Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12405

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
5907481 \ CV EXPL 17-3573
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van reparatiekosten. Verweer van gedaagde partij dat de overeenkomst onder opschortende voorwaarde is aangegaan, is niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5907481 \ CV EXPL 17-3573

Vonnis van de kantonrechter van 20 december 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AUTOSCHADE HORST B.V ,

gevestigd te 5961 PV Horst,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.M.F.A. Paulussen,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. MJ.T.M. Verstegen, Arag SE.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de comparitie van partijen op 27 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In of omstreeks april 2015 heeft gedaagde partij contact gezocht met eisende partij in verband met schade aan haar auto. De cabriokap sloot niet meer (goed) en in december 2014 was schade geleden aan het achterscherm.

2.2.

Bij offerte van 14 april 2015 heeft eisende partij aangeboden om de werkzaamheden uit te voeren voor een bedrag van € 2.734,60 inclusief btw.

2.3.

Nadat gedaagde partij de auto had afgegeven, is eisende partij tot reparatie overgegaan. De beschadigde stukken zijn bewaard.

2.4.

Bij facturen van 19 mei 2015 zijn de kosten voor beide reparaties in rekening gebracht, zijnde € 482,06 voor de werkzaamheden aan de cabriokap (factuurnummer 00104265) en € 2.734,60 voor het herstellen van de schade uit december 2014 (factuurnummer 00104266). Beide facturen zijn onbetaald gebleven.

2.5.

Op aanraden van eisende partij heeft gedaagde partij zich tot de Stichting Waarborgfonds gewend in verband met een mogelijke vergoeding. Een schade-expert van Dekra heeft de schade geïnspecteerd en vervolgens heeft Stichting Waarborgfonds de claim afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 3.216,66 aan hoofdsom, € 446,67 aan buitengerechtelijke kosten, € 3.000,00 aan schade en een bedrag gelijk te stellen aan de wettelijke rente over € 558,26. Verder vordert eisende partij vergoeding van rente en (na)kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op 27 november 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen hebben daarbij hun stellingen mondeling toegelicht. Namens gedaagde partij is de echtgenoot, de heer [echtgenoot gedaagde partij] verschenen.

4.2.

De heer [echtgenoot gedaagde partij] erkent ter zitting de verschuldigdheid van de factuur ad € 482,02 met factuurnummer 00104265 en verklaart in de veronderstelling te verkeren dat deze factuur reeds was voldaan. Nu betaling nog niet heeft plaatsgevonden, kan dit deel van de vordering worden toegewezen, evenals de daarover gevorderde rente.

4.3.

Ten aanzien van de factuur ad € 2.734,60 met factuurnummer 00104266 voert gedaagde partij het verweer dat een voorwaardelijke verbintenis is aangegaan. Enkel en alleen als Stichting Waarborgfonds de schade zou uitkeren, zou tot reparatie mogen worden overgegaan. Aan deze opschortende voorwaarde is echter niet voldaan. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake.

Ter zitting verklaart de heer [echtgenoot gedaagde partij] dat de schade reeds maanden geleden was toegebracht. Indien en voor zover gedaagde partij de schade op eigen kosten had willen laten herstellen, dan had zij dit al eerder laten doen.

4.4.

Eisende partij stelt dat van een opschortende voorwaarde geen sprake is. Eerst bij het inleveren van de auto ter reparatie is eventuele vergoeding door Stichting Waarborgfonds aan de orde gekomen. Een voorbehoud is door gedaagde partij niet gemaakt. Bij het ophalen van auto noch bij ontvangst van de facturen is geprotesteerd tegen de uitgevoerde reparatie.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van gedaagde partij moet worden verworpen en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat gedaagde partij opdracht heeft gegeven voor de reparatiewerkzaamheden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat gedaagde partij daadwerkelijk de auto ter reparatie heeft aangeboden voordat zij duidelijkheid had verkregen van Stichting Waarborgfonds over de vergoeding van de schade.

Dat aan de verbintenis een opschortende voorwaarde is verbonden, is niet komen vast te staan. Gedaagde partij stelt dit wel, maar onderbouwt dit verweer niet. Zo is op de offerte dan wel de aanvaarding daarvan geen enkel voorbehoud gemaakt. Ook nadat de auto gerepareerd was, heeft gedaagde partij deze kennelijk zonder een enkele opmerking meegenomen. Na ontvangst van de betreffende factuur is evenmin geprotesteerd en een beroep gedaan op de gestelde opschortende voorwaarde.

4.6.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van eisende partij gebaseerd op het factuurbedrag van € 2.734,60 kan worden toegewezen, evenals de daarover gevorderde rente.

4.7.

Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW vereist.

4.8.

Eisende partij vordert verder een bedrag van € 3.000,00 aan schade die geleden is door het uitzoeken, bestuderen en aanvechten van de wanprestatie van gedaagde partij. Eisende partij stelt gemiddeld € 60,00 per uur omzet en 50 uur heeft moeten investeren.

Hoewel hiertegen door gedaagde partij geen verweer is gevoerd, wijst de kantonrechter dit deel van de vordering af bij gebrek aan feitelijke onderbouwing.

Hetzelfde lot treft de gevorderde rente over een bedrag van € 558,26. Het betreft immers een betaling aan de Belastingdienst en ter zake is geen verzuim van gedaagde partij ingetreden. Voor analoge toepassing van de regels van wettelijke rente dan wel aansluiting daarbij, ziet de kantonrechter geen aanleiding.

4.9.

Het ongespecificeerde bewijsaanbod van gedaagde partij wordt verworpen.

4.10.

Nu partijen over en weer in het (on)gesteld zijn gesteld, zullen de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 3.216,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen tot aan de voldoening,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: