Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1271

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
5359674 CV 16-8809
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde gaat overeenkomst aan met hondentrainingcentrum. Gedaagde laat daarna niets meer van zich horen. Honden worden pas na een jaar opgehaald.

Gestelde betalingen komen niet vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5359674 \ CV EXPL 16-8809

Vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017

in de zaak van:

[eiser] , tevens h.o.d.n. DOGCENTRE HOLLAND,

wonend te [woonplaats eiser] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. J.H.E. de Beer (DAS Rechtsbijstand),

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adres gedaagde] ,

[woonplaats gedaagde] in conventie, eisende partij in reconventie,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.N. van Geenen.

Partijen worden verder in dit vonnis aangeduid als [eiser] en [gedaagde] .

1 De procedure

In conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de eis in reconventie

  • -

    het antwoord in reconventie

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de comparitie van 17 januari 2017. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen. Er is geen proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In conventie en in reconventie

2.1.

[eiser] voert een eenmanszaak onder de naam Dogcentre Holland. [eiser] exploiteert onder die naam een hondenopleidingscentrum en hondenpension.

2.2.

Partijen zijn in april 2015 een overeenkomst aangegaan. [eiser] zou tegen betaling de honden [hond 1] en [hond 2] , eigendom van [gedaagde] , in pension nemen.

2.3.

[eiser] heeft de honden vanaf 1 april 2015 in pension gehad. [gedaagde] heeft de honden op 31 maart 2016 opgehaald.

3 Het geschil

In conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert in conventie – samengevat – veroordeling van [gedaagde] partij tot betaling van € 4.831,56, terzake hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en vordert in reconventie afgifte van de hondenpaspoorten en vergoeding van een waardevolle halsband die door [eiser] is achtergehouden.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

[gedaagde] is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter comparitie van 17 januari 2017 verschenen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft desgevraagd verklaard niet te weten wat de reden van haar afwezigheid is. De gemachtigde heeft voorts aangegeven dat hij reeds geruime tijd geen contact met zijn cliënte heeft kunnen krijgen. De kantonrechter zal uit het niet verschijnen ter terechtzitting de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.2.

[eiser] vordert in deze procedure de kosten die zij gedurende een jaar heeft gemaakt in verband met de verzorging en training van de twee honden van [gedaagde] . Het komt er in feite op neer dat [gedaagde] de honden bij [eiser] in pension heeft gegeven en zich daarna niet meer om de honden heeft bekommerd. [gedaagde] heeft bij aflevering van de honden een bedrag van € 100,00 aanbetaald. Deze aanbetaling is aangetekend op het inschrijfformulier. [eiser] heeft voor het eerst op 21 maart 2016 een factuur aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] heeft per bank nog € 700,00 betaald en bij het ophalen van de honden heeft [gedaagde] een bedrag van € 800,00 aan de floormanager van [eiser] overhandigd. [eiser] heeft bij dagvaarding volledig rekening gehouden met de door [gedaagde] gedane betalingen.

4.3.

[gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat zij bij aanvang van de overeenkomst een bedrag van € 1.100,00 heeft voldaan. [gedaagde] betwist dat er voorafgaand aan de overeenkomst prijsafspraken tussen partijen zijn gemaakt. [gedaagde] stelt voorts dat zij de factuur van [eiser] van 21 maart 2016 niet heeft ontvangen. In reconventie stelt [gedaagde] dat [eiser] de hondenpaspoorten en een waardevolle halsband heeft achtergehouden.

4.4.

De kantonrechter overweegt het navolgende.

4.5.

[eiser] heeft ter zitting de feitelijke gang van zaken bij aanvang van de overeenkomst – en in het bijzonder wat betreft de gemaakte prijsafspraken met [gedaagde] –nader toegelicht. De gemachtigde van [gedaagde] heeft hierop bij gebrek aan wetenschap niet kunnen anticiperen. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van de door [eiser] afgelegde verklaring.

4.6.

De kantonrechter stelt vervolgens vast dat [gedaagde] geen betalingsbewijs heeft overgelegd van de door haar gestelde betaling van € 1.100,00. [gedaagde] heeft bij antwoord aangevoerd dat haar neefje [X] bij de betaling van € 1.100,00 aanwezig was, hetgeen ter zitting door [eiser] is betwist. De betaling vond plaats in het kantoor van [eiser] , terwijl neefje [X] buiten stond te wachten. [gedaagde] heeft dit standpunt van [eiser] met haar afwezigheid niet kunnen weerleggen. Daarnaast heeft [gedaagde] bij de aantekening op het inschrijfformulier, dat zij een aanbetaling van € 100,00 heeft gedaan, haar handtekening geplaatst. De kantonrechter stelt vast dat deze handtekening nagenoeg identiek is aan de handtekening op het ID-bewijs van [gedaagde] , dat door haar gemachtigde ter zitting in kopie aan de kantonrechter is getoond. Naar het oordeel van de kantonrechter komt de door [gedaagde] gestelde betaling van € 1.100,00 dan ook niet in rechte vast te staan en de kantonrechter zal het op dit punt door [gedaagde] gevoerde verweer passeren.

4.7.

[eiser] heeft per mail van 1 april 2015 de aan haar verstrekte opdracht bevestigd. [gedaagde] heeft daarop bij e-mailbericht van 20 mei 2015 gereageerd en zegt daarin betaling toe. Daaruit moet worden afgeleid dat zij de factuur van [eiser] heeft ontvangen althans dat zij daarvan kennis heeft genomen, hetgeen niet strookt met haar nadien betrokken standpunt dat de factuur van eiseres haar nooit heeft bereikt.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de vordering in conventie als niet althans onvoldoende weersproken aan [eiser] dient te worden toegewezen

4.9.

Ten aanzien van de reconventionele vordering wordt het navolgende overwogen.

4.10.

[eiser] heeft ter zitting de betreffende hondenpaspoorten aan de gemachtigde van [gedaagde] overhandigd. De gemachtigde heeft toegezegd voor afgifte van de paspoorten aan [gedaagde] te zullen zorgdragen.

4.11.

De vordering ten aanzien van de afgifte van de halsband zal worden afgewezen. [eiser] heeft ter zitting daartegen aangevoerd dat zij volledig onbekend is met de betreffende halsband en dat het gebruikelijk is dat enkel haar eigen materialen in de kennel worden gebruikt. Ook nu heeft [gedaagde] door haar afwezigheid haar stellingen op dit punt niet nader kunnen onderbouwen. De kantonrechter zal daaraan dan ook voorbij gaan.

4.12.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 80,77

  • -

    griffierecht 223,00

  • -

    salaris gemachtigde conventie 400,00 ( 2 x tarief € 200,00)

  • -

    salaris gemachtigde reconventie 200,00 ( 2 x 0,5 x tarief € 200,00)

totaal € 903,77

4.14.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.15.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

In conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.831,56, vermeerderd met de wettelijke rente over € 4.278,69 vanaf 11 juni 2016 tot aan de voldoening,

In reconventie:

5.2.

wijst de vordering ten aanzien van de teruggave van de halsband af,

In conventie en in reconventie:

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 903,77,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst – voor zoveel nodig – het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ph

coll: plg