Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12159

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
18-12-2017
Zaaknummer
5998130/CV 17-4383
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mag een werkgever wijzigingen in het arbeidsvoorwaarden reglement aanbrengen na overleg en akkoord met de ondernemingsraad? Ja. Het arbeidsvoorwaardenreglement maakt onderdeel uit van de arbeidsovereenkomst, terwijl de individuele arbeidsovereenkomst een zogenoemd incorporatiebeding bevat, dat inhoudt dat bestaande en toekomstige afspraken tussen ondernemer en ondernemingsraad doorwerken in de arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6618
TRA 2018/31 met annotatie van I. Zaal
AR-Updates.nl 2017-1522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5998130 \ CV EXPL 17-4383

Vonnis van de kantonrechter van 13 december 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij] ,

gemachtigde mr. D.M.C. Krooijmans (DAS),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij] ,

gemachtigde mr. R.J.C. Brouwer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    de comparitie van 9 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is op 1 februari 2012 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde partij] . Nadien is deze arbeidsovereenkomst verlengd voor onbepaalde tijd. De functie van [eisende partij] is die van Legal Counsel voor 32 uur per week tegen een bruto maandsalaris van € 3.801,13 exclusief emolumenten.

2.2.

Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is geen CAO van toepassing.

2.3.

In artikel 1.9 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat op de arbeidsovereenkomst het “Arbeidsvoorwaardenreglement [X] ” van toepassing is.

2.4.

Artikel 1.1 van het arbeidsvoorwaardenreglement luidt:

‘Dit arbeidsvoorwaardenreglement bevat regelingen, die deel uitmaken van de individueel afgesloten arbeidsovereenkomst, en vormen een integraal deel van de overeenkomst, (…).’

2.5.

Met betrekking tot wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement is in artikel 17.1 het volgende overeengekomen:

‘Door acceptatie van het arbeidsvoorwaardenreglement zijn de werknemers, ook zonder dat een nadere instemming daarvoor nodig is, gebonden aan de in de toekomst tussen [X] B.V. en de OR overeen te komen wijzigingen van het arbeidsvoorwaardenreglement.’

2.6.

Op 12 april 2016 hebben [gedaagde partij] en de OR overeenstemming bereikt over onder meer wijziging van artikel 5.4 en 5.8 van het arbeidsvoorwaardenreglement. Zulks met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2016.

2.7.

In het nieuwe artikel 5.4 van het arbeidsvoorwaardenreglement is bepaald dat de werknemer die aan het einde van de salarisschaal zit (120%) enkel met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.8 nog de mogelijke collectieve verhoging zal ontvangen.

2.8.

Artikel 5.8 van het (nieuwe) arbeidsvoorwaardenreglement luidt:

‘De eventuele collectieve verhoging (bijvoorbeeld indexatie) geldt voor, en is beperkt tot, werknemers tot en met het 120% niveau van de salarisschaal. (…).’

2.9.

[eisende partij] start bij indiensttreding met een salaris van € 4.400,00 bruto per maand op fulltime basis, waardoor zij snel aan het maximale niveau van 120% zit. Als gevolg van bij indiensttreding gemaakte individuele afspraken groeit [eisende partij] nog door tot ruim boven het maximale niveau van 120%.

2.10.

In het ‘oude’ arbeidsvoorwaardenreglement is opgenomen dat alle werknemers (en dus ook werknemers die boven het 120% niveau van de salarisschaal zijn uitgestegen) aanspraak kunnen maken op de indexatie. [eisende partij] doet hier in 2014 en 2015 een beroep op en [gedaagde partij] past de indexatie alsnog toe.

2.11.

Met ingang van het nieuwe arbeidsvoorwaardenreglement is de indexering van het salaris afgeschaft voor werknemers die boven 120% van de schaal zitten. Door de wijziging in het arbeidsvoorwaardenreglement vindt vanaf 1 augustus 2016 geen indexatie meer plaats voor [eisende partij] .

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vordert

  1. voor recht te verklaren dat [eisende partij] aanspraak heeft op de eventuele collectieve jaarlijkse verhoging als genoemd in artikel 5.7 van het arbeidsvoorwaardenreglement 2012;

  2. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen het loon ad € 237,24 bruto exclusief emolumenten vanaf augustus 2016 tot en met juli 2017;

  3. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen het loon ad € 3.820,90 bruto per maand exclusief emolumenten, te vermeerderen met de toegekende collectieve verhogingen als bedoeld in het arbeidsvoorwaardenreglement vanaf augustus 2017 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn;

  4. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het onder b gevorderde;

  5. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding over het sub b en d gevorderde;

  6. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 250,00;

  7. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de kosten van deze procedure, daarin begrepen het salaris van de gemachtigde van [eisende partij] .

3.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen houdt in de kern genomen verdeeld de vraag of de in 2016 doorgevoerde wijziging van het Arbeidsvoorwaardenreglement van [gedaagde partij] berust op een eenzijdige dan wel tweezijdige wijziging.

4.2.

[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een eenzijdige wijziging, waarbij het zwaarwichtig belang als genoemd in artikel 7:613 BW ontbreekt. Evenmin had [gedaagde partij] een redelijke aanleiding om tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden over te gaan.

De OR heeft in de onderhavige situatie [gedaagde partij] aangegeven dat er met [eisende partij] tot een compromis dient te worden gekomen. De OR heeft daarmee de bijzondere situatie van [eisende partij] erkend.

4.3.

[gedaagde partij] voert verweer en stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van een eenzijdige, maar van een tweezijdig wijziging. De wijziging is tot stand gekomen in overleg met de OR, hetgeen is toegestaan conform artikel 17.1 van het Arbeidsvoorwaardenreglement 2012. Dit reglement is onderdeel van de arbeidsovereenkomst van [eisende partij] en zij heeft daar voor akkoord haar handtekening onder gezet.

Subsidiair is [gedaagde partij] van mening dat [gedaagde partij] een zwaarwegend belang heeft bij de wijziging van het reglement. [gedaagde partij] heeft belang bij een eenduidiger toepassing van het salarisplafond om zo een juiste verhouding tussen prestatie en beloning te borgen. Het belang van [eisende partij] daarentegen is zeer beperkt, in die zin dat het slechts de indexatie van het salaris van [eisende partij] raakt. Haar salaris blijft op zichzelf onaangetast gelijk en ruim boven het maximum niveau van 120% van de loonschaal uitstijgen.

[gedaagde partij] is op wens van de OR het gesprek met [eisende partij] aangegaan over het afschaffen van de indexatie voor de toekomst om op die manier mogelijk tot overeenstemming te komen over de kwestie. Dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt, neemt niet weg dat [gedaagde partij] een redelijk voorstel heeft gedaan waarvan in redelijkheid ook acceptatie van [eisende partij] kon worden gevergd.

4.4.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Partijen ondertekenen op 9 januari 2011 een arbeidsovereenkomst.

Artikel 1.9 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst luidt:

“Het reglement van werkgeefster – het ‘Arbeidsvoorwaardenreglement [X] ’- maakt deel uit van de overeenkomst. De werknemer verklaart een afschrift hiervan te hebben ontvangen. Werkgeefster behoudt zich het recht voor dit reglement te wijzigen met inachtneming van hetgeen dienaangaande nader bepaald is in deze arbeidsovereenkomst.”

Partijen zijn het er ook over eens dat het arbeidsvoorwaardenreglement onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.

4.5.

Artikel 17.1 van het arbeidsvoorwaardenreglement 2012 bepaalt – onder andere –:

“Door acceptatie van het arbeidsvoorwaardenreglement zijn de werknemers, ook zonder dat een nadere instemming daarvoor nodig is, gebonden aan de in de toekomst tussen [X] B.V. en de OR overeen te komen wijzigingen van het arbeidsvoorwaardenreglement.

Het bovenstaande laat onverlet dat werkgever bevoegd is het in dit arbeidsvoorwaardenreglement bepaalde te wijzigen indien werkgever daarbij een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van werknemer dat door de wijzigingen zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken.”

De tweede (hiervoor) geciteerde alinea ziet op de wettelijke bepaling en de eerste (hiervoor) geciteerde alinea op een afwijking/aanvulling op die wettelijke bepaling. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de toepassingsvolgorde van de bevoegdheid om tot wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement te worden gelezen in die zin dat: [gedaagde partij] kan met de OR een wijziging overeenkomen, lukt dat niet dan bestaat voor [gedaagde partij] nog altijd de eenzijdige wijziging als bedoeld in artikel 7:613 BW, met inachtneming van het zwaarwegend belang.

In casu heeft [gedaagde partij] overeenstemming over de wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement bereikt met de OR. [eisende partij] betwist dat een OR instemmingsrecht heeft wat betreft een wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden, zoals in casu loon.

De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

De ondernemingsraad heeft op grond van de wet geen instemmingsrecht over de hoogte van de beloning. Deze onderwerpen worden in de regel bij collectieve arbeidsovereenkomst geregeld, maar ook als dat niet het geval is, kent de wet aan de ondernemingsraad ter zake geen instemmingsrecht toe. De ondernemingsraad kan bij het ontbreken van een collectieve arbeidsovereenkomst overleg voeren met de ondernemer over een collectieve regeling van arbeidsvoorwaarden en met hem tot overeenstemming komen. De werkgever heeft echter na overeenstemming met de ondernemingsraad het (stilzwijgend) akkoord nodig van de individuele werknemer. Hij kan echter een schriftelijk beding aangaan met de werknemers dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen. Artikel 7:613 BW bepaalt dat de werkgever slechts een beroep kan doen op dat schriftelijke beding als hij bij de wijziging van de arbeidsvoorwaarde een zodanig zwaarwegend belang heeft, dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Ook kan de individuele arbeidsovereenkomst een zogenoemd incorporatiebeding bevatten, dat inhoudt dat bestaande en toekomstige afspraken tussen ondernemer en ondernemingsraad doorwerken in de arbeidsovereenkomst. En dit laatste is in onderhavige kwestie aan de orde. Het arbeidsvoorwaardenreglement maakt onderdeel uit van de arbeidsovereenkomst (artikel 1.9 van de arbeidsovereenkomst) en artikel 17.1 van het arbeidsvoorwaardenreglement (2012, waarvoor voor akkoord is getekend) bepaalt, in de volgorde als hiervoor omschreven, dat de werknemers gebonden zijn aan de in de toekomst door [gedaagde partij] en de OR overeen te komen wijzigingen van het arbeidsvoorwaardenreglement.

4.6.

Door ondertekening van de arbeidsovereenkomst heeft [eisende partij] aldus ingestemd met het arbeidsvoorwaardenreglement en daarmee dit artikel 17.1, waarmee de OR de bevoegdheid krijgt om namens de individuele werknemers met de ondernemer te onderhandelen en wijzigingen overeen te komen. En zoals hiervoor reeds is overwogen geldt dat ook voor wijzigingen ten aanzien van de primaire arbeidsvoorwaarden.

4.7.

Geoordeeld wordt aldus dat sprake is geweest van een tweezijdige wijziging van het arbeidsvoorwaardenreglement. Beoordeling of sprake is geweest van een zwaarwegend belang is derhalve niet aan de orde.

4.7.

Partijen zijn het er verder over eens dat de OR, bij de overeenstemming met het nieuwe arbeidsvoorwaardenreglement, heeft opgemerkt dat met [eisende partij] in gesprek diende te worden gegaan over de gevolgen van de afschaffing van de indexatie voor [eisende partij] en zo hierover mogelijk een compromis diende te sluiten. Vast staat dat partijen in gesprek zijn gegaan en dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] een (compromis)voorstel heeft gedaan, maar dat dit door [eisende partij] niet is geaccepteerd. Of dit een redelijk voorstel was hoeft naar het oordeel van de kantonrechter thans niet te worden beoordeeld. De onderliggende stukken waarin de OR die mededeling aan [gedaagde partij] doet zijn niet in het geding gebracht. De dwingendheid van die mededeling van de OR kan dan ook niet worden beoordeeld. De kantonrechter acht het echter niet aannemelijk dat de OR heeft bedoeld dat het nieuwe arbeidsvoorwaardenreglement niet op [eisende partij] van toepassing zou hoeven zijn. Dit zou immers geen compromis zijn en in strijd met het gestelde doel van de wijziging van het regelement.

4.8.

De kantonrechter acht geen termen aanwezig partijen toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.9.

Gelet op het voorgaande dient de vordering van [eisende partij] te worden afgewezen.

4.10.

[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op en bedrag van € 400,00 ter zake salaris gemachtigde.

4.11.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen overeenkomstig de richtlijnen van het LOVCK&T en worden begroot op een half salarispunt conform het liquidatietarief proceskosten met een maximum van € 100,00 aan nakosten salaris.

4.12.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde partij] gevallen en tot op heden begroot op € 400,00,

5.3.

veroordeelt [eisende partij] onder de voorwaarde dat zij niet binnen 2 weken na aanschrijving door [gedaagde partij] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 100,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: