Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12164

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
6369710/AZ/17-192 12122017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster wordt op staande voet ontslagen wegens het onjuist inlichten van werkgeefster omtrent het in het bezit zijn van diploma’s. Ontslag op staande voet wordt vernietigd. Niet kan worden vastgesteld dat werkneemster niet in het bezit is van de diploma’s. Wel ontbinding op de e-grond, nu het voor werkneemster duidelijk moet zijn geweest dat werkgeefster van haar verlangde dat ze een kopie van die diploma’s overlegde, hetgeen zij tot dusver niet heeft gedaan en ook niet is gebleken dat zij er alles aan heeft gedaan om een kopie van de diploma’s over te kunnen leggen. Sprake van verwijtbaar nalaten.

Verklaring voor recht dat werkneemster geen recht heeft op een transitievergoeding afgewezen. Verklaring voor recht dat werkneemster geen recht heeft op een billijke vergoeding afgewezen, nu het ontslag op staande voet wordt afgewezen en deze vraag thans niet meer aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1511
GZR-Updates.nl 2017-0442
AR 2017/6648
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6369710 \ AZ VERZ 17-192

6426348 \ AZ VERZ 17-208

Beschikking van de kantonrechter van 12 december 2017

in de zaak van:

[de werkneemster] ,

wonend [adres werkneemster] ,

[woonplaats werkneemster] ,

werkneemster,

gemachtigde mr. M.G. Spijker,

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE PIOENROOS B.V.,

gevestigd te Bergen L,

werkgever,

gemachtigde mr. B.M.M. Custers,

verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek.

Partijen zullen hierna [de werkneemster] en de Pioenroos worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 6 oktober 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift, tevens houdend een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv

- het verweerschrift, tevens houdend meerdere zelfstandige (tegen)verzoeken waaronder een zelfstandig verzoek dat strekt tot (voorwaardelijke) ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b BW in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g, dan wel h BW

- de mondelinge behandeling d.d. 28 november 2017.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de werkneemster] , geboren op [geboortedag werkneemster] 1980, is op 1 mei 2012 via uitzendbureau Werkwijzer bij de Pioenroos gaan werken in de functie van algemeen medewerkster dagbesteding. Na enkele contracten voor bepaalde tijd is [de werkneemster] op 1 november 2014 in vaste dienst getreden bij de Pioenroos. Laatstelijk werkte [de werkneemster] naar omvang van
32,5 uren per week, tegen een basissalaris van € 2.498,89, exclusief 8% vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en overige emolumenten.

2.2.

[de werkneemster] heeft haar werk van aanvang aan naar behoren uitgevoerd en is ook altijd positief beoordeeld.

2.3.

Bij brief van 30 augustus 2017 is [de werkneemster] ontslag op staande voet aangezegd wegens het bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst en gedurende het dienstverband verstrekken van onjuiste gegevens omtrent de behaalde diploma’s.

3 Het geschil

3.1.

[de werkneemster] verzoekt – kort weergegeven – vernietiging van het op 30 augustus 2017 gegeven ontslag op staande voet, tewerkstelling en doorbetaling van het loon en emolumenten met overige nevenvorderingen (wettelijke verhoging en wettelijke rente) en bij wege van provisionele voorziening ex artikel 223 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) doorbetaling van loon en emolumenten voor de duur van de procedure, met nevenvorderingen (wettelijke verhoging en wettelijke rente).

3.2.

De Pioenroos heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt door de Pioenroos verzocht een verklaring voor recht af te geven dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, alsmede de arbeidsovereenkomst met [de werkneemster] (voorwaardelijk) te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g, dan wel h BW.

Daarnaast verzoekt de Pioenroos:

  • -

    een verklaring voor recht dat aan [de werkneemster] geen transitievergoeding, billijke vergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging toekomt;

  • -

    terugbetaling van onverschuldigd betaald salaris wegens een onjuiste inschaling op opleidingsniveau;

  • -

    vergoeding van de ten onrechte door de Pioenroos betaalde kosten aan het uitzendbureau wegens een onjuiste inschaling op opleidingsniveau.

3.4.

Bij afzonderlijk verzoekschrift verzoekt de Pioenroos [de werkneemster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW.

3.5.

[de werkneemster] heeft verweer gevoerd.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek van [de werkneemster] tot vernietiging van het ontslag op staande voet.

4.1.

[de werkneemster] heeft de onderliggende verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door de Pioenroos is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.2.

Het geschil van partijen betreft met name de vraag of het door de Pioenroos aan [de werkneemster] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd.

4.3.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de Pioenroos als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [de werkneemster] , die ten gevolge hebben dat van de Pioenroos redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [de werkneemster] , zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.4.

De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 30 augustus 2017 dat [de werkneemster] bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst alsmede gedurende de looptijd van het dienstverband de Pioenroos structureel heeft misleid door opzettelijk valse inlichtingen te verschaffen omtrent de door [de werkneemster] (al dan niet) behaalde diploma’s.

4.5.

De Pioenroos stelt zich op het standpunt dat [de werkneemster] niet in het bezit is van de diploma’s SPW 3 en SPW 4, hoewel het behalen van deze diploma’s wel op haar curriculum vitae (CV) staat. De Pioenroos komt tot dit standpunt nu [de werkneemster] na herhaald verzoek zijdens de Pioenroos daartoe, niet is overgegaan tot overlegging van een kopie van die diploma’s en op grond van een e-mailwisseling met onder andere mevrouw [A] , manager examenbureau van het ROC Nijmegen.

4.6.

[de werkneemster] betwist dat zij niet in het bezit zou zijn van de diploma’s SPW 3 en SPW 4. Deze zijn echter door waterschade in de kelder van haar ouders verloren gegaan. [de werkneemster] heeft getracht een kopie te bemachtigen van de bewuste diploma’s, doch dat is haar tot dusver niet gelukt. Nooit eerder is door de Pioenroos naar de diploma’s gevraagd en nu volgt ontslag op staande voet wegens het niet (snel) overleggen van die diploma’s. Dit is onrechtmatig, aldus [de werkneemster] .

4.7.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Op 22 augustus 2017 heeft [de werkneemster] , kennelijk via de website van ROC Nijmegen, een verzoek om een getuigschrift aan het ROC gedaan, waaruit moet blijken dat [de werkneemster] de diploma’s SPW 3 en SPW 4 via het ROC heeft behaald.

Mevrouw [B] , medewerker examenbureau, antwoordt per e-mail aan [de werkneemster] :

“Het gaat neem ik aan om de opleiding Sociaal Pedagogisch werk niveau 3? Dit diploma is niet behaald; je bent hiervoor in juni 2004 uitgeschreven.”

[de werkneemster] antwoordt bij e-mail van 22 augusus 2017:

“Nee het gaat om sociaal pedagogisch hulpverlener niveau 4 2000.”

Mevrouw [B] stuurt het verzoek van [de werkneemster] intern door aan mevrouw [C] , eveneens van ROC.

Mevrouw [C] antwoordt per e-mail van 23 augustus 2017 aan mevrouw [B] :

“Ik kan helemaal niets meer vinden, zij is niet eens geslaagd voor SPW 3 maar gewoon uitgeschreven.

Dossier hoeft maar 7 jaren bewaard te blijven ik heb daar niets meer van”.

Mevrouw [B] stuurt dit antwoord door aan [de werkneemster] . [de werkneemster] reageert daar per e‑mail van 23 augustus 2017 (naar examenbureau ROC Nijmegen) op als volgt:

“Dus als ik het goed begrijp is er helemaal niets meer van gegevens van mij bij jullie aanwezig. Want heb spw 3&4 toch echt gehaald.

In 2002-2003 ben ik weer bij jullie een opleiding begonnen maar daar ben ik idd mee gestopt.

Hoe kom ik nu aan mijn diploma?

(…)”.

Mevrouw [B] antwoordt per e-mail van 23 augustus 2017:

“Dat klopt helaas.

Wat ik overigens niet begrijp is dat je eerst niveau 4 zou hebben behaald en daarna niveau 3 bent gaan doen en dit ook zou hebben behaald, terwijl je van het laatste bevestigt dat je hiermee bent gestopt.

Wij hebben inderdaad niks en ik zal je moeten doorverwijzen naar DUO en anders naar de gemeente waarin je woonachtig bent.”

Bij e-mail van 28 augustus 2017 schrijft [A] , manager examenbureau, aan De Pioenroos:

“Van mijn collega’s begrijp ik dat hier vorige week al het een en ander over te doen geweest is. Onderstaande treft u de mailwisseling aan.

Zoals u hieruit zult opmerken heeft [de werkneemster] geen enkel diploma bij het ROC Nijmegen behaald. Zij heeft 1 jaar de opleiding SPW 3 gevolgd, maar niet afgesloten met een diploma.”

De kantonrechter is van oordeel dat de conclusie die mevrouw [A] - en in navolging daarvan de Pioenroos - trekt uit de gevoerde e-mailcorrespondentie niet wordt gedragen door de inhoud van die e-mails. Uit de e-mails blijkt enkel dat het ROC niets meer van [de werkneemster] kan terugvinden, anders dan dat zij in 2002-2003 met een opleiding is gestart die zij niet heeft afgemaakt. Desgevraagd heeft [de werkneemster] daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit waarschijnlijk de kappersopleiding is geweest. Niet blijkt dat [de werkneemster] de opleidingen SPW 3 en SPW 4 niet heeft gevolgd en voltooid. Partijen praten in de e-mails langs elkaar heen en hebben het kennelijk over verschillende opleidingen en periodes. De conclusie in de laatste e-mail is een eigen conclusie van mevrouw [A] , maar deze wordt dus niet gevolgd door de kantonrechter.

4.8.

De Pioenroos legt deze e-mailwisseling wel (mede) ten grondslag aan haar stelling dat [de werkneemster] geen diploma SPW 3 en SPW4 heeft, dat zij aldus gelogen heeft over het in het bezit zijn van die diploma’s en legt dat vervolgens ten grondslag aan het door haar op 30 augustus 2017 aan [de werkneemster] gegeven ontslag op staande voet.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van de thans in het geding zijnde stukken niet onomstotelijk worden vastgesteld dat [de werkneemster] niet in het bezit is van de diploma’s SPW 3 en SPW 4. Derhalve kan ook niet worden vastgesteld dat [de werkneemster] hierover onjuist zou hebben verklaard, waarmee de dringende reden waarop het ontslag op staande voet is gegrond evenmin kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van voornoemde feiten en omstandigheden dan ook onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet.

4.9.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [de werkneemster] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de Pioenroos kan vernietigen, indien de Pioenroos heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag (op staande voet) niet rechtsgeldig is, zal het primaire verzoek van [de werkneemster] tot vernietiging van dat ontslag worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, zodat er grond is om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW.

4.10.

De door de Pioenroos gevorderde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd dient, gelet op het voorgaande, te worden afgewezen.

4.11.

Nu het ontslag (op staande voet) wordt vernietigd, is de arbeidsovereenkomst onverkort blijven voortduren. De Pioenroos is daarom gehouden tot betaling van het overeengekomen salaris. Partijen zijn het er over eens dat de Pioenroos het loon van [de werkneemster] vanaf 30 augustus 2017 onbetaald heeft gelaten, zodat de hierop gerichte vordering in de hoofdzaak zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna is bepaald.

4.20.

De door de Pioenroos gevorderde verklaringen voor recht dat zij geen billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW verschuldigd is noch een vergoeding vanwege onregelmatige opzegging zullen op grond van het voorgaande worden afgewezen nu het ontslag op staande voet wordt vernietigd op grond van artikel 7:681 BW.

Alvorens te beslissen op het verzoek tot wedertewerkstelling, zal de kantonrechter hierna eerst het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek beoordelen.

Het zelfstandig verzoek van de Pioenroos : (voorwaardelijke) ontbinding.

4.12.

De Pioenroos heeft bij wijze van zelfstandig tegenverzoek verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen (voorwaardelijk) te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g dan wel h, BW voor het geval (nog steeds) een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat. Hoewel van het hiervoor gegeven oordeel nog hoger beroep openstaat, is in zoverre reeds nu aan de voorwaarde voldaan waaronder de Pioenroos haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft ingesteld. Daarmee ligt thans de vraag voor of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 BW.

4.13.

Vastgesteld wordt dat er geen bijzondere opzegverboden als bedoeld in artikel 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden.

4.14.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werkneemster binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

4.15.

De Pioenroos heeft primair aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat [de werkneemster] verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten, zodanig dat van de Pioenroos in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.16.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Bij een verzoek gegrond op artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, moet het de werknemer, behoudens evidente gevallen die ook een dringende reden zouden kunnen opleveren, duidelijk zijn wat door de werkgever als ontoelaatbaar gedrag wordt beschouwd. Uiteraard moet het daarbij gaan om redelijke eisen ten aanzien van het gedrag.

Vast staat dat het [de werkneemster] duidelijk moet zijn geweest dat de Pioenroos een kopie van de diploma’s van [de werkneemster] wilde hebben. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit geen onredelijke eis. Dat [de werkneemster] zou beschikken over diploma’s volgt niet alleen uit haar eigen stellingen maar ook uit haar bij aanvang van de arbeidsrelatie ter beschikking van de Pioenroos gekomen CV. Wie dit CV heeft opgesteld, acht de kantonrechter niet zo van belang, nu dit wel op aangegeven van [de werkneemster] zal zijn gebeurd. Een uitzendorganisatie gaat immers niet uit eigener beweging een CV van een werkzoekende invullen.

Hoewel [de werkneemster] in de namens haar geschreven e-mail van 31 augustus 2017, productie 6 bij inleidend verzoekschrift, stelt, alles in het werk te zullen stellen alsnog de diploma’s te overleggen, is dat thans, althans ten tijde van de mondelinge behandeling nog steeds niet gelukt. Niet is ook gebleken waar dat ‘alles in het werk stellen’ dan uit zou hebben bestaan. Enkel de hiervoor aangehaalde e-mailwisseling getuigt van één poging zijdens [de werkneemster] om in het bezit te komen van de ooit door haar behaalde diploma’s. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [de werkneemster] verwijtbaar heeft nagelaten om alsnog de diploma’s in kopie over te leggen, althans heeft nagelaten om aan te tonen dat zij alles in het werk heeft gesteld dit alsnog te kunnen doen. Dat (bewijzen van het beschikken over) de diploma’s van groot belang zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden bij de Pioenroos, blijkt onder meer uit de vraagstelling van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het feit dat die inspectie de Pioenroos kan sluiten indien erg geen of onvoldoende gekwalificeerd personeel aanwezig is.

4.17.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de door de Pioenroos naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een redelijke grond voor ontbinding opleveren, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Herplaatsing in een andere functie binnen de organisatie van de Pioenroos ligt niet in de rede gelet op het ontbreken van (bewijzen van het beschikken over) diploma’s en de eisen die de Inspectie voor de Gezondheidszorg daaromtrent aan de Pioenroos stelt.

4.18.

Ingevolge artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW bepaalt de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, met dien verstande dat de looptijd van de procedure in mindering wordt gebracht op de geldende opzegtermijn. De door de Pioenroos in acht te nemen opzegtermijn bedraagt in dit geval twee maanden. Dat een afwijkende opzegtermijn is overeengekomen, is niet gesteld of gebleken. Deze procedure is aangevangen op
6 oktober 2017 (datum ontvangst ontbindingsverzoek) en is geëindigd op 12 december 2017 (datum van dagtekening van deze beschikking). Met inachtneming van het vorenstaande en overwegende dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt tegen het einde van de maand, is de kantonrechter voornemens om de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2018 te ontbinden.

4.19.

[de werkneemster] heeft niet verzocht om aan haar, in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, een transitievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.
De Pioenroos heeft evenwel verzocht om een verklaring voor recht dat zij aan [de werkneemster] geen transitievergoeding verschuldigd is, zodat de kantonrechter hieromtrent toch een oordeel moet geven.

Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat de Pioenroos aan [de werkneemster] een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de Pioenroos is ontbonden. Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Anders dan de Pioenroos is de kantonrechter bovendien van oordeel dat het handelen van [de werkneemster] weliswaar verwijtbaar is in de zin van artikel 7:669, lid 3, onderdeel e BW doch niet ernstig verwijtbaar in de zin van artikel 7:673, lid 7, onderdeel c BW. De door de Pioenroos verzochte verklaring voor recht dat de Pioenroos aan [de werkneemster] geen transitievergoeding verschuldigd is, wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het incident ex artikel 223 Rv.

4.22.

Omdat in deze beschikking al een beslissing ten gronde wordt gegeven op de verzoeken van [de werkneemster] is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen.

Ten aanzien van de overige verzoeken van de Pioenroos

4.23.

De Pioenroos verzoekt terugbetaling van onverschuldigd betaald salaris aan [de werkneemster] . De Pioenroos stelt daartoe dat [de werkneemster] onjuist is ingeschaald, nu De Pioenroos in de veronderstelling verkeerde van [de werkneemster] in het bezit is van de diploma’s SPW 3 en SPW 4. De kantonrechter overweegt dat nog afgezien van de feiten dat [de werkneemster] steeds de tot haar functie behorende werkzaamheden naar behoren heeft verricht en niet vast staat dat [de werkneemster] niet in het bezit is van de diploma’s SPW 3 en SPW 4, het tot de contactvrijheid van partijen behoort om af te spreken wat zij wensen overeen te komen. Niet gebleken is dat het thans door [de werkneemster] genoten salaris enkel hoort bij een (andere) functie, waarvoor de diploma’s SPW 3 en SPW 4 vereist zijn en [de werkneemster] bij het ontbreken van een dergelijke vooropleiding niet het thans genoten salaris zou hebben kunnen genieten.

4.24.

Niet kan aldus worden vastgesteld dat ten onrechte te veel salaris aan [de werkneemster] is uitgekeerd, wat [de werkneemster] nu als onverschuldigd betaald aan De Pioenroos zou moeten terugbetalen. Dit verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

4.25.

Eenzelfde overweging heeft te gelden voor het zelfstandig verzoek van De Pioenroos tot vergoeding van de ten onrechte betaalde kosten aan het uitzendbureau.

Niet onderbouwd is gesteld, noch is gebleken dat het uurloon van [de werkneemster] lager zou zijn vastgesteld wanneer bekend zou zijn geweest dat [de werkneemster] niet zou beschikken over de diploma’s SPW3 en SPW4, wat hier verder ook van zij. Ook dit verzoek dient daarom te worden afgewezen.

4.26.

De Pioenroos verzoekt tot slot toekenning van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW. Nu wordt geoordeeld dat het op 30 augustus 2017 gegeven ontslag op staande voet niet rechtmatig is gegeven, kan geen sprake zijn van toekenning van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW aan de Pioenroos. Dit verzoek zal dan ook dienen te worden afgewezen.

Inzake het verzoek en het tegenverzoek.

4.27.

In de uitkomst van alle verzoeken tezamen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

Inzake het verzoek van [de werkneemster]

5.1.

vernietigt het op 30 augustus 2017 gegeven ontslag op staande voet,

5.2.

veroordeelt de Pioenroos tot betaling aan [de werkneemster] het bedrag van € 2.498,89 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en overige emolumenten, vanaf 30 augustus 2017 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt,

Inzake de voorlopige voorziening

5.3.

wijst het verzoek af,

Inzake het zelfstandig ontbindingsverzoek van de Pioenroos

5.4.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2018,

Inzake alle verzoeken

5.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

5.6.

verklaart deze beschikking, met uitzondering van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: