Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:1249

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 544u
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouw van een supermarkt op plaats waar thans nog een ander gebouw staat. Omgevingsverguning verleend met ontheffing van bepaling in bouwverordening dat parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Relativiteitsvereiste staat in dit geval aan behandeling van de beroepsgronden tegen de ontheffing in de weg, gelet op de afstand tussen de supermarkt van eiseressen en de openbare parkeerplaatsen waarmee in de parkeerbehoefte van het bouwplan kan worden voorzien.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/65 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
AR 2017/925
AR 2017/1972
AR 2017/1987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2017 in de zaak tussen

[eiseres 1] en [eiseres 2] te [vestigingsplaats] , eiseressen

(gemachtigde: mr. J.P. Hoegee),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gennep, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. Hasper).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [vestigingsplaats]

(gemachtigde: mr. C.F. Geerdes).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een supermarkt aan [adres] .

Bij besluit van 2 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting op 24 november 2016 gevoegd behandeld met het beroep AWB 16/544. Eiseressen, verweerder en [belanghebbende] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens [belanghebbende] zijn tevens verschenen [naam] en [naam] .

Na de zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elke zaak separaat uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. [belanghebbende] wenst in [plaats] een nieuwe supermarkt te realiseren en heeft daartoe op 13 februari 2015 bij verweerder een omgevingsvergunning aangevraagd. De supermarkt is geprojecteerd op percelen waar thans nog een oud kantoorgebouw (voormalig belastingkantoor) staat. Dit gebouw zal gesloopt worden. De gebruiksvloeroppervlakte van de supermarkt wordt 1777 m².

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. Deze vergunning is verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Omdat niet op eigen terrein in de parkeerbehoefte van de supermarkt kan worden voorzien is, met inachtneming van het Parkeerbeleidsplan gemeente Gennep 2007, ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30 van de Bouwverordening. Daarbij is ervan uitgegaan dat van de 68 benodigde parkeerplaatsen 46 parkeerplaatsen kunnen worden gesaldeerd met de parkeerbehoefte van het bestaande, te slopen, belastingkantoorgebouw, dat 11 parkeerplaatsen op eigen terrein van [belanghebbende] kunnen worden gevonden en dat de gemeente in de openbare ruimte 11 parkeerplaatsen zal aanleggen. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat de dakhelling kleiner is dan 20%. De vergunning voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder 2 sub 2°, van de Wabo juncto artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

3. [eiseres 1] is exploitant van een [supermarktvestiging] in [plaats] . [eiseres 2] is verhuurder van het pand waarin deze [supermarktvestiging] is gevestigd. Eiseressen hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, na advies te hebben ingewonnen bij de Commissie Bezwaarschriften Gennep, de vergunning gewijzigd en de motivering van het primaire besluit aangepast. De wijzigingen houden het volgende in:

- de bouwtekeningen zijn gewijzigd doordat de laad- en loszone is voorzien van een schuin dak in plaats van een plat dak (het schuine hoofddak loopt nu in één lijn met het schuine dak boven de laad- en loszone);

- er is tevens een vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (aanlegvergunning) voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de nabijheid van archeologische vindplaatsen;

- de parkeerbehoefte van de supermarkt (68 parkeerplaatsen) is ingevuld door deze te salderen met de parkeerbehoefte in openbaar gebied van het bestaande belastingkantoorgebouw (46 parkeerplaatsen minus de 11 parkeerplaatsen op het eigen terrein van het belastingkantoor), door 11 parkeerplaatsen op het terrein van [belanghebbende] aan te leggen en door 22 (in plaats van 11) parkeerplaatsen die door de gemeente in de openbare ruimte zullen worden aangelegd. Met het oog op deze 22 parkeerplaatsen heeft verweerder op 26 januari 2016 met [belanghebbende] een exploitatieovereenkomst gesloten.

5 Eiseressen hebben in beroep, kort samengevat, het volgende aangevoerd:

- de aanpassing van het dak van de laad- en loszone houdt een wijziging van de aanvraag in die niet van ondergeschikte aard is, want de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw is veranderd; de wijziging is dus een nieuwe aanvraag;

- de aanlegvergunning is niet aangevraagd en kon dus niet worden verleend, zodat het bouwplan geen doorgang kan vinden; dit is ook van belang omdat, nu de aanlegvergunning als beslissing op bezwaar is genomen, het parkeerbeleid uit 2007 van toepassing is in plaats van het recente, strengere, parkeerbeleid en de aanlegvergunning niet is gepubliceerd, zodat derden hierin niet zijn gekend;

- eiseressen hebben belang bij handhaving van de parkeereisen van de Bouwverordening, omdat de invulling van de parkeerbehoefte van de supermarkt van [belanghebbende] van invloed is op de beschikbare parkeerplaatsen in de buurt van de [supermarktvestiging] ;

- verweerder heeft ten onrechte gesaldeerd met parkeerplaatsen van het belastingkantoorgebouw, want dit gebouw staat al lang leeg;

- voorzover er wel gesaldeerd mocht worden had verweerder, gelet op het advies van de bezwaarcommissie, om de te salderen parkeerbehoefte van het belastingkantoorgebouw vast te stellen, moeten onderzoeken of functies van dit kantoorgebouw zijn overgenomen, dit onderzoek heeft echter niet plaatsgevonden; eiseressen achten het niet mogelijk die parkeerbehoefte vast te stellen, nu niet duidelijk is welke bestaande functies daarbij gehanteerd moeten worden; volgens eiseressen is hoogstens de functie kinderdagverblijf als een reële te hanteren functie te beschouwen, wat zou betekenen dat 6 parkeerplaatsen kunnen worden gesaldeerd;

- er is in dit geval gelet op de overwegingen in het Parkeerbeleidsplan uit 2007 onvoldoende aanleiding om af te wijken van de norm dat parkeerruimte op eigen terrein moet worden ingevuld;

- er is na de herinrichting van het [adres] en omgeving niet goed onderzocht of op de zaterdagmiddag voldoende parkeerplaatsen in het openbare gebied beschikbaar zijn;

- de realisering van de 22 parkeerplaatsen is onvoldoende verzekerd, er is geen ruimte voor die parkeerplaatsen binnen 500 meter van de supermarkt van [belanghebbende] .

6. De rechtbank heeft te beoordelen of verweerder in het licht van de beroepsgronden de omgevingsvergunning voor de supermarkt terecht heeft verleend. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo kent een limitatieve opsomming van gronden om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo te weigeren. Dit houdt in dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo slechts mag en moet worden geweigerd in de in het artikel opgesomde gevallen.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening.

8. Nu [eiseres 1] exploitant is van een [supermarktvestiging] in [plaats] en [eiseres 2] verhuurder is van het pand waarin deze supermarkt is gevestigd zijn eiseressen als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te beschouwen. De rechtbank acht hen ontvankelijk in het beroep.

9. Verder dient de rechtbank, alvorens te kunnen ingaan op de door eiseressen aangevoerde inhoudelijke gronden van het beroep, te beoordelen of aan eiseressen of één van hen, het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb dient te worden tegengeworpen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. Daarbij heeft in dit beroep te gelden dat indien en voorzover de beroepsgronden niet aan één van de eisers kan worden tegengeworpen, de vraag of de betreffende grond aan de andere eiser(s) kan worden tegengeworpen niet meer beantwoord hoeft te worden (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [Afdeling] van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS2015:1530, onder 23.7). De rechtbank zal hierna per beroepsgrond het relativiteisvereiste aan de orde stellen.

10 De wijziging van het dak van het laad- en losdock

10.1.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond betreffende de wijziging van de aanvraag in verband met de verandering van het dak van het laad- en losdock afstuit op het relativiteitsvereiste. De [supermarktvestiging] bevindt zich op een kleine 400 meter afstand van de geplaande supermarkt van [belanghebbende] . Deze afstand is te groot om te kunnen zeggen dat eiseressen door voornoemde wijziging van de aanvraag in hun belangen worden getroffen. Eiseressen hebben ook geen enkel zicht op het laad- en losdock. Dit betekent dat de rechtbank de betreffende beroepsgrond buiten beschouwing laat.

11 De aanlegvergunning

11.1.

De beroepsgrond met betrekking tot de in bezwaar verleende aanlegvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de nabijheid van archeologische vindplaatsen stuit naar het oordeel van de rechtbank eveneens af op het relativiteisvereiste. Op grond van artikel 26.3.1, onder j, van de bestemmingsplanvoorschriften is een omgevingsvergunning nodig indien zich, zoals in het onderhavige geval, binnen een straal van 50 meter een archeologische vindplaats bevindt. Deze bepaling strekt tot bescherming van het algemeen belang van het behoud van archeologische waarden en aldus kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eiseressen. Op de door eiseressen genoemde, in verband met de aanlegvergunning gevolgde, procedure kunnen zij zich naar het oordeel van de rechtbank daarom ook niet met vrucht beroepen. Voor het argument dat derden niet op de hoogte konden zijn van de aanlegvergunning komt daar nog bij dat dit niet hun eigen belangen raakt. De door eiseressen in dit verband genoemde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS2014:2066, heeft geen betrekking op het relativiteitsvereiste. Daargelaten of bovengenoemde beroepsgrond zou slagen, laat de rechtbank deze dan ook buiten beschouwing, nu artikel 8:69a van de Awb er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden kan worden vernietigd.

12. De ontheffing van de bouwverordening in verband met de benodigde parkeerruimte van de supermarkt van [belanghebbende] .

12.1.

Op grond van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Gennep dient, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft ten behoeve van het parkeren van auto's in voldoende mate ruimte te zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Op grond van het vierde lid kan het bevoegde gezag de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het eerste lid indien (a) het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of (b) voor zover op andere wijze in de nodige parkeerruimte wordt voorzien.

12.2.

Voornoemde bepalingen strekken ertoe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn teneinde onder meer parkeeroverlast in de directe omgeving van de gronden waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen. Gelet op de afstand van de [supermarktvestiging] tot het gebied waar aan de parkeerbehoefte van de supermarkt van [belanghebbende] invulling kan worden gegeven, is er geen aanleiding te verwachten dat dit gevolgen zal hebben op de parkeermogelijkheden in de nabijheid van de [supermarktvestiging] . De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitkomsten van de na de herinrichting van het [adres] en omgeving uitgevoerde parkeeronderzoek die verweerder en [belanghebbende] in het geding hebben gebracht. Daaruit blijkt dat reeds op ongeveer 100 meter loopafstand van de supermarkt van [belanghebbende] de betreffende parkeerbehoefte kan worden ingevuld. Daarom kan niet worden gezegd dat de parkeereisen in de Bouwverordening de belangen van eiseressen beschermen. Gesteld noch gebleken is dat door het verlenen van ontheffing van deze eisen het vertrouwensbeginsel dan wel het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De beroepsgronden van eiseressen betreffende deze ontheffing dienen dus buiten beschouwing te blijven.

13. Nu de beroepsgronden niet tot vernietiging van het bestreden besluit kunnen leiden, is het beroep van eiseressen ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 februari 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.