Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12403

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
6290609 \ CV EXPL 17-7161
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van contributie fitnessclub. De fitnessclub heeft de toegang tot de sportfaciliteiten opgeschort. Indien weer betaald wordt door gedaagde partij herleeft de verplichting van de fitnessclub, te weten te toelaten van gedaagde tot de sportfaciliteiten. Een veroordeling daarvoor kan niet worden opgenomen, omdat geen eis in reconventie is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6290609 \ CV EXPL 17-7161

Vonnis van de kantonrechter van 20 december 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEALTHCLUB WEERT BV, m.h.o.d.n. MY HEALTHCLUB EN YOUR GYM,

gevestigd te Weert,

eisende partij,

gemachtigde AGIN Boeder Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een fitnessabonnement gesloten voor de duur van een jaar. Eisende partij stelt sportfaciliteiten ter beschikking en gedaagde partij betaalt maandelijks contributie ad € 18,95.

Gedaagde partij is in gebreke gebleven met correcte betaling van de periodieke contributie. Er is slechts een maand aan contributie voldaan.

2.2.

Bij brief van 6 oktober 2016 is gedaagde partij verzocht om tot betaling van een bedrag van € 48,40 (€ 43,40 contributie en € 5,00 administratiekosten) over te gaan. Dit verzoek is herhaald bij brief van 11 oktober 2016.

2.3.

Bij brief van 9 november 2016 verlangt eisende partij betaling van een bedrag van € 208,45. In deze brief is verder vergoeding van incassokosten aangezegd.

Bij brieven van 12 december 2016 en van 19 december 2016 is gedaagde partij tot betaling gemaand en zijn rechtsmaatregelen aangezegd.

2.4.

Bij e-mail van 10 januari 2017 heeft gedaagde partij om inlichtingen bij de gemachtigde van eisende partij gevraagd. Bij die e-mail was een e-mail d.d. 15 oktober 2016 van gedaagde partij aan eisende partij gevoegd.

Bij brief van 19 januari 2017 laat de gemachtigde weten dat eisende partij geen aanleiding ziet de eerder ingenomen standpunten te wijzigen.

2.5.

Partijen hebben daarna nog over en weer gecorrespondeerd.

2.6.

Gedaagde partij is de toegang tot de sportfaciliteiten ontzegd.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 251,66, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Eisende partij heeft gerepliceerd, waarna gedaagde partij niet meer heeft gedupliceerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als erkend dan wel niet weersproken staat vast dat partijen een overeenkomst hebben gesloten voor de duur van een jaar, waarbij gedaagde partij de verplichting is aangegaan om maandelijks een bedrag van € 18,95 te voldoen, terwijl eisende partij de verplichting is aangegaan om sportfaciliteiten ter beschikking te stellen.

4.2.

Verder staat als niet weersproken vast dat gedaagde partij slechts éénmaal de verschuldigde maandcontributie heeft voldaan en dat verdere betalingen achterwege zijn gebleven. Gelet op het bepaalde in artikel 6:262 BW heeft eisende partij terecht de op haar rustende verplichting, te weten het ter beschikking stellen van de sportfaciliteiten, opgeschort. Opschorting houdt in dat, indien gedaagde partij alsnog haar financiële verplichtingen nakomt, eisende partij gehouden is de sportfaciliteiten alsnog aan gedaagde partij te beschikking te stellen. Gesteld noch gebleken is immers dat eisende partij de overeenkomst heeft ontbonden.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde partij gehouden is de aan het abonnement verbonden kosten te voldoen. Dat eisende partij hem de toegang tot de sportfaciliteiten heeft ontzegd, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor reeds is overwogen moet eisende partij na betaling gedaagde partij alsnog toelaten tot de sportfaciliteiten. Een veroordeling ter zake kan niet worden opgenomen, nu gedaagde partij geen eis in reconventie heeft ingesteld.

Eisende partij vordert een bedrag van € 208,45 (11 x € 18,95) ter zake achterstallige contributie. Dit bedrag kan worden toegewezen evenals de daarover gevorderde rente.

4.4.

Uit de overgelegde producties blijkt dat partijen discussie hebben gevoerd over de hoogte van de in rekening gebrachte bedragen. Zo verlangt eisende partij in haar brief van 6 oktober 2016 betaling van een bedrag van € 43,40. Dit bedrag is echter niet te herleiden aan de hand van de maandelijks verschuldigde contributie dan wel enig ander overeengekomen bedrag. Dit bedrag, vermeerderd met € 5,00 administratiekosten, heeft geleid tot vragen aan eisende partij dan wel diens gemachtigde zonder dat daar enig verhelderend antwoord op is gegeven. Vanaf 9 november 2016 is betaling ineens van de totaal verschuldigde termijnen gevorderd, zonder dat daarvoor een geldige rechtsgrond aanwezig was. De algemene voorwaarden biedt die mogelijkheid in elk geval niet, terwijl de overeenkomst ook niet was ontbonden.

In deze geschapen onduidelijkheid en de weigering om antwoord te geven op de vragen van gedaagde partij ziet de kantonrechter aanleiding de gevorderde buitengerechtelijke kosten af te wijzen en de proceskosten voor ieders rekening te laten en aldus te compenseren.

4.5.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 211,66, vermeerderd met de wettelijke rente over € 208,45 vanaf 25 augustus 2017 tot aan de voldoening,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: PL

coll: