Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1256

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
5320260 cv16-8336
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering niet gegrond op pachtovereenkomst. Energieverbruik bedrijf: vast bedrag of voorschot? Schadevergoeding niet onderbouwd. Geen vergoeding voor gebruik van ruimten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5320260 \ CV EXPL 16-8336

Vonnis van de kantonrechter van 15 februari 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] AGRO B.V.,

gevestigd te Venlo,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. W.O. Dijkstra, DAS Rechtsbijstand,

tegen:

1 de maatschap MTS. [Y] ,
gevestigd te [vestigingsplaats maatschap] ,

2. [gedaagde 2] , maat van gedaagde sub 1,
wonend [adres gedaagde 2] ,
[woonplaats gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3] , maat van gedaagde sub 1,
wonend [adres gedaagde 3] ,
[woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde R. van Mulligen-Hamming, Stichting Achmea Rechtsbijstand.

Partijen zullen hierna [X] agro B.V. en Maatschap [Y] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de op 12 januari 2017 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Door middel van een op 31 december 2013 ondertekende overeenkomst (“huurovereenkomst gebouwen”) heeft [de heer X] aan de maatschap [Y] een veestalling (een ligboxenstal inclusief melkstal en een jongveestal), een mestsilo, een sleufsilo en een voerplaat gelegen aan de [adres gehuurde] (hierna: het gehuurde) verhuurd.

2.2.

De overeenkomst bepaalt dat deze is aangegaan op 1 september 2013 en duurt tot 1 januari 2014, alsmede dat deze overeenkomst zonder opzegging kan worden voortgezet.

Met betrekking tot de huurprijs is bepaald dat deze € 1.000,00 per maand exclusief nutsvoorziening bedraagt, maandelijks te voldoen en voor het eerst eind september 2013.

2.3.

Op het terrein van het gehuurde, bevindt zich een eigen waterbron voorzien van een bronneringsysteem.

2.4.

Per 1 januari 2014 heeft [de heer X] het gehuurde verkocht aan DCGV.

DCGV heeft de huurovereenkomst met Maatschap [Y] voortgezet.

[de heer X] , directeur van [X] agro B.V., is in het woonhuis op hetzelfde terrein als het gehuurde, blijven wonen. Eind september 2015 is de huurovereenkomst geëindigd.

2.5.

Bij factuur van 28 november 2015 heeft [X] agro B.V. aan de Maatschap [Y] een bedrag van € 10.299,42 in rekening gebracht bestaande uit € 8.814,30 voor energieverbruik over de periode 6 september 2013 tot en met 15 september 2015 en
€ 1.485,12 voor waterverbruik over de periode 30 oktober 2013 tot en met 4 november 2015. De factuur vermeldt een betalingstermijn van 14 dagen.

2.6.

Eveneens bij factuur van 28 november 2015 heeft [X] agro B.V. aan de Maatschap [Y] een bedrag van € 824,71 in rekening gebracht, vanwege ‘reparatie slang’ (€ 217,99), ‘onderhoudsbeurt Remon’ (€ 543,12), ‘fresen graskant’
(€ 31,80) en ‘30 zandslurven’ (€ 31,80) te betalen binnen 14 dagen.

2.7.

Ondanks aanmaningen heeft Maatschap [Y] voornoemde facturen onbetaald gelaten. In de brief van de gemachtigde van [X] agro B.V. van 6 april 2016 is aanspraak gemaakt op de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 886,20. Bij brief van 9 mei 2016 heeft de gemachtigde van Maatschap [Y] gereageerd.

2.8.

Maatschap [Y] heeft DLV Advies een deskundigenrapport laten uitbrengen (overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie) om inzicht te verschaffen in onder meer de kosten van de nutsvoorzieningen voor het melkbedrijf.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[X] agro B.V. vordert – samengevat – veroordeling van Maatschap [Y] tot betaling van € 11.124,14, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Zij voert verweer tegen de vordering in reconventie.

3.2.

Maatschap [Y] vordert in reconventie – samengevat – veroordeling van [X] agro B.V. tot betaling van € 8.250,00 vermeerderd met de kosten voor het opstellen van het rapport van DLV en proceskosten. Zij voert verweer tegen de vordering in conventie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

De bevoegdheid van de kantonrechter

4.1.

Alhoewel de overeenkomst tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter als een overeenkomst van pacht en niet als een overeenkomst van huur moet worden gekwalificeerd, is de kantonrechter van oordeel dat zij desalniettemin bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. De vorderingen over en weer vloeien immers niet rechtstreeks voort uit de pachtovereenkomst maar enerzijds uit nadere afspraken tussen partijen met betrekking tot de levering van nutsvoorzieningen en diensten en anderzijds (in reconventie) uit onrechtmatige daad. De kantonrechter ziet dus geen aanleiding zich onbevoegd te verklaren.

in conventie

4.2.

[X] agro B.V. baseert haar vordering tot betaling van energie- en waterverbruik op een daarover gemaakte afspraak tussen partijen. De gevorderde energiekosten zijn gebaseerd op de opgenomen meterstanden en de berekening zoals die door [X] agro B.V. is ontvangen van Main Energie (productie 2 bij dagvaarding). In die berekening is op het totale gemeten verbruik zowel in de piekuren als in de daluren telkens 15.000 kWh voor eigen verbruik van [X] agro B.V. in mindering gebracht. Maatschap [Y] heeft de meterstanden, de hoogte van het eigen verbruik van [X] agro B.V. noch de energierekening als zodanig weersproken. Maatschap [Y] heeft zich bij wijze van verweer enkel op het standpunt gesteld dat een vast bedrag van € 375,00 per maand is overeengekomen voor het energieverbruik en dat zij vanaf oktober 2014 geheel geen energie meer heeft verbruikt omdat vanaf die maand geen melkvee meer op het bedrijf aanwezig was. De kantonrechter verwerpt het verweer van Maatschap [Y] aangezien de door [X] Agro B.V. in rekening gebrachte bedragen zijn gebaseerd het werkelijke verbruik en het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om vooruitlopend op de jaarafrekening maandelijks een voorschot te betalen dat later wordt verrekend met de eindafrekening. Een vast bedrag ligt, zeker bij bedrijven, niet voor de hand.

Voor zover Maatschap [Y] aan de hand van het rapport van DVL alsnog heeft willen betogen dat zij minder energie heeft verbruikt dan [X] agro B.V. stelt, merkt de kantonrechter op dat de berekeningen van DVL niet zijn gebaseerd op het werkelijke verbruik, maar op het (niet onderbouwde) veronderstelde gemiddelde verbruik van een soortgelijk melkveebedrijf en op basis van schattingen van het verbruik van de verondersteld aanwezige elektrische installaties en apparaten.

Nu Maatschap [Y] de onderbouwde vorderingen met betrekking tot de daadwerkelijke kosten van het energieverbruik [X] agro B.V. op dit punt onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, zal zij veroordeeld worden tot betaling van het gevorderde bedrag van € 8.814,31.

4.3.

Ten aanzien van het door [X] Agro B.V. gevorderde bedrag van € 1.485,12 voor WML drinkwater overweegt de kantonrechter dat uit de afrekeningen van WML blijkt dat deze op naam zijn gesteld van [de heer X] (in privé). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dus niet in te zien dat [X] agro BV uit dien hoofde enige vordering op Maatschap [Y] heeft, nog daargelaten het verweer van Maatschap [Y] dat zij alleen bronwater heeft gebruikt. De kantonrechter zal dit deel van de vordering van [X] agro B.V. dan ook afwijzen.

4.4.

[X] agro B.V. vordert verder een bedrag van € 543,12, zijnde 50% van het totaal van de van Remon Service B.V. ontvangen facturen met betrekking tot onderhoud aan het bronneringsysteem. Maatschap [Y] heeft aangegeven bereid te zijn dit bedrag te betalen en heeft dus de vordering niet weersproken, zodat deze zal worden toegewezen.

4.5.

Volgens [X] agro B.V. is Maatschap [Y] haar een bedrag van
€ 217,99 verschuldigd vanwege reparatiekosten van de hogedrukslang. Deze slang is eigendom van [X] agro BV en werd dagelijks gebruikt door Maatschap [Y] , althans dat is door Maatschap [Y] niet betwist. Ter comparitie is duidelijk geworden dat alhoewel de noodzaak tot reparatie is veroorzaakt door Maatschap [Y] , de opdracht tot reparatie door [X] agro BV is gegeven.

Ook is duidelijk geworden dat de hogedrukslang al eens eerder is gerepareerd en dat de kosten daarvan toen € 40,00 bedroegen, welk bedrag is voldaan door Maatschap [Y] . Bij gebreke van een verdere onderbouwing van de aan de orde zijnde factuur, is de kantonrechter van oordeel dat Maatschap [Y] thans niet hoefde te verwachten dat de kosten van de tweede reparatie (van hetzelfde gebrek) hoger zouden uitvallen dan die van de eerste reparatie. De kantonrechter acht dan ook enkel een bedrag van € 40,00 toewijsbaar, tot betaling waarvan Maatschap [Y] zich ook bereid heeft verklaard en waartoe zij thans zal worden veroordeeld.

4.6.

[X] agro B.V. vordert ten slotte een bedrag van € 31,80 voor het frezen van de graskant(en) alsmede € 31,80 in verband met de verkoop van 30 zandslurven. Maatschap [Y] betwist opdracht voor het frezen te hebben gegeven en de aankoop van de zandslurven betwist. De kantonrechter is van oordeel dat deze vorderingen volstrekt onvoldoende onderbouwd zijn zowel wat betreft de hoogte van de gevorderde bedragen als wat betreft de vermeende (overeenkomsten van) opdracht en verkoop, zodat afwijzing daarvan zal plaatsvinden.

4.7.

Uit al het voorgaande volgt dat een bedrag van € 9.397,43 aan [X] agro B.V. zal worden toegewezen. Over het verschuldigde heeft [X] agro B.V. de wettelijke handelsrente gevorderd vanaf 28 november 2015, zijnde de datum van de facturen. Gelet echter op de in de factuur gestelde betalingstermijn van 14 dagen is Maatschap [Y] pas in verzuim geraakt op 13 december 2015, zodat de wettelijke handelsrente eerst vanaf die datum toewijsbaar is.

[X] agro B.V. vordert een bedrag van € 886,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Nu het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger is dan het in het Besluit bepaalde tarief, zal de kantonrechter het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde een bedrag van € 844,87.

in reconventie

4.8.

Maatschap [Y] vordert in reconventie betaling van een bedrag van in totaal € 8.250,00 vanwege door haar geleden schade. De schade is opgebouwd uit (a) schade als gevolg van de overdracht van de ziekte Neospora op het melkvee van Maatschap [Y] via de honden van [X] , (b) schade aan de vlotters in de waterbakken als gevolg van het afsluiten van het water door [X] en (c) schade door het verwijderen van alle verlichting uit het gehuurde door [X] , een en ander tesamen tot een bedrag van minimaal € 5.000,00. Voorts wordt een bedrag gevorderd van € 3.250,00 als vergoeding voor (d) het gebruiken van bergingsruimte en mestsilo door [X] . Daarnaast vordert Maatschap [Y] betaling van (e) de kosten van het rapport van DLV.

De kantonrechter stelt vast dat Maatschap [Y] ook nog heeft betoogd een bedrag van € 557,00 van [X] tegoed te hebben vanwege teveel betaalde energiekosten, maar nu zij een dergelijk bedrag niet vordert en een dergelijke vordering gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2. al is overwogen beslist geen kans van slagen heeft, behoeft dit punt thans geen (verdere) beoordeling.

4.9.

Ten aanzien van de onder (a) gevorderde schade door Neospora overweegt de kantonrechter dat deze schade in het geheel niet is onderbouwd (met bijvoorbeeld verklaringen dan wel facturen van een dierenarts, data, aantal dieren). In het rapport van DLV wordt enkel bloot gesteld dat 4 koeien Neospora bleken te hebben en dat dat Maatschap [Y] minimaal € 5.000,00 gekost zou hebben door vervroegde ruiming van het melkvee en een dood kalf. Het had op de weg van Maatschap [Y] gelegen om (minimaal) de gemaakte kosten inzichtelijk te maken, nog daargelaten de vraag of het causaal verband met de aanwezigheid van de honden van [X] kan worden vastgesteld en of het dan [X] agro B.V. is die daarvoor aansprakelijk te houden is.

Datzelfde geldt voor de schade aan de waterbakken (b) en gestelde schade (c) door het verwijderen van de verlichting door [X] (in privé?). Met betrekking tot dat laatste geldt bovendien dat het rapport van DLV (op pagina 11) vermeldt dat op het bedrijf van Maatschap [Y] geen aantoonbare schade is.

Ter comparitie is wel komen vast te staan dat [X] of [X] agro B.V. de bergingsruimte en mestsilo in gebruik heeft gehad terwijl die volgens de verklaring van Maatschap [Y] tot het door haar gehuurde behoorden. Ten aanzien van dat laatste is door [X] agro B.V. verklaard dat haar dat onbekend was. Niet gebleken is dat Maatschap [Y] [X] agro B.V. op enig moment in die twee jaar dat zij het gehuurde in gebruik had, (schriftelijk) verzocht heeft het gebruik door [X] agro B.V. te staken, bij gebreke waarvan aanspraak zou worden gemaakt op een vergoeding voor het gebruik. Reden waarom een vergoeding als sub d gevorderd, naar het oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar is. Ook de gevorderde kosten van het deskundigenrapport (e) zijn in het geheel niet onderbouwd, zodat om die reden ook die kosten zullen worden afgewezen. De vordering in reconventie wordt aldus volledig afgewezen.

in conventie en in reconventie

4.10.

De kantonrechter ziet geen aanleiding Maatschap [Y] alsnog tot bewijslevering toe te laten.

4.11.

Maatschap [Y] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [X] agro B.V. worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 88,58

  • -

    griffierecht 941,00

  • -

    salaris gemachtigde 750,00 (2,5 x tarief € 300,00)

totaal € 1.779,58

waarbij de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00.

4.12.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter

in conventie

5.1.

veroordeelt Maatschap [Y] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] agro B.V. te betalen een bedrag van € 10.242,30, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 9.397,43 vanaf 13 december 2015 tot aan de voldoening,

in conventie en in reconventie

5.2.

veroordeelt Maatschap [Y] in de proceskosten aan de zijde van [X] agro B.V. gevallen en tot op heden begroot op € 1.779,58, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

5.3.

veroordeelt Maatschap [Y] onder de voorwaarde dat deze niet binnen 2 weken na aanschrijving door [X] agro B.V. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs- van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: mjp/JS

coll: em