Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12401

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
4947443 \ CV EXPL 16-3513
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geldleningsovereenkomst

handtekening wordt betwist

deskundigenonderzoek

origineel ontbreekt

handtekening obv kopie toch voldoende voor deskundigenoordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 4947443 \ CV EXPL 16-3513

Vonnis van de kantonrechter van 20 december 2017

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEFAM B.V. h.o.d.n. [X],

gevestigd te Bunnik,

eisende partij,

gedaagde partij in verzet,

gemachtigde Syncasso Gerechtsdeurwaarders

tegen:

[gedaagde partij] ,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

eisende partij in verzet,

gemachtigde mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen,

Partijen zullen hierna Defam en [gedaagde partij] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het navolgende:

  • -

    het door de kantonrechter op 17 februari 2016 tussen Defam als eisende partij en [gedaagde partij] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 4789427 CV EXPL/16-1411

  • -

    de verzetdagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in verzet

  • -

    de conclusie van repliek in verzet

  • -

    het tussenvonnis bij brief van 21 juni 2016 waarin een comparitie van partijen bepaald is;

  • -

    de comparitie van partijen welke gehouden is op 7 september 2016 en waarvan geen proces-verbaal is opgemaakt;

  • -

    het tussenvonnis van 5 oktober 2016 waarin Wim de Jong als deskundige wordt benoemd;

  • -

    het deskundigenrapport d.d. 12 juni 2017;

  • -

    de akte zijdens Defam;

  • -

    de nadere conclusie zijdens [gedaagde partij] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Defam heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde partij] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 39.066,18 vermeerderd met de boeterente van 9,3% over een bedrag van € 29.763,92 en proceskosten, hoofdsom en rente tezamen een bedrag van € 40.000,00 niet te boven gaand.

2.2.

Bij verstekvonnis van 17 februari 2016 is de vordering aan Defam toegewezen, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

2.3.

[gedaagde partij] vordert in het verzet te worden ontheven van de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling en dat de vordering van Defam alsnog wordt afgewezen.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [gedaagde partij] in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

3.2.

Defam stelt dat er tussen partijen op 10 december 2001 een geldlenings-overeenkomst is gesloten (overgelegd als productie 1 bij verzetdagvaarding) in de vorm van een doorlopend krediet ter hoogte van thans € 29.763,92, waarop de algemene voorwaarden en bepalingen van Defam van toepassing zijn. Op grond van deze algemene voorwaarden geldt er een hoofdelijke aansprakelijkheid. Het contractnummer van de overeenkomst was bij de rechtsvoorgangster van Defam (Direktbank) 0237424029 en is na overname door Defam omgezet in contractnummer 18017928.

Op grond van de genoemde overeenkomst is [gedaagde partij] verplicht maandelijks minimaal een in de overeenkomst opgenomen percentage, berekend over het verschuldigde, als inlossing te betalen. [gedaagde partij] heeft ten minste twee maanden lang niet aan haar verplichting voldaan waarna zij in gebreke is gesteld en het verschuldigde bedrag is opgeëist.

3.3.

Bij antwoord in verzet stelt [gedaagde partij] dat het onduidelijk is om welke overeenkomst het nu gaat en dat zij geen overeenkomst met Defam heeft gesloten en dat de handtekening op de overgelegde overeenkomst niet van haar is.

De toenmalige partner van [gedaagde partij] , de heer [A] , kon beschikken over (een kopie van) het paspoort van [gedaagde partij] en heeft daar volgens [gedaagde partij] gebruik van gemaakt om de lening mede op naam van [gedaagde partij] af te sluiten. [gedaagde partij] heeft op 22 mei 2009, toen zij voor het eerst bekend werd met het bestaan van de overeenkomst, aangifte tegen [A] gedaan wegens het vervalsen van haar handtekening. Aangezien het een civiele zaak betreft (omdat [gedaagde partij] en [A] hebben samengewoond) zou de politie hier verder niets mee hebben kunnen doen.

[gedaagde partij] heeft nooit een bedrag ontvangen van dit krediet en ook nooit tussentijds een opname gedaan, voor zover dat al mogelijk zou zijn. Alle betalingen vanuit dit krediet zijn gedaan aan rekeningnummer [rekeningnummer A] ten name van [A] .

3.4.

Nu het meest verstrekkende verweer van [gedaagde partij] is dat de handtekening op de overeenkomst niet van haar is, heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 5 oktober 2016 de heer Wim de Jong benoemd als deskundige en hem de volgende vragen ter beantwoording voorgelegd:

  1. Is de handtekening op de geldleningsovereenkomst d.d. 31 mei 2002 met Direktbank NV, gevestigd te Amsterdam, afkomstig van mevrouw Angela [gedaagde partij] geboren op [geboortedag gedaagde partij] 1976 te Nettetal?

  2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

Op 12 juni 2017 heeft De Jong een deskundigenrapport uitgebracht waarin hij aan de hand van het Bayesiaanse model concludeert dat de resultaten van het onderzoek waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 ( de handtekening op de geldleningsovereenkomst d.d. 31 mei 2002 is afkomstig van [gedaagde partij] ) waar is, dan wanner de contrahypothese (de betreffende handtekening is door een ander persoon vervaardigd) waar is.

3.5.

Defam is naar aanleiding van het deskundigenrapport van mening dat nu het waarschijnlijk(er) is dat de betreffende handtekening van [gedaagde partij] is, er voorts geen sporen van montage zijn aangetroffen en er ook geen sporen van absolute congruentie bij de fotokopie zijn vastgesteld, hieruit de conclusie mag worden getrokken dat de handtekening door [gedaagde partij] op het bewuste document is geplaatst.

3.6.

[gedaagde partij] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat nu Defam geen originele overeenkomst aan de deskundige heeft kunnen overleggen de uitkomst van het deskundigenrapport slechts een tendensuitspraak is. Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de handtekening op de onderhavige overeenkomst daar door [gedaagde partij] is gezet.

Van Defam mocht verwacht worden dat zij de originele overeenkomst over kon leggen, zodat de handschriftdeskundige tot een gedegen conclusie in zijn rapport zou kunnen komen. [gedaagde partij] betwist nogmaals dat zij de handtekening op de overeenkomst heeft gezet en de tendensuitspraak van de deskundige is onvoldoende om het tegendeel aan te nemen.

3.7.

De kantonrechter begrijpt dat het in het kader van een volledig handschriftonderzoek de voorkeur had dat Defam de originele overeenkomst aan de deskundige had overgelegd. Naar eigen zeggen beschikt Defam niet meer over het origineel waardoor er in dit geval genoegen moet worden genomen met een kopie van de overeenkomst.

Weliswaar is dit de reden dat de deskundige ‘slechts’ tot een tendensuitspraak heeft kunnen komen, maar dat neemt niet weg dat de deskundige gemeend heeft over voldoende bruikbare informatie te beschikken om tot een gedegen conclusie te kunnen komen. Dit blijkt onder andere uit de volgende passages uit het deskundigenrapport:

Het onderscheidend vermogen van de kenmerken in de betwiste handtekening is voldoende, om – met inachtneming van de beperkingen bij het onderzoeken van niet-originele schrijfproducties – uitspraken over het schrijverschap van de betwiste handtekening te kunnen doen” (p.5 1e alinea).

En verder

Conclusies in forensisch schriftonderzoek zijn het resultaat van een kritische beoordeling van alle bevindingen, afgezet tegen de alternatieve ontstaanshypothesen en al dan niet existerende beperkingen voor het onderzoek“ (p. 12 onder punt 7)

De conclusie van de deskundige wordt overeenkomstig het Bayesiaanse model in termen van waarschijnlijkheid geformuleerd waarbij wordt aangegeven hoe groot de kans is om de onderzoeksbevindingen waar te nemen als een bepaalde hypothese juist is. De gradatie van waarschijnlijkheid die daarbij gekozen wordt hangt onder meer af van de aard, de omvang en de kwaliteit van het onderzoeksmateriaal. Dat wil zeggen dat het ontbreken van de originele overeenkomst reeds verdisconteerd is in het oordeel van de deskundige en de kantonrechter deze omstandigheid daarom niet nog eens afzonderlijk in zijn beoordeling hoeft mee te wegen.

3.8.

De deskundige heeft onderzocht of de handtekening van [gedaagde partij] wellicht via de weg van een montage of via de weg van een natuurgetrouwe nabootsing onder het contract is geplaatst.

De deskundige heeft in zijn onderzoek geen vormen van absolute congruentie vastgesteld die op een montage van de betwiste handtekening wijzen. Daarmee is overigens niet gezegd dat er geen sprake van montage kan zijn, maar dat hiervoor in ieder geval niet handtekening V1 (van het paspoort van [gedaagde partij] ) is gebruikt.

[gedaagde partij] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er in dit geval sprake zou zijn van een montage van haar handtekening en op basis van welk document dat dan zou hebben plaatsgevonden. De kantonrechter ziet dan ook reden om aan te nemen dat er in casu sprake zou zijn van montage.

3.9

Het vergelijkend schriftonderzoek heeft naast overeenkomsten ook afwijkingen in het bewegingsverloop en de vormgeving van schriftelementen ten opzichte van het referentiemateriaal getoond. Twee van de drie geconstateerde afwijkingen laten zich volgens de deskundige zonder meer verklaren uit een natuurlijke variatiebreedte in schriftkenmerken en het gebrek aan onbevangen vervaardigd referentiemateriaal. Een afwijking kan daardoor echter niet goed verklaard worden.

Vervolgens heeft de deskundige onderzocht of dan de nabootsingshypothese plausibel is. Zijn conclusie is echter dat nabootsing niet plausibel is omdat, aldus de deskundige “de potentiele vervalser heeft aangetoond bij andere elementen in de betwiste handtekening over duidelijk meer grafische bekwaamheid te beschikken. De afwijking had dus gemakkelijk vermeden kunnen worden”.

3.10.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de bezwaren die [gedaagde partij] tegen de uitkomst van het deskundigenrapport heeft. Deze bestaan – samengevat – enkel uit de blote stelling dat Defam het originele exemplaar van de onderhavige overeenkomst aan de deskundige ter beschikking had moeten stellen, zodat de deskundige een uitgebreider onderzoek had kunnen doen. Verder heeft [gedaagde partij] haar stelling op dit punt niet nader gemotiveerd onderbouwd, anders dan met citaten van de deskundige uit het rapport. Hierover heeft de kantonrechter al onder punt 3.7 overwogen dat het ontbreken van het origineel reeds in de conclusie van de deskundige is meegenomen en het niet aan de kantonrechter is om dit nogmaals in zijn beoordeling mee te laten wegen.

Nu het gemotiveerde rapport van de deskundige de kantonrechter overtuigend voorkomt en [gedaagde partij] onvoldoende specifieke bezwaren heeft aangevoerd die dit in twijfel kunnen trekken, zal de kantonrechter de conclusie van de deskundige overnemen en dient het er daarmee voor gehouden te worden dat de handtekening op de betreffende overeenkomst van [gedaagde partij] afkomstig is.

3.11.

Alle verweren van [gedaagde partij] omtrent de betaling van de termijnen en de rekening waarop het geleende bedrag is gestort, maken dit niet anders. Voor de vraag of [gedaagde partij] partij is bij de overeenkomst en derhalve hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden, is dit alles immers niet relevant.

3.12

De stelling van [gedaagde partij] dat haar onduidelijk is om welke overeenkomst met welke inhoud het nu precies gaat, kan haar evenmin baten aangezien Defam in haar conclusie uitgebreid uiteen heeft gezet dat het slechts om één en dezelfde overeenkomst gaat waar om administratieve redenen een ander nummer aan is gegeven bij de rechtsopvolging door Defam.

3.13.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd.

3.14.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van Defam begroot op € 1.000,00 (2,5 x €400,00) aan salaris voor de gemachtigde van Defam en een bedrag van € 2.420,00 aan kosten voor het deskundigenrapport.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

bekrachtigt het door de kantonrechter op 17 februari 2016 onder zaaknummer 4789427 CV EXPL/ 16-1411 gewezen verstekvonnis,

4.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Defam tot op heden begroot op € 1.000,00, voor gemachtigdensalaris en € 2.420,00 aan kosten voor het deskundigenrapport,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: JA

coll: