is aangewend. Bovendien is door [naam 7] , van de zijde van de onderneming van [naam 6] , op vragen van verweerder en naar aanleiding van GPS-gegevens verklaard, dat de laatste vracht die op 17 april 2013 bij het bedrijf van eiseres is aangevoerd en de twee vrachten van 11 juni 2013, niet in een container zijn gelost, maar op aanwijzing van [naam 1] zijn uitgereden. Aan de verklaring van [naam 6] van 2 april 2015 kan dan ook niet die waarde worden toegekend die eiseres daaraan toekent.

De omstandigheid dat eiseres niet heeft geweten dat ze op 17 april en 11 juni 2013 al teveel fosfaat in de grond had gebracht en, dat zij accuraat heeft gehandeld door de drie -op die dagen- aangevoerde vrachten op te slaan en fosfaatverrekening aan te vragen, doet geen afbreuk aan het standpunt van verweerder. Eiseres maakt hiermee immers niet aannemelijk dat ze de vrachten mest niet heeft aangewend.

18. Verweerder mocht er dan ook van uitgaan dat eiseres deze vrachten dierlijke mest op eigen grond heeft aangewend.

19. Dat mocht verweerder ook wat betreft de vier vrachten van 11 april 2013 die op de namen: [naam 3, 4 en 5] staan. De bestuurders van eiseres hebben ter zitting weliswaar betwist dat deze vier vrachten op percelen van eiseres zijn uitgereden, maar hebben hun verklaringen, dat de mest is uitgereden op naastgelegen percelen van [naam 3, 4 en 5] , niet onderbouwd met stukken die hun verklaringen steunen. De verklaringen geven daarom onvoldoende grond te oordelen dat verweerder er niet van mag uitgaan dat eiseres deze vrachten mest op eigen percelen heeft uitgereden.

20. Van de berekening die eiseres heeft gegeven en waaruit volgens haar blijkt dat zij binnen de fosfaatgebruiksnorm is gebleven, kan niet worden uitgegaan, omdat zij rekening heeft gehouden met mestopslag, terwijl dat, gelet op de hiervoor gegeven overwegingen, niet aannemelijk is gemaakt.

21. Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2013 binnen de fosfaatgebruiksnorm is gebleven, zoals uit de hiervoor gegeven overwegingen blijkt, was verweerder bevoegd haar een bestuurlijke boete op te leggen voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

22. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat eiseres geen verwijt van de overtreding kan worden gemaakt. Verweerder heeft eiseres dan ook een bestuurlijke boete kunnen opleggen.

De rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat de opgelegde boete niet evenredig is.

23. Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen slaagt het beroep niet. Het beroep is daarom ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit en daarmee de aan eiseres opgelegde boete van € 15.378,- in stand blijft.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Teeuwissen, voorzitter, mr. K.M.P. Jacobs en

mr. T. G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep

is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.