Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12124

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
6054801/CV 17-5144
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter concludeert dat de zwangerschap van eisende partij mede de aanleiding is geweest en wel een van de belangrijkste redenen om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen.

De kantonrechter kent een immateriële schadevergoeding toe van 1.000,00 Euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6704
Prg. 2018/31
AR-Updates.nl 2017-1513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6054801 \ CV EXPL 17-5144

Vonnis van de kantonrechter van 13 december 2017

in de zaak van:

[eisende partij] ,

wonend [adres eisende partij] ,

[woonplaats eisende partij] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. M.J.J. Smeets,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DECADENCE NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Roermond,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.M.I. Cornelissen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de akte depot

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    de op 15 november 2016 gehouden comparitie van partijen

  • -

    de daaraan voorafgaand door eisende partij overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ingaande 1 oktober 2015 voor een periode van zeven maanden in dienst getreden bij gedaagde partij. De arbeidsovereenkomst is voor eenzelfde periode verlengd. Op 30 november 2016 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van het netto equivalent van € 37.431,79 bruto aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Gedaagde partij voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Kort goed gezegd stelt eisende partij zich op het standpunt dat gedaagde partij onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar door de arbeidsovereenkomst niet te verlengen wegens zwangerschap. Gedaagde partij heeft daarmee inbreuk gemaakt op het recht op gelijke behandeling dat is neergelegd in de Grondwet. De aantasting van een zo fundamenteel recht moet volgens eisende partij als een aantasting in de persoon die de erkenning verdient worden aangemerkt. Volgens eisende partij maakt dat gedaagde partij schadeplichtig. Eisende partij baseert haar stelling op het gesprek dat op 1 september 2016 heeft plaatsgevonden tussen haar en de heer [A] , van welk gesprek eisende partij zonder [A] daarvan in kennis te stellen een geluidsopname heeft gemaakt. Uit het gesprek blijkt volgens eisende partij dat de zwangerschap de reden was om het dienstverband niet te verlengen. Eisende partij stelt dat in het geval zij niet zwanger zou zijn geweest de arbeidsovereenkomst was omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

4.2.

Gedaagde partij betwist uitdrukkelijk dat de zwangerschap aanleiding was de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Gedaagde partij stelt dat het functioneren van eisende partij de reden was om het dienstverband niet meer te verlengen. Dit besluit was volgens gedaagde partij al genomen voordat eisende partij haar zwangerschap bekend had gemaakt. Dit blijkt volgens gedaagde partij ook uit de verklaring van de financieel adviseur, de heer [B] , (productie 1 bij antwoord). Gedaagde partij stelt dat tijdens het maandelijkse gesprek over de urenverantwoording eisende partij het gesprek naar de zwangerschap heeft gestuurd en kort en goed gezegd de heer [A] voor het blok zou hebben gezet uitspraken te doen over iets waarvoor hij totaal niet was voorbereid. Gedaagde partij is van mening dat dit onbetamelijk is.

4.3.

Eisende partij deponeert een USB-stick waarop het bewuste gesprek van 1 september 2016 en legt als productie 9 bij dagvaarding een transcriptie in de Nederlandse taal over van het gesprek van 1 september 2016 dat in Limburgs dialect is gevoerd. Gedaagde partij heeft de transcriptie niet weersproken zodat de kantonrechter er van uitgaat dat dit een letterlijke weergave is van hetgeen daadwerkelijk is besproken tussen eisende partij en de heer [A] op 1 september 2016. Het navolgende is onder meer verklaard:

Want ik voel aan elke vezel in mijn lijf dat je al lang en breed afscheid van me hebt genomen. Oh nee, dat is niet waar. Ik voel dat wel zo.

Oké Kijk, het is wel zo, je kunt het 1x verlengen, een contract, en daarna moet je het voor onbepaalde tijd doen en dat is natuurlijk heel tricky. Daar heb ik eerlijk gezegd een zwaar hoofd in omdat ik niet weet hoe het gaat lopen allemaal.

Maar als ik niet zwanger was geweest, had je hier helemaal geen zwaar hoofd in gehad. Nee, nee, dat denk ik ook niet nee. Kijk, het is ook niks persoonlijks naar jou toe maar ik moet gewoon zakelijk kijken, wat is wijsheid? Ik heb het er ook met een paar mensen over gehad en ik moet als mens nadenken en als ondernemer en als mens is er natuurlijk niks mis met jou. Dus ik ben gewoon voor mezelf aan het kijken, wat kunnen we op een andere manier doen? Je weet ook niet hoe jij je gaat voelen he? En ik moet ook rekening houden met de andere kant van het verhaal. Als dadelijk die man van jou wil dat je voor dat kind gaat zorgen, ik wil helemaal niet dat je nog gaat werken, kijk, je weet het allemaal niet he? Het is ook geen verwijt, we moeten gewoon samen kijken, wat is wijsheid? Wat kunnen we wel en wat kunnen we niet doen?

Weet je wat ik nou zo jammer vind? Dat je niet even met mij praat hierover en dat je denkt dat ik het niet begrijp.

Ik heb het heel druk en ik heb geen zin om hier de hele dag over te hebben. Ik voel me niet geroepen om hier met iedereen te praten zomaar.

Maar kijk, het gaat nu over mijn contract en ik voel dat jij mijn contract niet gaat verlengen, en weet je, ik snap dat maar wat we bijvoorbeeld hadden kunnen doen maar wat ik niet meer wil nu, is dat jij tegen mij had gezegd, luister [eisende partij] , dit is financieel kut voor mij want ik moet je 4 maanden doorbetalen en ik weet niet hoe het gaat lopen. Wat vind je ervan als we je contract niet verlengen zodat je een uitkering aan kunt vragen en dat ik je over een jaar weer aanneem?

Daar heb ik niet eens over nagedacht. Over die 4 maanden wat ik je moet doorbetalen heb ik überhaupt nog nooit nagedacht, ik weet helemaal niks van zwangerschappen af. En zover ben ik ook niet, ik ben alleen zover aan het komen dat ik denk van mijn accountant op vakantie geweest en ik heb een gesprek gehad maar daar ben je ook gedeeltelijk voor verzekerd maar ik heb ook een eigen risico van 3 maanden. Kijk, nu je' dat allemaal zegt, oké, dat is 1 kant van het verhaal. Ik wil nu gewoon kijk, als je kunt stoppen en na een jaar en 1 dag terug kunt komen want dat is geloof ik hoelang je dan niet meer bij iemand op de loonlijst moet staan.

Uit deze passages kan de kantonrechter niet anders dan concluderen dat de zwangerschap in elk geval mede de aanleiding is geweest en wel een van de belangrijkste redenen om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Gedaagde partij stelt weliswaar dat het functioneren de enige aanleiding was om tot niet verlenging te besluiten en dat het gesprek naar de zwangerschap werd gestuurd en de heer [A] hiermee als het ware is overvallen en voor het blok gezet om hierover een uitspraak te doen. De kantonrechter stelt vast dat [A] in dat gesprek zich op het standpunt had kunnen stellen dat hij zich eerst wilde informeren omtrent de mogelijkheden en onmogelijkheden van de verlenging van het dienstverband alvorens daarover in gesprek te gaan en het te laten bij de bespreking van de overuren. Dit is echter niet gebeurd. Gedaagde partij stelt verder dat het onbetamelijk is om onaangekondigd een gesprek vast te leggen op een geluidsdrager. De kantonrechter is van oordeel dat hij aan de verweren van gedaagde partij voorbij moet gaan en neemt daarbij mede in aanmerking dat aan het eind van het gesprek de mogelijkheden zijn besproken van een nieuw dienstverband om weer opnieuw te beginnen over een half jaar nadat het contract is afgelopen en dat in tegenspraak is met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wegens slechts functioneren c.q. niet passen in het team. Nu de kantonrechter moet vaststellen dat de zwangerschap de belangrijkste reden voor gedaagde partij was om niet tot verlenging van de arbeidsovereenkomst over te gaan staat vast dat gedaagde partij daarmee onrechtmatig handelt jegens eisende partij en schadeplichtig is.

4.4.

Eisende partij vordert vergoeding van materiële en immateriële schade.

de materiële schade

4.5.

Eisende partij vordert het verlies aan inkomsten gedurende de periode dat zij van het UWV een WW en WAZO uitkering ontvangt en vervolgens de inkomensschade over het resterende tijdvak tot 1 december 2021. Eisende partij verwijst daarbij naar een uitspraak van de kantonrechter te Zwolle van 26 april 2016 waarbij een inkomensschade werd vastgesteld op een periode van vijf jaar en een immateriële schade werd toegekend van € 5.000,00.

4.6.

Gedaagde partij betwist uitdrukkelijk de gestelde schade, wijst op de schadebeperkingsplicht van eisende partij en stelt dat indien er al verlenging zou hebben plaatsgevonden dit hooguit voor een zelfde periode zou zijn geweest en zeker niet was overgegaan tot een vaste aanstelling.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat de stelling van eisende partij dat er een vast contract zou zijn gegeven op geen enkele wijze wordt onderbouwd en slechts is gebaseerd op een aanname van eisende partij. Elk bewijsstuk voor die aanname ontbreekt. Gelet op hetgeen tijdens het gesprek van 1 september 2016 is besproken was de voornaamste reden voor gedaagde partij haar financiële economische positie. Het zo lang mogelijk gebruik maken van de mogelijkheid van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is dan de meest aannemelijke lijn die gedaagde partij voor ogen moet hebben gehad. In het kader van die gedachte ligt uit bedrijfseconomisch oogpunt het meest voor de hand dat gedaagde partij in geval er geen belemmering van ziekte c.q. zwangerschap in het spel was geweest de arbeidsovereenkomst nog een derde keer voor de maximaal wettelijk toelaatbare periode zou zijn verlengd. In dat geval zou de arbeidsovereenkomst per 30 september 2017 zijn geëindigd. De kantonrechter acht gedaagde partij daarom schadeplichtig voor de periode tot 1 oktober 2016 voor het verschil tussen hetgeen eisende partij aan uitkering heeft verworven en hetgeen zou zijn uitbetaald aan salaris bij verlenging van het dienstverband. Uit de door eisende partij overgelegde en niet door gedaagde partij weersproken stukken blijkt dat het maandsalaris € 757,75 netto bedraagt exclusief vakantiegeld. Inclusief vakantiegeld komt dit op een bedrag op € 818,37. Uit de stukken volgt dat eisende partij een ww- c.q. WAZO- uitkering heeft genoten van € 188,93 netto per week. Omgerekend naar een maandsalaris (maal 52 gedeeld door 12) komt dit op een nettobedrag € 818,70. Daarmee kan de kantonrechter niet vast stellen dat er sprake is van inkomensschade zodat de vordering ter zake de inkomensschade wordt afgewezen.

de immateriële schade

4.8.

Eisende partij vordert een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en wijst voor de onderbouwing van dit bedrag naar het eerder genoemde vonnis van de kantonrechter te Zwolle. Gedaagde partij betwist kort en goed gezegd primair dat er sprake is van immateriële schade en subsidiair dat de enkele verwijzing naar het vonnis van de kantonrechter te Zwolle een onvoldoende onderbouwing van de vordering is.

4.9.

De kantonrechter is van oordeel dat nu gedaagde partij door inbreuk te maken op een grondrecht jegens eisende partij een norm heeft overschreden en daarmee schadeplichtig is jegens eisende partij. Bij de vaststelling van de immateriële schade neemt de kantonrechter mede in aanmerking de gedragingen van eisende partij. De manier waarop eisende partij het bewijs van haar stelling heeft verkregen acht de kantonrechter in de gegeven situatie toelaatbaar, maar nu wel vast staat dat in geval eisende partij uitdrukkelijk gewag had gemaakt van hetgeen zij met gedaagde partij wilde gaan bespreken op 1 september 2016, de uitkomst van het gesprek anders zou zijn geweest is voor de kantonrechter aanleiding om de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.000,00.

4.10.

Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.11.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.000,00 , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2016 tot aan de voldoening,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: HM

coll: plg