Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2017:12109

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
6206177 \ CV EXPL 17-6419
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navordering onregelmatigheidstoeslag door zorgmedewerkers over vakantiedagen c.q. over met verlof vergelijkbare dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1516
GZR-Updates.nl 2017-0441
AR 2017/6710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 6206177 \ CV EXPL 17-6419

Vonnis van de kantonrechter van 13 december 2017

in de zaak van:

1 [eisende partij sub 1] ,
wonend [adres eisende partij sub 1] ,
[woonplaats eisende partij sub 1] ,

2. [eisende partij sub 2],
wonend [adres eisende partij sub 2] ,
[woonplaats eisende partij sub 2] ,

3. [eisende partij sub 3],
wonend [adres eisende partij sub 3] ,
[woonplaats eisende partij sub 3] ,

4. [eisende partij sub 4],
wonend [adres eisende partij sub 4] ,
[woonplaats eisende partij sub 4] ,

5. [eisende partij sub 5],
wonend [adres eisende partij sub 5] ,
[woonplaats eisende partij sub 5] ,

6. [eisende partij sub 6],

wonend [woonplaats eisende partij sub 6] , [adres eisende partij sub 6] ,

7. [eisende partij sub 7],

wonend [woonplaats eisende partij sub 7] , [adres eisende partij sub 7] ,

8. [eisende partij sub 8],

wonend [woonplaats eisende partij sub 8] , [adres eisende partij sub 8] ,

9. [eisende partij sub 9],

wonend [woonplaats eisende partij sub 9] , [adres eisende partij sub 9] ,

10. [eisende partij sub 10],

wonend [woonplaats eisende partij sub 10] , [adres eisende partij sub 10] ,

11. [eisende partij sub 11],

wonend [woonplaats eisende partij sub 11] , [adres eisende partij sub 11] ,

12. [eisende partij sub 12],

wonend [woonplaats eisende partij sub 12] , [adres eisende partij sub 12] ,

eisende partij in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. S.J.H.G.M. Schils,

tegen:

de stichting STICHTING PERGAMIJN,

gevestigd te Echt,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,

gemachtigde mr. F.H.H.M. Degens.

Partijen zullen hierna werknemers en Pergamijn genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juli 2017,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,

  • -

    de beslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    de op 24 november 2017 gehouden comparitie van partijen,

  • -

    de akte uitlating van Pergamijn.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Werknemers zijn allen in de gehele dan wel gedeeltelijke periode van 2010-2015 werkzaam geweest bij Pergamijn in de nachtdienst.

2.2.

Vanwege het feit dat de werknemers in de nachtdiensten werkzaam zijn, ontvangen zij een onregelmatigheidstoeslag (ORT).

2.3.

Tot en met 31 december 2015 hebben de werknemers over de genoten vakantie-uren en de Persoonlijk Budget Levensfase-uren (PBL-uren), die als verlofuren zijn ingezet, geen ORT-toeslag ontvangen.

2.4.

In de CAO Gehandicaptenzorg van 2016 is onder meer opgenomen dat met ingang van 1 januari 2016 over de genoten vakantie-uren het uurloon wordt verhoogd met een percentage op basis van het gemiddelde uitbetaalde ORT over de afgelopen zes maanden.

2.5.

Voor de periode 2017-2019 is een nieuwe CAO Gehandicaptenzorg gesloten. Voor wat betreft het recht op betaling van ORT tijdens het opnemen van vakantie met terugwerkende kracht is een schikking getroffen om de medewerker die, in de periode 1 januari 2012 tot 1 januari 2016 op onregelmatige tijdstippen heeft gewerkt een eenmalige uitkering te geven teneinde (onnodige) rechtszaken te voorkomen.

2.6.

Van de 838 medewerkers die voor een dergelijke vergoeding bij Pergamijn in aanmerkingen komen, hebben alleen de werknemers de hen aangeboden vergoeding niet geaccepteerd.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

Werknemers vorderen ieder voor zich - samengevat - veroordeling van Pergamijn tot betaling van het netto-equivalent van de navolgende respectieve bruto bedragen: € 5.656,19, € 3.058,29, € 2.567,80, € 1.774,07, € 2.748,37, € 2.283,85, € 3.761,55, € 3.114,38, € 3.901,36, € 2.449,71, € 3.998,58 en € 3.630,15, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, met veroordeling van Pergamijn in de proceskosten en in de nakosten van zowel de conventie als de reconventie. Werknemers voeren voorts verweer tegen de vorderingen van Pergamijn in reconventie. Door [eisende partij sub 4] is voorts gevorderd aan haar het jaarrooster 2012 te verstrekken, doch daaraan heeft Pergamijn reeds voldaan.

3.2.

Pergamijn voert verweer tegen de vordering in conventie, waarbij Pergamijn de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente in de gegeven omstandigheden niet passend acht en vordert - samengevat -

  1. te verklaren voor recht dat werknemers gehouden zijn (op basis van goed werknemerschap) de door CAO-partijen Gehandicapenzorg in de CAO 2017-2019 gemaakte afspraak over "Uitkering in verband met onzekerheid ORT over vakantie in het verleden" na te komen en hen te veroordelen de door Pergamijn aangeboden uitkering te accepteren, tegen finale kwijting ter zake ORT en verlof in het verleden,

  2. werknemers 1, 4, 5, 6, 8, 10 en 12 op straffe van een dwangsom te gebieden aan Pergamijn kenbaar te maken of zij wel of geen vakbondslid zijn van een bij de CAO aangesloten vakbond of vakorganisatie,

  3. te verklaren voor recht dat werknemers 2, 3, 7, 9 en 11 en werknemers 1, 4, 5, 6, 8, 10 en 12, voor zover zij lid mochten zijn van een vakbond, gehouden zijn de door de CAO gemaakte afspraak over "Uitkering in verband met onzekerheid ORT over vakantie in het verleden" na te komen en hen uit dien hoofde te veroordelen de door Pergamijn aangebonden uitkering te accepteren tegen finale kwijting ter zake ORT en verlof in het verleden,

  4. veroordeling van werknemers in de proceskosten en in de nakosten van de procedure in conventie en in reconventie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

In de onderhavige procedure gaat het uiteindelijk en naar de kern genomen om een aanspraak op loon voor werknemers over perioden waarin deze werknemers feitelijk de overeengekomen werkzaamheden niet hebben verricht om reden van opname van verlofdagen dan wel met verlofdagen vergelijkbare andere dagen. Die aanspraak op loon gedurende de opname van verlof dan wel gedurende vergelijkbare perioden, waarin feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht, staat op zichzelf genomen niet ter discussie tussen partijen, doch wel de omvang van dit loon.

4.2.

De omvang van dit loon is evenwel reeds op supranationaal niveau nader omlijnd. In de zaak C-155/10 (Williams vs British Airways) heeft het Europese gerechtshof onder meer overwogen:

Elke last die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt, wordt gerekend tot de globale beloning van de werknemer, zoals, in het geval van lijnpiloten, de tijd die zij vliegend doorbrengen, die noodzakelijkerwijs deel moet uitmaken van het bedrag waarop de werknemer recht heeft gedurende zijn jaarlijkse vakantie.

En:

Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of er een intrinsiek verband bestaat tussen de verschillende componenten van het globale loon van de werknemer en de uitvoering van de taken die hem zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst. Deze beoordeling dient betrekking te hebben op een gemiddelde over een representatief geachte periode.

4.3.

Een en ander heeft dit Europese Hof herhaald en verduidelijkt in zijn uitspraak Lock/British Gas. Bepalend voor de vraag of een werknemer recht heeft op uitbetaling dan wel doorbetaling van - ook - onregelmatigheidstoeslag gedurende zijn vakantie is aldus de omstandigheid of die onregelmatigheidstoeslag intrinsiek samenhangt met de hem opgedragen taken. Daarbij dient er verder acht te worden geslagen op de gedurende opname van vakantieverlof te ontvangen beloning, die niet zodanig laag (lager dan de beloning buiten het gedurende vakantie betaalde loon) mag zijn dat een werknemer hierdoor zou worden weerhouden van het opnemen van vakantiedagen.

4.4.

Aldus kan aanstonds worden geconcludeerd en geconstateerd dat er, gelet op de aanspraak op loondoorbetaling gedurende opname van vakantiedagen, voor de werknemers in de onderhavige procedure een aanspraak op doorbetaling van onregelmatigheidstoeslag bestaat. Die onregelmatigheidstoeslag vindt zijn grond immers in de omstandigheid dat deze werknemers nachtdiensten verrichten dan wel hebben verricht, terwijl de onregelmatigheidstoeslag juist bedoeld is als een op die nachtdiensten gerichte extra beloning die daarmee intrinsiek samenhangt met de aan deze werknemers opgedragen taken. Indien de kantonrechter het goed ziet wordt een en ander in feite ook door Pergamijn niet ter discussie gesteld.

4.5.

Op dit punt tekent de kantonrechter nog aan dat de opname van vakantiedagen en de doorbetaling van loon gedurende zo een vakantieperiode, vanuit het perspectief van een werknemer bezien, niet wezenlijk zal verschillen van vergelijkbare perioden van “inactiviteit” anderszins. Vrije tijd met behoud van loon in geval van opname in tijd van PBL-uren dan wel in geval van opname van compensatieverlof dient daarmee, voor wat betreft de aanspraak op loondoorbetaling, op gelijke voet te worden behandeld als zo een aanspraak op loon tijdens de opname van vakantie.

4.6.

Aangezien de aanspraak op doorbetaling van onregelmatigheidstoeslag ook gedurende perioden van inactiviteit, met behoud van loon, daarmee gegeven is, dient vervolgens beoordeeld te worden of deze aanspraak alsnog aan werknemers dient te worden ontzegd.

4.7.

Pergamijn heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de collectieve regeling van de aanspraken op nabetaling van onregelmatigheidstoeslag over de jaren 2012 tot en met 2015 inmiddels bindend is neergelegd in de tot stand gekomen cao gehandicaptenzorg 2017 – 2019. Dit standpunt moet aanstonds van de hand worden gewezen. Blijkens de preambule van deze cao (zoals door Pergamijn zelf in het geding gebracht, als productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie) wordt er immers nadrukkelijk ruimte geschapen voor individuele werknemers desgewenst niet voor deze collectieve nabetaling te kiezen, doch eigen aanspraken zelf te (blijven) vervolgen. De enige conditie die daarvoor wordt gesteld is het kenbaar maken van deze keuze door de werknemer voor 1 oktober 2017. Zo een keuze is door elk van werknemers in de onderhavige procedure - onbetwist door Pergamijn - tijdig en op juiste wijze gedaan. De door Pergamijn aangehaalde, in de huidige cao neergelegde “nabetalingsregeling” kan daarmee worden gelaten voor wat zij is. Die collectieve regeling staat niet aan de individuele aanspraken van de werknemers in de weg.

4.8.

Pergamijn heeft in de tweede plaats aangevoerd dat er, door de werknemers deze eigen route te gunnen, als vanzelf een ongelijke behandeling gestalte krijgt tussen deze werknemers enerzijds en alle andere medewerkers van Pergamijn welke laatste groep immers slechts een uitkering ingevolge “nabetalingsregeling” heeft verkregen. Zo een ongelijke behandeling, ook bezien vanuit de achtergrond van artikel 14 wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst, is feitelijk niet aan de orde. Voor een ieder heeft immers de keuze opengestaan, zoals die tot 1 oktober 2017 tot de mogelijkheden heeft behoord. Tot die keuze is iedereen gelijkelijk in staat gesteld, zodat een in aanmerking te nemen ongelijkheid, als waarop Pergamijn kennelijk het oog heeft, niet valt aan te wijzen.

4.9.

Pergamijn heeft er in de derde plaats op gewezen dat de werknemers uit hoofde van goed werknemerschap verplicht zijn zich aan te sluiten bij de collectieve “nabetalingsregeling”. Deze zienswijze stuit af op de aangehaalde preambule bij de cao, waaraan niet alleen Pergamijn als werkgeefster, doch ook werknemers ingevolge kennelijk telkens in hun arbeidsovereenkomst opgenomen incorporatiebeding, ieder gebonden zijn. Ingevolge deze preambule heeft er nu eenmaal een keuzemogelijkheid voor werknemers bestaan niet voor de collectieve “nabetalingsregeling” te kiezen, terwijl die keuze zou worden miskend, indien goed werknemerschap daar al helemaal geen ruimte voor zou laten.

4.10.

Pergamijn heeft in de vierde plaats, subsidiair, een beroep gedaan op de in artikel 6: 89 BW neergelegde klachtplicht. Ook dit beroep faalt. Dit wetsartikel is geschreven voor verbintenissen waarbij een zaak moet worden verschaft of een dienst moet worden verricht. De bepaling is niet geschreven voor een tekortkoming, die bestaat uit het niet volledig nagekomen van een periodieke betalingsverplichting, zoals het betalen van loon. Daarvoor geldt de algemene verjaringstermijn van artikel 3: 308 burgerlijk wetboek. Dat is in de rechtspraak reeds eerder zo geoordeeld, vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 februari 2014 en 7 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2014:1199 resp. 2015:2523.

4.11.

Pergamijn heeft in de vijfde plaats en ten slotte nog gewezen op eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals deze aangewezen kunnen worden tegen de achtergrond van een algemeen verbindend te verklaren collectieve regeling, zoals de in de cao gehandicaptenzorg opgenomen collectieve nabetalingsregeling. Ook nu wordt daarmee naar het oordeel van de kantonrechter miskend dat er nu eenmaal in deze cao een “opt out” mogelijkheid wordt voorzien. Die mogelijkheid, als mogelijkheid, kan niet terzijde worden geschoven om reden dat dat onredelijk en onbillijk zou moeten heten te zijn. Die mogelijkheid is immers nadrukkelijk en met zoveel woorden, naar aan te nemen valt: desbewust, opgenomen in een heuse collectieve arbeidsovereenkomst en daarmee kan niet zonder meer worden gezegd dat dat tezelfdertijd als onredelijk en onbillijk zou hebben te gelden.

4.12.

De vorderingen van werknemers komen daarmee integraal voor toewijzing in aanmerking. Dat geldt ook voor de nevenvorderingen tot vergoeding van rente, met ingang, telkens, van de in aanmerking te nemen betalingsvervaldata van de onregelmatigheidstoeslagbedragen, en de nevenvordering tot vergoeding van wettelijke verhoging. Pergamijn heeft weliswaar ruimte voor discussie aanwezig gezien, zodat er in zoverre geen sprake is van pure betalingsonwil, doch daar staat tegenover dat zij niet reeds eigener beweging over is gegaan tot in ieder geval uitkering van het bedrag waarop werknemers hoe dan ook al aanspraak hebben kunnen maken ingevolge de meerdere malen aangehaalde nabetalingsregeling. In zoverre is er simpelweg niet en niet tijdig aan werknemers betaald, waarop zij in ieder geval al aanspraak hebben gehad en dat doet de wettelijke verhoging toewijsbaar zijn.

4.13.

Bij de toewijzing van de vordering zal naar aanleiding van de door Pergamijn na de comparitie genomen akte uitlating bij de aan eisers sub 1, 2, 5 en 6 toe te wijzen bedragen worden toegevoegd de zinsnede "indien nodig te herberekenen met inachtneming van de in de akte uitlating van Pergamijn vermelde percentage(s)".

4.14.

De tegenvorderingen van Pergamijn in reconventie zijn alle gericht op het binden van werknemers aan de collectieve nabetalingsregeling. Uit het vorenstaande vloeit voort dat deze tegenvorderingen alle niet voor toewijzing in aanmerking komen. Zo een verplichting voor werknemers bestaat niet, ook niet ingevolge een wel of niet nog bekend te maken vakbondslidmaatschap.

4.15.

Pergamijn zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van werknemers worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 102,10

  • -

    griffierecht 470,00

  • -

    salaris gemachtigde (in totaal) 750,00 (3 x tarief € 250,00)

totaal € 1.322,10.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

5.1.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 1] te betalen het netto equivalent van bruto € 5.656,19, indien nodig te herberekenen met inachtneming van de in de akte uitlating van Pergamijn vermelde percentage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.2.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 2] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.058,29, indien nodig te herberekenen met inachtneming van de in de akte uitlating van Pergamijn vermelde percentage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.3.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 3] te betalen het netto equivalent van bruto € 2.567,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.4.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 4] te betalen het netto equivalent van bruto € 1.774,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.5.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 5] te betalen het netto equivalent van bruto € 2.748,37, indien nodig te herberekenen met inachtneming van de in de akte uitlating van Pergamijn vermelde percentage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.6.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 6] te betalen het netto equivalent van bruto € 2.283,85, indien nodig te herberekenen met inachtneming van de in de akte uitlating van Pergamijn vermelde percentage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.7.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 7] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.761,55, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.8.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 8] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.114,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.9.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 9] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.901,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.10.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 10] te betalen het netto equivalent van bruto € 2.449,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.11.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 11] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.998,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.12.

veroordeelt Pergamijn om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij sub 12] te betalen het netto equivalent van bruto € 3.630,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierboven in rechte bedoelde betaalvervaldatum of data tot aan de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de periode dat Pergamijn de ORT-vergoeding te laat heeft voldaan,

5.13.

veroordeelt Pergamijn in de proceskosten aan de zijde van werknemers gevallen en tot op heden begroot op € 1.322,10,

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: TC/GB

coll: